Praktijkdag valt uit, maar onderwijsinstelling biedt redelijke oplossing

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Particuliere Onderwijsinstellingen    Categorie: Aansprakelijkheid    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 469767/704489

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een consument volgde een opleiding tot arbeidsdeskundige en had op 20 juni 2024 een verplichte praktijkdag gepland. Deze dag ging onverwacht niet door omdat het UWV, dat door de onderwijsinstelling was ingeschakeld, geen praktijkopleider had geregeld. De consument had hiervoor verlof opgenomen en reiskosten gemaakt, en eiste een schadevergoeding van €303,66. De onderwijsinstelling wees aansprakelijkheid af en stelde dat het ging om overmacht. De Geschillencommissie oordeelde echter dat de fout van het UWV voor rekening van de onderwijsinstelling komt, omdat zij verantwoordelijk is voor ingeschakelde derden. Toch vond de commissie het aanbod van de onderwijsinstelling om de praktijkuren op een andere manier in te halen zonder extra kosten of verlof redelijk. Omdat dit aanbod al was gedaan vóórdat de klacht officieel werd ingediend, werd de klacht wel gegrond verklaard, maar hoefde de onderwijsinstelling geen schadevergoeding of klachtengeld te betalen. De ondernemer moet het eerder gedane aanbod nu uitvoeren.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een in of omstreeks begin 2024 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het verstrekken van onderwijs in het kader van de opleiding Post HBO Arbeidsdeskundige tegen de daarvoor te betalen prijs van € 7.900,–.

De opleiding is door de consument gevolgd vanaf 13 februari 2024.

Het geschil betreft de gevolgen van het onaangekondigd niet doorgaan van een praktijkdag en de vraag of de door de ondernemer geboden oplossing redelijk is.

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Volgens de studiehandleiding moeten er 120 praktijkuren gemaakt worden, waarvan er totaal 12u door de ondernemer georganiseerd dienen te worden.

De ondernemer heeft in samenwerking met het UWV een praktijkdag van acht uur aangeboden voor de datum 20 juni 2024. Op die dag heeft de consument, samen met een aantal medestudenten, tevergeefs zitten wachten op een praktijkopleider. Pas om 10.30 uur bleek dar er geen praktijkopleider voor deze datum geregeld was en dat de praktijkdag op die datum niet zou doorgaan.

De consument heeft voor de praktijkdag verlof opgenomen en reiskosten gemaakt. Voor de kosten daarvan heeft zij de ondernemer aansprakelijk gesteld.

De ondernemer wijst aansprakelijkheid af en is niet bereid de schade van de consument te vergoeden.

De consument verlangt vergoeding van € 303,66.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De praktijkdag is niet doorgegaan omdat het UWV vergeten was een docent te regelen. Dit is overmacht voor de ondernemer, de ondernemer zelf kon daar niets aan doen.

In het onderwijs kan het nu eenmaal gebeuren dat een les onverhoeds niet doorgaat, bijvoorbeeld door ziekte van een docent. Dat is vergelijkbaar en geldt als overmacht voor de ondernemer. Een student moet dat accepteren, dat hoort bij het volgen van onderwijs.

De ondernemer heeft de consument bovendien de mogelijkheid geboden om zonder extra vrije dag de benodigde praktijkuren in te vullen.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Voor een door de ondernemer te verzorgen praktijkdag, verplicht onderdeel van de opleiding, heeft de ondernemer het UWV ingeschakeld. Het UWV zou de opleider regelen.

Tijdens de praktijkdag bleek echter geen opleider aanwezig te zijn. Volgens de ondernemer kwam dat door een vergissing bij het UWV. Volgens de ondernemer is daarmee sprake van overmacht aan de zijde van de ondernemer. De ondernemer kon er niets aan doen.

Naar het oordeel van de commissie ligt het niet doorgaan van de praktijkdag door een vergissing van het UWV echter volledig in de risicosfeer van de ondernemer. De ondernemer is immers verantwoordelijk voor fouten van door de ondernemer zelf ingeschakelde derden. De commissie is dan ook van oordeel dat sprake is van een aan de ondernemer toe te rekenen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst.

Artikel 14 van de ten deze toepasselijke algemene voorwaarden van de ondernemer luidt:
Aansprakelijkheid (ondernemer)
1. Indien de Koper door een aan (ondernemer) toe te rekenen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst schade lijdt, is (ondernemer) met inachtneming van het bepaalde in de volgende lid aansprakelijk voor de schade als bedoeld in artikel 6:96 BW, die hiervan een direct en rechtstreeks gevolg is. De aansprakelijkheid voor letselschade, dood of zaakschade wordt niet uitgesloten of beperkt.
2. De Koper dient eventuele schade zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen twee maanden na het ontstaan daarvan aan (ondernemer) te melden.

Daaruit volgt dat de ondernemer in principe door de consument geleden schade dient te vergoeden. De consument heeft de schade en de hoogte ervan tijdig aan de ondernemer opgegeven. Deze schade bestaat uit een door de consument opgenomen verlofdag en reiskosten.

De ondernemer heeft echter aangeboden om binnen de mogelijkheden van de opleiding op een andere wijze de praktijkdag-uren in te halen, zonder dat daarvoor het opnemen van nog een verlofdag en het maken van reiskosten nodig zou zijn.

Naar het oordeel van de commissie is dat voorstel alleszins redelijk, mede omdat tegemoet gekomen wordt aan de door de consument gemaakte kosten. Door de geboden oplossing hoeft de consument niet meer kosten te maken en meer verlofdagen op te nemen dan bij het doorgaan van de geplande praktijkdag het geval zou zijn geweest.

De ondernemer heeft dit voorstel gedaan bij brief van 24 juni 2024. De aanmelding van het geschil is door de commissie op 27 juni 2024 ontvangen. Het voorstel is dan ook gedaan voordat het geschil bij de commissie aanhangig was.

De commissie acht het aanbod dat de ondernemer heeft gedaan ter oplossing van de op zichzelf terechte klacht, voordat het geschil bij de commissie aanhangig is gemaakt, redelijk. De consument is ten onrechte niet op dit aanbod ingegaan.

Het reglement van de commissie bepaalt dat ook als voor indiening van een op zich terechte klacht een redelijk voorstel ter oplossing van het geschil wordt gedaan een klacht gegrond dient te worden verklaard. Daarom acht de commissie de klacht gegrond.

De ondernemer is gehouden te handelen overeenkomstig zijn aanbod, nu de commissie dit een redelijke oplossing van het geschil acht.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 21 lid 1 onder b van het reglement van de commissie is de ondernemer niet gehouden om het door de consument betaalde klachtengeld te vergoeden.

Omdat de ondernemer een naar het oordeel van de commissie redelijk voorstel heeft gedaan voor aanmelding van het geschil bij de commissie bepaalt de commissie dat van de ondernemer geen bijdrage wordt gevraagd in de kosten van behandeling van het geschil.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De ondernemer draagt zorg voor uitwerking en uitvoering van het aanbod, zoals dat bij brief van 24 juni 2024 aan de consument is gedaan.

De commissie wijst het meer of anders verlangde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Particuliere Onderwijsinstellingen, bestaande uit mr. F.H.C.M. van Schaijk, voorzitter, C. Broers en mr. M.J. Boon, leden, op 19 november 2024.

Opslaan als PDF