Permanente bewoning op camping niet toegestaan. Dat de consument hierover pas na 3 jaar is aangesproken geeft hem niet het recht op een blijvend gedogen van deze situatie.

  • Home >>
  • Recreatie >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Recreatie    Categorie: Algemene voorwaarden    Jaartal: 2009
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: REC05-0044

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft opzegging van de overeenkomst wegens permanente bewoning.
 
Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

De consument huurt sinds 29-06-1998 een standplaats bij de ondernemer. Op 14 januari 2005 heeft de ondernemer de overeenkomst per 1 juli 2005 opgezegd omdat van permanente bewoning sprake zou zijn. De consument heeft daartegen bezwaar aangetekend op de volgende gronden.
Voordat hij de plaats huurde, heeft de ondernemer hem meegedeeld dat hij 365 dagen per jaar gebruik zou kunnen maken van zijn standplaats. Nadat de consument met zijn partner drie jaar ongestoord op de camping had verbleven, deelde de ondernemer hem op 1 juli 2001 mee dat zij niet permanent op de camping mochten wonen. De consument verbleef in voorgaande jaren niet permanent op de camping. Alleen gedurende het laatste jaar wel wegens terminale ziekte van zijn partner. Ook andere recreanten wonen permanent op de camping. Daartegen treedt de ondernemer niet op. De consument staat op een ander adres ingeschreven bij de burgerlijke stand.
Nadat de ondernemer de overeenkomst had opgezegd en de consument daartegen een klacht had ingediend bij de commissie, heeft de ondernemer zonder enige rechtsgrond gedreigd de elektriciteitsvoorziening af te sluiten, hoewel hij er van op de hoogte was gesteld dat de partner van de consument aangesloten was op een zuurstofapparaat en dus niet zonder elektriciteit kon. Ook sloot de ondernemer meermalen de waterleiding af en weigerde of bemoeilijkte hij de toegang van medische hulpverleners.
Helaas is inmiddels de partner van de consument overleden. Tengevolge van alle gebeurtenissen wenst de consument geen voortzetting meer van de overeenkomst. Hij verblijft inmiddels elders. Zijn kampeermiddel staat nog wel op de standplaats. Hij verlangt een redelijke onkostenvergoeding van de ondernemer, omdat hij meent dat deze de overeenkomst niet rechtsgeldig heeft beëindigd.
 
Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

De ondernemer verzoekt de commissie de klacht van de consument niet ontvankelijk te verklaren, omdat de klacht te laat aanhangig is gemaakt bij de commissie. De consument had volgens de Recron-voorwaarden voor vaste plaatsen uiterlijk binnen twee maanden na de ontvangst van de schriftelijke opzegging het geschil moeten voorleggen aan de commissie. De schriftelijke opzegging vond plaats op 14 januari 2005 en pas op 25 april 2005 is het geschil aanhangig gemaakt bij de commissie. De termijn is dus royaal overschreden.
Ten aanzien van de inhoud van de klacht merkt de ondernemer het volgende op. De ondernemer is van mening dat de consument permanent woont op de camping, omdat hij op de adressen waar hij de laatste jaren stond ingeschreven niet zijn hoofdverblijf had en hij ook feitelijk nagenoeg altijd aanwezig is geweest op de camping. Ten tijde van de opzegging stond de consument ingeschreven op het adres van een hotel dat niet bestemd is tot hoofdverblijf. De ondernemer stelt zich op het standpunt dat een standplaats alleen voor recreatieve doeleinden mag worden gebruikt. Dit staat omschreven in artikel 2 sub 1. van de Recron-voorwaarden vaste plaatsen en in artikel 23 van de Gedragsregels van de ondernemer. Deze regels zijn in 2002 ingevoerd. Daarvoor was permanente bewoning al niet toegestaan op grond van de Recron-voorwaarden.
De ondernemer ontkent ten stelligste dat hij de consument voor het aangaan van de overeenkomst zou hebben meegedeeld dat hij permanent zou mogen wonen op de camping. Ook ontkent hij dat er andere recreanten op zijn camping zijn die toestemming hebben daar permanent te wonen. De ondernemer heeft de consument sinds 2001 regelmatig er op gewezen dat permanente bewoning niet is toegestaan en heeft er bij hem op aangedrongen te zorgen voor een woonverblijf elders.
De ondernemer overlegt brieven van de gemeente waaruit blijkt dat de consument niet elders zijn hoofdverblijf heeft en illustreert dat met andere feiten, zoals het feit dat een dagvaarding van de consument werd betekend op de camping.
 
Uiteindelijk zag de ondernemer geen andere mogelijkheid dan het opzeggen van de overeenkomst met de consument per 1 juli 2005. Aangezien het kampeermiddel van de consument op de standplaats blijft staan totdat de commissie een uitspraak zal hebben gedaan, verlangt de ondernemer een vergoeding voor het gebruik van de standplaats na 1 juli 2005. In juli 2005 heeft de ondernemer de eindafrekening doen toekomen aan de consument. Hij vordert voor het gebruik van de standplaats na 1 juli 2005 € 10,– per dag conform zijn tarievenlijst. De ondernemer verzoekt de commissie deze vordering mee te nemen in de uitspraak.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.
 
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
De datum waarop de consument zijn klacht schriftelijk heeft gemeld aan de commissie is beslissend voor de termijn van twee maanden. De rechtsbijstandverzekeraar van de consument heeft per brief d.d. 10 maart 2005 de klacht aangemeld bij de commissie. Dat is dus binnen twee maanden na de opzegging door de ondernemer. De klacht is derhalve ontvankelijk.
 
Ten aanzien van de inhoud
Artikel 2 lid 1 van de Recron-voorwaarden voor vaste plaatsen bepaalt dat de ondernemer de overeengekomen plaats ter beschikking stelt voor recreatieve doeleinden, dus niet voor permanente bewoning. Hiervan is naar het oordeel van de commissie sprake indien de consument feitelijk niet elders zijn hoofdverblijf heeft en hij nagenoeg het gehele jaar op de camping verblijft. De commissie is van oordeel dat de ondernemer voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hiervan bij de consument sprake is.
De commissie is van oordeel dat de consument niet aannemelijk heeft kunnen maken dat de ondernemer hem bij het aangaan van de overeenkomst, ondanks bovengenoemde bepaling in de Recron-voorwaarden, toestemming heeft gegeven permanent te wonen op de camping. Aan het feit dat de ondernemer pas na drie jaar de consument aansprak over de permanente bewoning kan de consument niet het recht ontlenen op een blijvend gedogen van deze situatie. De consument heeft ook niet hard kunnen maken dat de ondernemer van andere recreanten wel duldt dat zij permanent op zijn camping wonen.
Op grond van artikel 10 lid 2 sub b. kan de ondernemer de overeenkomst opzeggen indien de recreant ondanks voorafgaande schriftelijke waarschuwing door gebruik van de plaats en/of zijn kampeermiddel in strijd met de bestemming van het terrein handelt. De commissie is van oordeel dat
in strijd met de bestemming wordt gehandeld indien de standplaats voor permanente bewoning, dat wil zeggen niet-recreatief wordt gebruikt.
In verband met de zeer ingrijpende gevolgen van opzegging ingeval van permanente bewoning in welk geval een recreant geen ander woonadres bezit, mag van een ondernemer worden verwacht dat hij voorafgaande aan de opzegging een recreant de gelegenheid geeft een ander onderkomen te zoeken. De commissie meent dat de ondernemer hieraan heeft voldaan. De ondernemer heeft vanaf
1 juli 2001de consument regelmatig schriftelijk gewezen op het feit dat permanente bewoning niet is toegestaan en dat hij elders een hoofdverblijf moest zoeken. De commissie is dan ook van oordeel dat de opzegging van de overeenkomst rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. Daarom is de ondernemer niet gehouden de onkosten van de consument in verband met de beëindiging van de overeenkomst te vergoeden.
De ondernemer verzocht de commissie in zijn verweerschrift een uitspraak te doen over de schade die hij lijdt omdat de standplaats na 1 juli bezet wordt gehouden door het kampeermiddel van de consument. Bij schrijven van 27 juli 2005 heeft de ondernemer de rekening van 1 juli 2005 ingediend waarin de eindafrekening is opgenomen en tevens de vergoeding voor de periode dat het kampeermiddel na 1 juli op de standplaats staat wordt gepreciseerd. De commissie meent dat een redelijke vergoeding bestaat uit betaling van het staangeld dat geldt in de periode vanaf 1 juli 2005 pro rata voor iedere dag dat de standplaats van de consument niet leeg en schoon is opgeleverd. De commissie neemt de vordering van de ondernemer bestaande uit de eindafrekening van 1 juli 2005 niet in behandeling, omdat deze te laat bij de commissie is ingediend en ook niet gebleken is dat daarover een geschil bestaat.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
 
Beslissing

De consument wordt in zijn klacht ontvankelijk verklaard.

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

De consument is een vergoeding verschuldigd aan de ondernemer voor iedere dag na 1 juli 2005 dat de standplaats van de consument nog niet leeg en schoon is opgeleverd ter hoogte van het stageld pro rata.
De vordering van de ondernemer wordt wegens te late indiening daarvan niet in behandeling genomen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie op 9 augustus 2005.