Tariefverhoging drinkwateraansluiting toegestaan: klacht afgewezen

  • Home >>
  • Water >>
De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Water    Categorie: Aansluiting    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 986085/1006611

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument klaagde over een factuur van € 2.834 voor de verplaatsing van een drinkwateraansluiting, terwijl in 2024 een offerte van € 2.180 was afgegeven. Door uitvoering in 2025 werd het nieuwe tarief toegepast. De Geschillencommissie Water oordeelde dat het tarief van het uitvoeringsjaar geldt en dat de stijging niet buitensporig is, mede door overheidstoezicht. Het beroep op artikel 7:752 BW werd afgewezen. De klacht werd ongegrond verklaard.

De volledige uitspraak

Samenvatting

De consument klaagt over een te hoge tariefstijging. De commissie wijst dat, marginaal oordelend, af, mede vanwege het overheidstoezicht op tariefvaststelling.

Beoordeling

De consument beklaagt zich over de hoogte van de factuur betreffende de verplaatsing van de drinkwateraansluiting. Op 3 juni 2024 heeft de consument bij de ondernemer een aanvraag ingediend om verplaatsing van de vaste aansluiting van drinkwater. Op 11 juni 2024 ontving de consument hiervoor een offerte ad € 2.180,– incl btw. Hieruit kon de consument opmaken dat het om een prijsindicatie ging en ervan uitgaan dat een bindende overeenkomst tot stand was gekomen. Hierin staat ook dat als de consument niet binnen 10 werkdagen zou reageren hij ervanuit kon gaan dat de opdracht kon worden uitgevoerd. De werkzaamheden zijn pas op 4 februari 2025 uitgevoerd. De rekening hiervoor bedraagt
€ 2.834,–. Deze viel 30 % duurder uit dan de orderbevestiging. De consument vindt deze prijsstijging extreem hoog mede gelet op de monopolypositie van de ondernemer. Volgens artikel 7:752 lid 2 BW is een prijsstijging van meer dan 10% niet toegestaan, tenzij de klant hierover tijdig is geïnformeerd. Dit is niet gebeurd. De consument heeft de verhoogde factuur onder protest betaald. De consument verlangt terugbetaling van het bedrag van € 654,–, zijnde het verschil tussen het betaalde en het oorspronkelijke factuurbedrag.

De ondernemer heeft het volgende aangevoerd. Op grond van de toepasselijke Algemene Voorwaarden is de consument gehouden de kosten van de, in dit geval, verplaatsing van haar aansluiting te vergoeden. De kosten zijn opgenomen in de tarievenregeling. In 2024 waren de kosten voor het aanbrengen van een, in dit geval, nieuwe aansluiting € 2.180,– incl. btw, zoals ook vermeld op de orderbevestiging en de factuur. In 2025 bedroeg dit vastgestelde bedrag € 2.834,– incl. btw. Het gehanteerde tarief is een standaardtarief, een zogenaamd ‘postzegeltarief’, wat inhoudt dat het een gemiddelde is van de kosten die normaal met dit soort werkzaamheden gepaard gaan. In sommige gevallen zullen de daadwerkelijke kosten lager uitvallen, in sommige gevallen ook hoger. De consument is het standaardtarief in rekening gebracht en de kosten zijn ook daadwerkelijk gemaakt. Door een tekort aan menskracht voor het uitvoeren van dit soort werkzaamheden is het werk in 2025 uitgevoerd. De ondernemer verzoekt de klacht ongegrond te verklaren.

Ter zitting voerde de ondernemer nog aan dat de forse stijging komt door een inhaalslag. Het in 2024 gehanteerde tarief was niet kostendekkend en dat is in hoge mate ingehaald door het in 2025 gehanteerde tarief.

De commissie overweegt dat de ondernemer, zoals op zijn orderbevestiging van 11 juni 2024 vermeldt, het tarief hanteert van het jaar van uitvoering. De consument heeft dat aanvaard (zij had binnen een bepaalde tijd op- of aanmerkingen kunnen maken), zodat die afspraak onderdeel van de overeenkomst tussen partijen is. De uitvoering heeft in 2025 plaatsgevonden, zodat het tarief van 2025 aan de consument berekend mocht worden.

Ter zitting is nog aan de orde geweest of de hoogte van het standaardtarief in 2025 redelijk is. De commissie heeft in diverse eerdere beslissingen uitgemaakt dat de gehanteerde tariefstijging een marginale toetsing kan doorstaan (zie bijvoorbeeld de door de ondernemer overgelegde uitspraak met nummer 222833/233943). Immers, uitgangspunt is dat de commissie niet bevoegd is een tariefhoogte te beoordelen, tenzij deze buitensporig is. In die eerdere beslissingen is uitgemaakt dat mede door het toezicht op tarieven van overheidswege er geen aanleiding is, marginaal oordelend, een tarief als het onderhavige af te wijzen of te matigen. Voor een wat uitvoeriger onderbouwing van een vergelijkbare zaak verwijst de commissie naar haar uitspraak onder nummer 254194/312523 (te raadplegen op de website van de commissie onder uitspraken en analyses). Daarmee staat voldoende vast dat het tarief niet excessief is. Van een richtprijs, zoals de consument heeft gesteld, is gelet op het voorgaande geen sprake. Het beroep op artikel 7:752, lid 2 BW waarin wordt gesproken over richtprijzen, die niet met meer dan 10% mogen worden overschreden, tenzij tijdige waarschuwing ter zake, gaat daarom niet op. De klacht wordt dan ook afgewezen.

De commissie overweegt ten overvloede, eveneens onder verwijzing naar eerdere, recente, uitspraken dat de ondernemer er verstandig aan had gedaan zich, naast de publicatie van zijn tarieven voor het volgend jaar op zijn website, communicatiever op te stellen. De commissie doelt erop dat de ondernemer na vaststelling van deze forse tariefstijging (in november 2024) de consument daarop had kunnen wijzen en haar wellicht de mogelijkheid had kunnen bieden haar opdracht te annuleren, al dan niet met een kostenvergoeding.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Water, bestaande uit mevrouw mr. I.K. Rapmund, voorzitter, de heer mr. E.F. Verduin, de heer mr. J.H. Willems, leden, op 13 juni 2025.

Opslaan als PDF