Oudercommissie: Oudercommissie moet concreet aangeven waarover zij klaagt

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Adviesrecht    Jaartal: 2018
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 116557

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

De oudercommissie wenst in algemene zin een uitspraak van de commissie te verkrijgen over de wijze waarop de ondernemer invulling geeft aan het adviesrecht. Deze klacht is te algemeen en niet concreet genoeg geformuleerd om tot een eventuele gegrondverklaring te (kunnen) leiden.

De oudercommissie beklaagt zich over de niet-naleving van de wet- en regelgeving door de ondernemer en over het gedrag van de ondernemer jegens de oudercommissie.

Standpunt van de oudercommissie

Voor het standpunt van oudercommissie verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken.

De klacht van de oudercommissie valt uiteen in de volgende onderdelen:
Primair: de ondernemer houdt zich niet althans in zeer beperkte mate aan hetgeen in artikel 1.60 van de Wet kinderopvang en in het Reglement Oudercommissie/Huishoudelijk Reglement is voorgeschreven ten aanzien van het adviestraject. 
Subsidiair: de ondernemer houdt zich niet aan de door de oudercommissie gewenste redelijke vormvereisten (in elk geval geen 13 punten per email met beperkte onderbouwing en informatie) voor het vragen van advies.
Meer subsidiair: de ondernemer heeft het vertrouwen in de oudercommissie plotseling opgezegd, waarmee de ondernemer de aandacht van het niet willen of niet kunnen vorm geven van een adviestraject conform wet- en regelgeving afleidt en vervolgens op geen enkele wijze wil meewerken aan de door de oudercommissie voorgestelde oplossing.

Desgevraagd heeft de oudercommissie ter zitting verklaard dat zij in algemene zin een uitspraak van de commissie wenst te verkrijgen omtrent de wijze waarop de ondernemer invulling geeft aan haar adviesrecht. Aan de hand van enkele voorbeelden heeft zij het standpunt ingenomen dat de oudercommissie of niet in staat wordt gesteld een advies uit te brengen of dat haar adviezen niet worden opgevolgd. De argumenten om de adviezen niet op te volgen begrijpt de oudercommissie niet altijd. Het adviesrecht is nu juist de enige wettelijke taak van de oudercommissie. Ook wordt de oudercommissie niet bij belangrijke onderwerpen betrokken (verhuisbericht, vertrek van [naam]).
Daarnaast handhaaft zij uitdrukkelijk haar subsidiaire en meer subsidiaire klachtonderdelen.
De oudercommissie verlangt dat de commissie als onafhankelijk derde de ondernemer een spiegel voorhoudt om haar duidelijk te maken dat zij zich moet houden aan de wet.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt van de ondernemer op het volgende neer.

Tussen de oudercommissie en de ondernemer is een vertrouwensbreuk ontstaan. De ondernemer heeft – anders dan de oudercommissie heeft aangegeven – het vertrouwen in de oudercommissie niet plotseling opgezegd. Partijen hebben diverse malen mondeling en schriftelijk tevergeefs overleg gevoerd en gepoogd om tot een oplossing te komen. Gezien de vele vergeefse pogingen om tot een oplossing te komen, is het volgens de ondernemer tijd om ieder een eigen weg in te slaan en een nieuwe oudercommissie aan te stellen. Er zijn inmiddels al twee leden van de oudercommissie opgestapt wegens de gang van zaken binnen de oudercommissie. Op dit moment bestaat de oudercommissie nog uit twee leden. Het belang en het welbevinden van de kinderen van het kinderdagverblijf en zijn medewerkers zijn te allen tijde hoofdzaak. De negativiteit van en binnen de oudercommissie draagt hier niet aan bij.

De oudercommissie stelt ten onrechte dat de ondernemer in strijd handelt met artikel 1.60 van de Wet kinderopvang. De ondernemer heeft de oudercommissie steevast de mogelijkheid gegeven om advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit. De ondernemer heeft het pedagogisch beleidsplan in kopie verstrekt aan de voorzitter van de oudercommissie en de – overigens geringe – wijzigingen in verband met de verhuizing van het kinderdagverblijf met hem besproken. Enige reactie van de oudercommissie op de wijzigingen is vervolgens uitgebleven. Het plan van aanpak veiligheid en gezondheid is op dit moment nog niet definitief. Ook hierover is al met de oudercommissie gesproken. De oudercommissie heeft kennis van de stukken en heeft aansluitend zelf geen actie ondernomen.

De oudercommissie heeft een adviesrecht. De ondernemer kan altijd gemotiveerd van het advies van de oudercommissie afwijken en heeft dat tot op heden ook telkens gedaan. De oudercommissie onderbouwt haar desbetreffende stelling ook niet. Daarbij komt dat het adviesrecht geen eenrichtingsverkeer betreft. De oudercommissie had zelf actie kunnen ondernemen indien daar volgens haar aanleiding voor was. De oudercommissie is immers wettelijk bevoegd de ondernemer gevraagd en ongevraagd van advies te dienen.

Conform artikel 4 onder e van het Reglement Oudercommissie eindigt het lidmaatschap van een ouder in de oudercommissie zodra de betreffende ouder geen kind meer heeft dat gebruik maakt van het kinderdagverblijf van de ondernemer. De onderhavige klacht is namens de oudercommissie ingediend door [naam van de vertegenwoordiger van de oudercommissie]. De plaatsing dan wel de overeenkomst van de zoon van de [naam van de vertegenwoordiger] is op 25 april 2018 geëindigd omdat de zoon de leeftijd van vier jaar heeft bereikt. De ondernemer heeft de plaatsingsovereenkomst ten aanzien van de dochter van [naam van de vertegenwoordiger van de oudercommissie] opgezegd als gevolg van een ernstige vertrouwensbreuk tussen de heer en mevrouw [naam van de vertegenwoordiger van de oudercommissie] enerzijds en de ondernemer anderzijds, welke breuk negatieve invloed heeft op de organisatie van de ondernemer.

De ondernemer is van mening dat de klacht van de oudercommissie onvoldoende onderbouwd en ongegrond is.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft op grond van de door partijen overgelegde stukken en hetgeen door hen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, het volgende overwogen.

De bevoegdheid van [naam van de vertegenwoordiger van de oudercommissie] om de oudercommissie te vertegenwoordigen.

De ondernemer heeft aan zijn stelling over het lidmaatschap van [naam van de vertegenwoordiger van de oudercommissie] van de oudercommissie weliswaar geen conclusie verbonden, maar de commissie begrijpt dat de ondernemer daarmee de bevoegdheid van [naam van de vertegenwoordiger van de oudercommissie] om de oudercommissie rechtsgeldig te vertegenwoordigen, wenst aan te vechten. De commissie oordeelt hierover als volgt.

Op grond van het bepaalde in artikel 4 van het Reglement Oudercommissie/Huishoudelijk reglement eindigt het lidmaatschap van de oudercommissie wanneer de ouder geen kind meer heeft dat gebruik maakt van de kinderopvang op het kindercentrum (…). In zijn verweerschrift heeft de ondernemer gesteld dat die situatie zich ten aanzien van [naam van de vertegenwoordiger van de oudercommissie] voordoet. Tussen partijen kan als vaststaand worden aangemerkt dat de zoon van [naam van de vertegenwoordiger van de oudercommissie] sinds 25 april 2018 geen gebruik meer maakt van de kinderopvang. Ten aanzien van de dochter heeft de ondernemer de plaatsingsovereenkomst opgezegd met als grond een ernstige vertrouwensbreuk tussen de ondernemer en de heer en mevrouw [naam van de vertegenwoordiger van de oudercommissie]. De commissie acht het zeer wel aannemelijk dat het conflict tussen de ondernemer en de oudercommissie (mede) aan die opzegging ten grondslag heeft gelegen. Artikel 6 van onder deel B. “Afspraken tussen oudercommissie en kinderopvangorganisatie” van het Huishoudelijk reglement bepaalt: “Geschillen tussen een oudercommissielid en de houder aangaande het uitvoeren van regulier oudercommissiewerk kunnen in geen geval leiden tot het opzeggen van de kindplaats van die ouder door de houder.” Het moet er in beginsel dan ook voor worden gehouden dat voormelde opzegging in strijd is met genoemd artikel 6 en daarom nietig is. Daarbij komt dat de ondernemer en [naam van de vertegenwoordiger van de oudercommissie] feitelijk geen uitvoering hebben gegeven aan die opzegging. Immers tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam van de vertegenwoordiger van de oudercommissie] verklaard dat zijn dochter nog steeds gebruik maakt van de door de ondernemer geboden kinderopvang en dat tussen [naam van de vertegenwoordiger van de oudercommissie] en de ondernemer op dit punt een mediationtraject loopt. De ondernemer heeft dit bevestigd. De commissie gaat er dan ook voorshands vanuit dat het lidmaatschap van [naam van de vertegenwoordiger van de oudercommissie] van de oudercommissie nog niet is geëindigd, dat de oudercommissie rechtsgeldig door [naam van de vertegenwoordiger van de oudercommissie] wordt vertegenwoordigd en dat [naam van de vertegenwoordiger van de oudercommissie] gerechtigd is namens de oudercommissie schriftelijk en mondeling het woord te voeren.

De primaire, subsidiaire en meer subsidiaire klachtonderdelen.

De commissie stelt voorop dat in artikel 3 tweede lid van het Reglement Geschillencommissie Kinderopvang aan haar slechts een beperkte taak is toegekend als het gaat om de beslechting van geschillen tussen de oudercommissie en de ondernemer. Dergelijke geschillen moeten betrekking hebben op een door de ondernemer voorgenomen of genomen besluit over een of meerdere onderwerpen als bedoeld in artikel 1.60 eerste lid van de Wet kinderopvang en op tussen partijen gemaakte afspraken aanvullend op genoemd wettelijk kader.

De commissie stelt vast dat de primaire klacht – mede gelet op de expliciete verklaring ter zitting van [naam van de vertegenwoordiger van de oudercommissie] namens de oudercommissie dat de oudercommissie in algemene zin een uitspraak van de commissie wenst te verkrijgen over de wijze waarop de ondernemer invulling geeft aan het adviesrecht – te algemeen en niet concreet is geformuleerd om tot een eventuele gegrondverklaring te (kunnen) leiden.

Aan dit oordeel doen niet af het feit dat de oudercommissie slechts ter onderbouwing van haar standpunt dat de ondernemer zich voor wat betreft het adviestraject niet of nauwelijks aan de wet houdt, twee voorbeelden heeft genoemd. De ondernemer heeft deze voorbeelden gemotiveerd weersproken. Het had vervolgens op de weg van de oudercommissie gelegen om dit verweer van de ondernemer te responderen. Dit heeft de oudercommissie echter nagelaten.

Zo de subsidiaire klacht al valt onder het bereik van de hiervoor genoemde taak van de commissie dan is deze eveneens te algemeen en niet concreet geformuleerd. De oudercommissie heeft niet inzichtelijk gemaakt welke de door haar gewenste redelijke vormvereisten zijn. Ook is niet duidelijk welke de rechtsgrond is van die vereisten, op basis waarvan de oudercommissie de naleving van die vereisten kan verlangen. Van enige afspraak tussen partijen op dit punt is de commissie in elk geval niets gebleken.

Ten aanzien van de meer subsidiaire klacht had van de oudercommissie gevergd mogen worden dat zij deze – mede gezien het daartegen gevoerde verweer van de ondernemer – voldoende concreet had onderbouwd. Een dergelijke onderbouwing heeft de ondercommissie niet gegeven.

Op grond van de voorgaande overwegingen komt de commissie tot de conclusie dat de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire klacht van de ondercommissie ongegrond verklaard dienen te worden.

Beslissing

De commissie verklaart de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire klacht van de oudercommissie ongegrond.

Aldus beslist op 15 juni 2018 door de Geschillencommissie Kinderopvang.