Opzegvergoeding onterecht, klacht deels gegrond

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie Zakelijk    Categorie: Beëindiging overeenkomst    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies na tussen advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 213749/234295

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De verbruiker klaagt over een opzegvergoeding van ruim €11.000 die hij moest betalen na overstap naar een andere energieleverancier. Volgens hem was bij het afsluiten van het contract beloofd dat er geen stilzwijgende verlenging zou plaatsvinden. Hij onderbouwde dit met een folder van het bedrijf. De commissie vindt dat het bedrijf onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat verlenging en opzegkosten mogelijk waren. Daarom hoeft de verbruiker de opzegvergoeding en bijkomende kosten niet te betalen. Wel wordt zijn andere klacht over een terugvordering van €3.621,75 afgewezen, omdat die onvoldoende is onderbouwd. De klacht is deels gegrond. Het bedrijf moet €181,50 klachtengeld vergoeden.

De volledige uitspraak

Beoordeling
De commissie heeft in het tussenadvies de beslissing aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om onderling een mogelijke regeling te bereiken ter beslechting van dit geschil. In weerwil van hetgeen verder in dit tussenadvies is overwogen hebben partijen de commissie wél hun onderlinge mailwisseling gestuurd, maar de commissie niet bericht of zij een regeling hebben bereikt. Omdat de commissie ter zake niet meer van partijen vernomen heeft, gaat zij ervanuit dat geen schikking is bereikt.

De verbruiker/aangeslotene dient uiteraard (goed) te onderzoeken wat hij overeenkomt om te voorkomen dat hij onder invloed van een verkeerde voorstelling van zaken een leveringsovereenkomst sluit. Het bedrijf is op zijn beurt gehouden om de verbruiker/aangeslotene essentiële informatie te verschaffen. In beginsel mag de verbruiker/aangeslotene afgaan op door de verkoper gedane mededelingen.

De verbruiker/aangeslotene heeft aangevoerd dat hij op een beurs het betreffende leveringscontract is aangegaan en daartoe is overgegaan naar aanleiding van mededelingen van het bedrijf dat voordat het contract afloopt het bedrijf contact met hem zal opnemen om een nieuw voorstel te doen en er geen sprake is van stilzwijgende verlenging van het contract. De verbruiker/aangeslotene heeft ter onderbouwing hiervan de folder overgelegd die hij bij het aangaan van de overeenkomst verstrekt had gekregen waarin dit uitdrukkelijk staat vermeld. Het bedrijf heeft hier onvoldoende tegenover gesteld. De enkele stelling dat de mededeling dat geen stilzwijgende verlengingen zouden plaatsvinden uitsluitend in de wervende tekst stond en niet in het contract en dat die folder alleen maar algemene informatie behelst terwijl er daarnaast ook nog specifieke informatie is die hier geldig is en waarin de betreffende voorwaarden zijn opgenomen, is, in het licht van het voorgaande, ontoereikend.

Aldus is niet gebleken dat het bedrijf voorafgaande aan de totstandkoming van de overeenkomst (voldoende duidelijk) heeft aangegeven dat stilzwijgende verlenging van de overeenkomst plaatsvindt en dat bij vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst een opzegvergoeding in rekening wordt gebracht. Die productinformatie mag essentieel worden geacht en die informatie had in de optiek van de commissie niet mogen ontbreken.

Gelet hierop kan in een geval als hier niet worden vastgesteld dat de verbruiker/aangeslotene in strijd met de bepalingen van de leveringsovereenkomst de overeenkomst vroegtijdig heeft beëindigd. Dit betekent, anders dan het bedrijf heeft geconcludeerd, dat het bedrijf niet conform de door hem gehanteerde algemene voorwaarden een opzegvergoeding (op basis van 15% van de resterende (verwachte) waarde van de overeenkomst) in rekening mocht brengen. Deze opzegvergoeding staat op nota 1E45382 d.d.
1 mei 2023 ad €11.017,61 (incl. btw).

Partijen zijn er samen niet uitgekomen om tot een alomvattende oplossing te komen zodat de commissie de door de verbruiker/aangeslotene ingeroepen vervallenverklaring van de factuur gerechtvaardigd acht. Uit de overgelegde stukken lijkt te volgen dat het bedrijf hiertoe inmiddels, gedurende deze procedure, is overgegaan. Omdat dit niet geheel duidelijk is zal de commissie bepalen dat de verbruiker/aangeslotene de opzegvergoeding van € 11.017,61 inclusief btw zoals vermeld op nota 1E45382 van 1 mei 2023 niet verschuldigd is. Die factuur dient dan ook te worden gecrediteerd. Gelet hierop wordt ook beslist dat de verbruiker/aangeslotene de door het bedrijf over die opzegvergoeding in rekening gebrachte rente, incassokosten en advocaatkosten niet verschuldigd is.

Dit klachtonderdeel is gegrond.

De verbruiker/aangeslotene heeft de commissie op 30 april 2024 verzocht te beslissen dat het bedrijf zijn faillissementsaanvraag moet laten intrekken. Dit verzoek is niet gedaan in het vragenformulier zodat het buiten de klacht valt en dit valt voorts buiten het bereik van de taak – en daarmee de bevoegdheid – die aan de commissie is toebedeeld, nu dit geen betrekking heeft op een geschil als daarin omschreven (artikel 3, lid 1 van het reglement geschillencommissie energie zakelijk).

De verbruiker/aangeslotene heeft zich er voorts over beklaagd dat het bedrijf weigert aan zijn vordering van
€ 3.621,75 ter zake de terugvordering voor het bij hem te veel in rekening gebrachte gasverbruik tegemoet te komen.
De verbruiker/aangeslotene heeft echter onvoldoende concrete en duidelijke informatie gegeven betreffende de opbouw c.q. berekening van die claim en de verschuldigdheid daarvan van het bedrijf. Hierbij is acht geslagen op hetgeen de verbruiker/aangeslotene daarover zelf heeft aangevoerd en de door hem overgelegde stukken. Dit geldt te meer nu hij eerst een hoger bedrag claimde en het bedrijf enige verschuldigdheid ter zake betwist. Dit betekent dat de verbruiker/aangeslotene zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Bij deze stand van zaken heeft de commissie in dit geval onvoldoende handvatten om een bedrag van welke hoogte dan ook te kunnen vaststellen.
Dit onderdeel van de klacht is daarom ongegrond.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ten dele gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
Bepaalt dat de verbruiker/aangeslotene niet de opzegvergoeding van €11.017,61 (inclusief btw) zoals opgenomen op nota 1E45382 van 1 mei 2023 aan de ondernemer verschuldigd is.

Bepaalt dat de ondernemer deze nota dient te crediteren.

Bepaalt dat de verbruiker/aangeslotene niet de over voormelde opzegvergoeding in rekening gebrachte rente, incassokosten en advocaatkosten verschuldigd is.

Bovendien dient het bedrijf overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 181,50 aan de verbruiker/aangeslotene te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is het bedrijf aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Wijst af het meer of anders verlangde.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie zakelijk, bestaande uit mevrouw mr. I.K. Rapmund, voorzitter, de heer mr. F.J. Pirard, de heer mr. C.M.H. Vlaanderen, leden, op 7 mei 2024.

Opslaan als PDF