Oudercommissie moet overleggen met ondernemer en vragen om specifieke informatie over tariefswijziging

  • Home >>
  • Kinderopvang >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Prijs    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 121978

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De ondernemer wilde het tarief verhogen terwijl de oudercommissie hierover negatief adviseerde. De ondernemer volgde het advies niet op en verhoogde het tarief. De oudercommissie stelt dat zij van de ondernemer niet voldoende informatie heeft ontvangen om de tariefsverhoging te kunnen beoordelen en wil dat de tariefsverhoging wordt teruggedraaid. De ondernemer heeft niet voldoende duidelijk gemaakt waarom hij vestigingsspecifieke informatie niet kon verstrekken. De oudercommissie had concreet moeten aangeven welke gegevens zij nodig had voor het geven van een advies. Dat heeft zij niet gedaan. Terugdraaien van de tariefsverhoging vindt de commissie in dit geval te ver gaan. De klacht is ongegrond.

Volledige uitspaak

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft in hoofdzaak de vraag of de ondernemer, in afwijking van het advies van de oudercommissie, het besluit kon nemen om per 1 januari 2019 de tarieven te verhogen.

De oudercommissie heeft de klacht op 30 oktober 2018 schriftelijk voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de oudercommissie
Voor het standpunt van de oudercommissie verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, in het bijzonder naar het vragenformulier dat op 18 december 2018 is ontvangen en de brief van de oudercommissie aan de ondernemer van die datum. In de kern komt dit standpunt op het volgende neer.

De ondernemer heeft een hoge tariefswijziging voor 2019 aangekondigd, te weten 11,3% voor het KDV en 5,4% voor de BSO. De oudercommissie heeft om meer landelijke en locatiespecifieke informatie verzocht om deze verhoging te kunnen beoordelen. De ondernemer heeft nagelaten deze informatie te verstrekken. Op 30 oktober 2018 heeft de oudercommissie daarom negatief geadviseerd ten aanzien van de voorgenomen tariefsaanpassing. De ondernemer heeft zonder inhoudelijke adequate onderbouwing dit negatieve advies terzijde geschoven en de voorgenomen tariefsverhoging als voldongen feit aan de ouders gecommuniceerd.

In 2018 was het uurtarief bij deze locatie € 8,43 voor het KDV en € 7,70 voor de BSO. De ondernemer heeft dit in 2019 verhoogd naar € 9,15 respectievelijk € 8,01. De oudercommissie acht, op basis van alle beschikbare informatie, op deze locatie een maximale stijging tot € 8,78 voor het KDV en € 7,86 voor de BSO acceptabel. Naar het oordeel van de oudercommissie baseert de ondernemer de tarieven enkel op vraag en aanbod en concurrentieoverwegingen en niet op daadwerkelijke opbrengsten en kosten van de vestigingen. Tariefsverhogingen mogen echter alleen worden doorgevoerd indien dit noodzakelijk is voor het handhaven van de kwaliteit van de aangeboden kinderopvang. Ingevolge artikel 1.60 lid 2 van de Wet Kinderopvang kan slechts van een negatief advies van de oudercommissie worden afgeweken indien de ondernemer gemotiveerd aangeeft dat het belang van de kinderopvang zich tegen naleving van het advies verzet. 

De oudercommissie baseert zich op het bindend advies van de commissie van 12 oktober 2018, dossiernummer 117961, met als verzenddatum 16 november 2018, waarin onder meer is beslist dat de oudercommissie alleen adequaat invulling kan geven aan haar adviesrecht indien de ondernemer alle informatie verstrekt die de oudercommissie voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig heeft en dat de ondernemer daarbij tevens de noodzakelijke vestigingspecifieke gegevens dient te verstrekken. 

De oudercommissie is daarom niet bereid een hogere tariefstijging te accepteren dan door de overheid noodzakelijk wordt geacht, vooral omdat de ondernemer niet kan verklaren waarom deze vestiging duurder is dan de andere vestigingen van dezelfde organisatie. Zelfs op plekken waar de opvang ook in prachtige panden is gehuisvest is de prijsstijging niet zo fors als bij hen. De oudercommissie heeft ook signalen dat een aantal principes uit de Wet al waren ingevoerd op hun locatie, dus ook dat kan de verhoging niet verklaren.  De oudercommissie kan deze prijsstijging niet uiteggen aan de achterban. 

De oudercommissie vordert primair dat de commissie bepaalt dat het besluit van de ondernemer voor de tariefstijging voor 2019 voor de kinderopvang en de BSO onrechtmatig is genomen, zodat het vernietigd dient te worden en de tarieven van 2018 met terugwerkende kracht worden gecontinueerd. 

Subsidiair vordert de oudercommissie dat de commissie de tarieven voor deze locatie vaststelt zoals aangegeven in haar adviesbrief van 30 oktober 2018, te weten maximaal € 8,78 voor het KDV en € 7,86 voor de BSO. Meer subsidiair vordert de oudercommissie dat de tarieven per 2019 met maximaal € 0,57 stijgen voor de kinderopvang en met € 0,06 dalen voor de BSO, conform de prognose van de Rijksoverheid. Indien de commissie geen tariefdaling kan gelasten stelt de oudercommissie voor om ten aanzien van de BSO-tarieven vooralsnog het tarief van 2018 te handhaven, waarbij voor het jaar 2020 het tegoed van € 0,06 nog verdisconteerd dient te worden.

Voorts vordert de oudercommissie dat de ondernemer bij de adviesaanvraag ten aanzien van de tarieven in 2020 de vestigingsbegroting aan de oudercommissie overhandigt. 

De oudercommissie verlangde aanvankelijk tevens dat de ondernemer alsnog aan de oudercommissie het klachtengeld van € 25,– vergoedt zoals is opgelegd in het bindend advies van 12 oktober 2018, met nummer 117961. De ondernemer heeft in het verweerschrift aangegeven dat dit bedrag inmiddels is voldaan.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, in het bijzonder naar het verweerschrift dat op 24 januari 2019 is ontvangen. In de kern komt dit standpunt op het volgende neer.

De ondernemer is van mening dat meer dan voldoende informatie is verstrekt om de oudercommissie en de ouders zorgvuldig en goed onderbouwd over de tariefsaanpassingen te informeren en om uit te leggen waarom van het advies van de oudercommissie is afgeweken. Zoals blijkt uit de door de oudercommissie overgelegde bijlagen heeft de ondernemer in intensief persoonlijk, telefonisch en schriftelijk contact uitgelegd waarom de tariefsstijging noodzakelijk is. Het proces is uitgebreid en transparant geweest. Het argument van de oudercommissie dat men slechts bereid is akkoord te gaan met bepaalde maximumverhogingen is niet onderbouwd. De ondernemer heeft inhoudelijk juiste argumenten geleverd; dit zijn alleen niet de argumenten die de oudercommissie wil horen. De oudercommissie kan echter niet plaatsnemen op de stoel van de ondernemer.

De ondernemer licht over de werkwijze toe dat altijd eerst wordt gekeken naar de gemiddelde kostenstijging van de hele organisatie. De ondernemer berekent daarbij de stijging van de salariskosten, de wettelijke premiewijzigingen en de inflatiecijfers. Dit jaar is er een uitzonderlijke situatie door de aanpassing van de BKR. Hoewel de ondernemer voor de BKR landelijk een stijging van 11,4% verwacht voor de KDV, wordt daarvan maar 4,9% doorberekend en wordt het restant voor eigen rekening genomen. Daarmee wordt uitgekomen op een stijging voor KDV van in totaal 11,3%.

Om de tariefsaanpassing te berekenen kijkt de ondernemer niet naar de vestigingresultaten, zoals de oudercommissie stelt, maar naar de kostenstijgingen in het nieuwe jaar. Het voordeel van een grote organisatie is dat tegenvallende kosten van de ene vestiging opgevangen kunnen worden met het totale resultaat van alle vestigingen. De ondernemer heeft zich laten adviseren door externe bureaus, ingeschakeld door de brancheorganisatie. De door de ondernemer ingevoerde tariefsverhogingen van 11,3% voor het KDV en 5,4% voor de BSO zijn in lijn met de bevindingen van deze adviesbureaus. De ondernemer kijkt pas als laatste naar locatiespecifieke zaken als de markt, concurrenten, vraag en aanbod, huurprijzen e.d. Die aspecten zijn ook relevant omdat bijvoorbeeld de huur in grote steden hoger is dan in buitengebieden. De verschillen tussen de vestigingen zijn niet groot (tussen de 7,7% – 9,3% voor KDV en 3%-4% voor BSO).

Er is een spanningsveld tussen enerzijds het verbeteren van de kwaliteit en anderzijds het in bedwang houden van de kosten, in een zeer schaarse arbeidsmarkt. De ondernemer doet zijn uiterste beste om de beste kwaliteit te leveren en rendabel te blijven. De ondernemer vraagt een uurtarief inclusief luiers, voeding, medicijnen etc. De opvang is gevestigd in mooie panden met een duurzame inrichting en de ondernemer biedt verse producten uit de moestuin en permanente scholing van medewerkers, waardoor de prijzen iets hoger liggen dan gemiddeld. Tot nu toe lag het stijgingspercentage gemiddeld dichtbij dat voor de overheidsnorm voor de kinderopvangtoeslag, hetgeen nu iets anders ligt door de aangepaste BKR.

Ten aanzien van de beslissing van de commissie in het bindend advies van 12 oktober 2018, dossiernummer 117961, dat de ondernemer de cijfers op vestigingsniveau aan de oudercommissie dient te verstrekken, brengt de ondernemer naar voren dat deze cijfers geen adequaat beeld geven omdat veel kosten centraal worden geboekt. Het huidige administratiesysteem moet dus eerst worden aangepast om de gevraagde informatie inzichtelijk te kunnen leveren. Op grond van deze uitspraak zal de ondernemer volgend jaar vestigingscijfers overleggen. De landelijke cijfers zijn echter de correcte cijfers, niet de vestigingscijfers.

De ondernemer verzoekt daarom, zo begrijpt de commissie, de klacht van de oudercommissie ongegrond te verklaren. 

Het klachtengeld dat is opgelegd in bindend advies 117961 heeft de ondernemer inmiddels voldaan.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen. 

Ingevolge artikel 1.60 van de Wet kinderopvang moet de ondernemer de oudercommissie in de gelegenheid stellen advies uit te brengen over een voorgenomen besluit tot tariefswijziging. De ondernemer kan slechts van het advies afwijken indien hij schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van de kinderopvang zich tegen de naleving van het advies verzet. Zowel de ondernemer als de ouders en de oudercommissie zijn immers gebaat bij een financieel gezonde organisatie. Op grond van het vijfde lid van artikel 1.60 dient de ondernemer de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig heeft te verstrekken.

In het bindend advies van de commissie van 12 oktober 2018, dossiernummer 117961, dat tussen dezelfde partijen is gewezen, heeft de commissie onder meer geoordeeld dat de ondernemer ook de noodzakelijke vestigingspecifieke gegevens die de oudercommissie voor de vervulling van haar taak nodig heeft, aan de oudercommissie dient te verstrekken. De commissie heeft voorts bepaald dat in goed overleg met de oudercommissie vastgesteld dient te worden welke informatie in dit verband noodzakelijk is. 

Ter zitting hebben partijen aangegeven dat zij, in afwijking van dit bindend advies, niet met elkaar in overleg zijn getreden om af te spreken welke vestigingsspecifieke gegevens noodzakelijk zijn om de oudercommissie haar taak te laten vervullen. De ondernemer heeft naar voren gebracht dat de procedure bij en de uitspraak van de commissie dusdanig laat in het lopende adviestraject over 2019 heeft plaatsgevonden, dat deze gegevens niet meer voor dat jaar verstrekt konden worden. De ondernemer heeft toegezegd deze vestigingsspecifieke gegevens wel te zullen verstrekken in het adviestraject voor 2020, zodat deze kwestie voor het komende jaar niet meer speelt. Naar het oordeel van de commissie hebben beide partijen voor wat betreft het jaar 2019 kansen laten liggen door niet het initiatief te nemen hierover met elkaar in overleg te treden zoals in de eerdere uitspraak van de commissie werd bepaald. 

Het had uitgemaakt als de ondernemer had aangegeven dat de reden dat de vestigingsgegevens eerst per volgend jaar zullen worden verstrekt, gelegen is in het feit dat enige systeemaanpassingen daarvoor nodig zijn. Tegelijkertijd had het op de weg van de oudercommissie gelegen om, indien zij van mening was dat zij niet over voldoende informatie beschikte, aan de ondernemer concreet aan te geven welke vestigingsgegevens zij voor het uitvoeren van haar taak in redelijkheid nodig heeft. De vraag welke informatie dat is en of de ondernemer deze zonder meer dient te verstrekken, is afhankelijk van de concrete situatie en de concrete adviesaanvraag en kan derhalve niet in algemene zin beantwoord worden. Vandaar ook dat de commissie dat in de eerdere uitspraak ook achterwege heeft gelaten en heeft aangegeven dat partijen dit samen moesten bespreken. 

De commissie heeft voor haar oordeel over de onderhavige klacht en eis van de oudercommissie het volgende overwogen. 

In eerdergenoemd bindend advies van de commissie, met dossiernummer 117961 en verzenddatum 16 november 2018, is de oudercommissie in haar eis om tijdens het adviestraject locatiespecifieke informatie te ontvangen in het gelijk gesteld. Op deze verzenddatum had de ondernemer zijn besluit om het advies van de oudercommissie naast zich neer te leggen, dat dateerde van 13 november 2018, reeds genomen. Nu niet alleen de ondernemer maar ook de oudercommissie de gelegenheid voorbij heeft laten gaan om te pogen alsnog tot een positief advies van de oudercommissie te komen, voert het naar het oordeel van de commissie te ver om de klacht gegrond te verklaren met toekenning van het verzoek van de oudercommissie om de reeds geïmplementeerde tariefsverhoging terug te draaien, zoals de oudercommissie verlangt.  De commissie weegt daarin mee dat door de ondernemer is toegezegd dat hij bij een volgende adviesprocedure locatiespecifieke informatie ter beschikking zal stellen aan de oudercommissie.

De commissie heeft er kennis van genomen dat overleg tussen partijen stroef verloopt en vindt het van belang dat partijen zich tegenover elkaar constructief opstellen en beseffen dat het de uitdrukkelijke bedoeling is geweest van de wetgever en de organisaties binnen de kinderopvang dat beide partijen binnen het proces een eigen rol vervullen. Het is in het belang van goede kinderopvang dat beide partijen daartoe de ruimte krijgen. Tevens is het in het belang van de kinderopvang aan te bevelen dat partijen alles in het werk stellen om een zakelijk adequate en vooral constructieve samenwerkingsrelatie te herstellen.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is en dat als volgt dient te worden beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist op 1 april 2019 door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit mevrouw mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mevrouw drs. J.W. Rutjens MPA en de heer drs. H. Grachten, leden, in aanwezigheid van mr. M.E. Taams-van Hoeken, secretaris.