Plaatsingsovereenkomst mag opgezegd worden indien kind niet gevaccineerd is

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Kinderopvang    Categorie: gezondheid / Opzeggen overeenkomst    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 17042/21971

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De ondernemer heeft besloten om de dochter van consument niet langer toe te laten op de kinderopvang, omdat zij niet gevaccineerd is. De consument is het hier niet mee eens, aangezien zij volledig afhankelijk is van de kinderopvang. De ondernemer stelt dat in het verleden een rijksvaccinatieprogramma geen verplicht onderdeel van de plaatsingsovereenkomst was. Het was wel altijd onderwerp van het intakegesprek. Onlangs is besloten om een nieuw beleid te voeren, waarbij alle kinderen die gebruik maken van de opvang gevaccineerd moeten zijn. Kinderen die dit niet zijn, kunnen geen gebruik meer maken van de opvang. De ondernemer heeft dit ruim van te voren aangekondigd. De ondernemer vindt dat hij hiermee redelijk en zorgvuldig heeft gehandeld. Alle belangen tegen elkaar afwegend, is de commissie naar redelijkheid en billijkheid van oordeel dat de keuze van de ondernemer, om de overeenkomst met de consument op te zeggen, gerechtvaardigd is.

Volledige uitspraak

In het geschil
[Consument], wonende te [woonplaats] en [naam kinderopvang], gevestigd te [plaats] (hierna te noemen: de ondernemer)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Kinderopvang (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020 te Den Haag.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

De consument is niet ter zitting verschenen. Namens de ondernemer zijn verschenen: [naam], directeur en [naam], operationeel directeur, bijgestaan door [naam], advocaat-gemachtigde.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de beslissing van de ondernemer om de dochter van de consument per 1 februari 2020 niet langer toe te laten op de kinderopvang, omdat zij niet is gevaccineerd.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument heeft met de ondernemer een overeenkomst van kinderopvang gesloten. De ondernemer heeft de overeenkomst per 1 februari 2020 opgezegd. De dochter van de consument is vanaf die datum niet meer welkom op de opvang, omdat zij niet is gevaccineerd.

De consument heeft enorme stress door de opzegging, omdat zij volledig afhankelijk is van de kinderopvang in verband met haar werk en inkomen.
Zij zal haar baan moeten opzeggen, als haar dochter niet meer naar de opvang kan gaan.

De consument verzoekt de commissie – naar de commissie begrijpt – de beslissing van de ondernemer te beoordelen en te bepalen dat haar dochter weer naar de opvang mag.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer gaat in op de vaccinatiekwestie. De daling van de vaccinatiegraad in de afgelopen jaren is aanleiding geweest in Nederland voor een maatschappelijke discussie over nut en noodzaak van het verplicht voorschrijven van vaccinatie. Voorts is de Commissie kinderopvang en vaccinatie in het leven geroepen, die in een rapport heeft geconcludeerd dat de overheid verantwoordelijk is voor beleid rond vaccinatie, en dat dat beleid minder vrijblijvend zou moeten zijn naarmate de vaccinatiegraad daalt. Er is nog geen wettelijke regeling. Weliswaar is er in de Tweede Kamer een initiatiefwet ingediend tot wijziging van de Wet Kinderopvang in die zin dat kinderopvangcentra de mogelijkheid dienen te krijgen om te bepalen dat alleen kinderen worden toegelaten die aantoonbaar deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma, maar dit wetsvoorstel is nog steeds in behandeling.
Nu kinderopvangcentra private partijen zijn, hebben zij contractsvrijheid. Deze wordt onder meer begrensd door wet- en regelgeving inzake Kinderopvang, de algemene regels van contractenrecht, de discriminatieverboden en de regels met betrekking tot privacy/gegevensbescherming.

De deelname aan het rijksvaccinatieprogramma is om diverse redenen in het verleden geen onderdeel geweest van de overeenkomst tussen de ouders en de ondernemer, en evenmin opgenomen in de algemene voorwaarden. Het is wel altijd onderwerp van het intakegesprek en de ondernemer heeft de gewoonte te vragen naar vaccinatiebewijzen.
Omdat het in 2019 erop leek dat de overheid toch geen specifiek beleid met betrekking tot vaccinatie zou ontwikkelen en omdat enkele ouders hierover vragen hadden, is de ondernemer zelf actiever met het onderwerp aan de slag gegaan. Hij heeft het besproken met het personeel en de oudercommissie. De overgrote meerderheid van de ouders wenste dat er geen niet-gevaccineerde kinderen bij de ondernemer zouden verblijven. Mede naar aanleiding van een mazelenuitbraak in één van de vestigingen heeft de ondernemer daarom in september 2019 beleid vastgesteld dat kinderen die niet deelnemen aan het rijksvaccinatieprogramma niet langer zouden worden toegelaten. Dit besluit is weloverwogen genomen.
Het nieuwe beleid betekende dat de ondernemer de opvang van niet-gevaccineerde kinderen moest beëindigen. Hoewel de oudercommissie aandrong op snelle invoering van het beleid, heeft de ondernemer de datum daarvoor gesteld op 1 februari 2020 om tot zorgvuldige uitvoering van de besluitvorming te komen in individuele gevallen.
Met de consument heeft de ondernemer half oktober 2019 gesproken. Hij heeft aangegeven de overeenkomst per 1 februari 2020 te willen opzeggen. Nadat de consument daartegen had geprotesteerd, heeft de ondernemer bij e-mail van 4 december 2019 de opzegging formeel bevestigd.

De ondernemer onderkent dat een beslissing om de overeenkomst op te zeggen, ingrijpt in het leven van de ouders. Hij is daarom zorgvuldig omgegaan met het wijzigen van beleid.
De ondernemer onderkent ook dat het besluit om de overeenkomst op te zeggen voor de consument vervelend is en dat het haar voor problemen stelt. De termijn waarop de ondernemer dit met de consument heeft besproken, is echter zodanig lang dat de consument deze problemen had kunnen oplossen. Rekening houdend met haar vakantie in februari 2020 had zij een periode van ruim drie maanden om andere opvang te vinden. Bovendien is de periode die zij moet overbruggen tot het moment dat haar dochter naar school gaat, vier en een halve maand. Dit is geen onoverkomelijke periode.
De consument heeft overigens niet aangegeven dat haar godsdienst of levensovertuiging de achtergrond is van haar besluit om haar dochter niet te laten vaccineren en beroept zich ook niet op het discriminatieverbod.

De ondernemer acht zijn beleidswijziging gerechtvaardigd. Hij onderkent dat vaccinatie geen voorwaarde is geweest bij het aangaan van de overeenkomst met de consument, maar is van mening dat hij de keuze heeft mogen maken die voorwaarde voor de toekomst wel te stellen en daaraan gevolgen te verbinden. Zowel het maken van de keuze als het vaststellen van de gevolgen heeft de ondernemer op een zorgvuldige en integere wijze gedaan.

In de overeenkomst tussen de ondernemer en de consument is bepaald dat elk der partijen de overeenkomst kan opzeggen met inachtneming van een termijn van een maand. Die termijn is ruimschoots in acht genomen. De ondernemer heeft hiermee redelijk en zorgvuldig gehandeld.
De ondernemer verzoekt de commissie de klacht van de consument ongegrond te verklaren.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De consument is het niet eens met de opzegging van de overeenkomst door de ondernemer per
1 februari 2020.

De commissie heeft kennisgenomen van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Daarin is bepaald dat beide partijen de overeenkomst schriftelijk kunnen opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van één maand. De ondernemer heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat in de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden een soortgelijke bepaling is opgenomen. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting staat vast dat de ondernemer de overeenkomst op 4 december 2019 formeel (schriftelijk) heeft opgezegd. De ondernemer heeft derhalve de contractuele opzegtermijn in acht genomen.

De ondernemer heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij zich realiseert dat sprake is van een duurovereenkomst en dat hij zich in dit kader ook met de zorgvuldigheid ziet belast, dat wil zeggen dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat alleen een goed beargumenteerde opzegging van de overeenkomst is toegestaan.

De commissie volgt dit standpunt van de ondernemer en zal zich daarom in de beoordeling van deze kwestie ook richten op de vraag of de ondernemer bij de opzegging heeft gehandeld in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid.

De commissie stelt vast dat de ondernemer – door de oudercommissie ondersteund – beleid heeft ontwikkeld dat voor alle nieuwe contracten vaccinatie een vereiste is. De ondernemer heeft voorts besloten ook de lopende contracten van niet-ingeënte kinderen te beëindigen. Ter zitting heeft de ondernemer desgevraagd verklaard dat dit vier van de in totaal veertig kinderen betrof, waaronder dus het kind van de consument.
De commissie stelt voorts vast dat de consument al langdurig gebruik maakte van de opvang door de ondernemer en daarvan feitelijk kennelijk nog maar tot 15 juli 2020 gebruik zou maken.

De commissie heeft begrip voor het belang van de consument die ‘volledig afhankelijk is van de kinderopvang met betrekking tot haar werk en inkomen’ en zich kort voor de feitelijke beëindiging van het contract genoodzaakt zag andere opvang voor haar kind te regelen. Daartegenover staat echter het belang van andere bij de ondernemer verblijvende jonge nog niet ingeënte kinderen voor wie de aanwezigheid van niet-gevaccineerde kinderen een risico voor de gezondheid is of zou kunnen zijn.

Alle belangen tegen elkaar afwegend, is de commissie naar redelijkheid en billijkheid van oordeel dat de keuze van de ondernemer om de overeenkomst met de consument per 1 februari 2020 op te zeggen gerechtvaardigd was. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat de ondernemer naar haar oordeel ten aanzien van het belang van de consument voldoende zorgvuldigheid heeft betracht door haar al half oktober 2019 mondeling in kennis te stellen van zijn besluit om de overeenkomst per 1 februari 2020 op te zeggen. De consument heeft derhalve ruim drie maanden de tijd gehad om te zoeken naar alternatieve opvangmogelijkheden.

Gelet op het voorgaande acht de commissie de klacht van de consument ongegrond.

Nu de klacht van de consument ongegrond wordt verklaard, is het naar het oordeel van de commissie gerechtvaardigd dat het klachtengeld voor haar rekening komt. De consument heeft het klachtengeld reeds voldaan.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft – naar het oordeel van de commissie – geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht van de consument ongegrond en wijst het door haar verzochte af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit mevrouw mr. drs. E.I.P.M. Weijnen, voorzitter, mevrouw mr. S.A.M.F. Sjoukes en mevrouw mr. E.E. Aberson, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 10 maart 2020.