Commissie: Water
Categorie: Meterstanden
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1012419/1061557
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument ontdekte dat zij vijf jaar lang te veel had betaald voor waterverbruik, doordat haar ex-partner geen meterstanden had doorgegeven. Hierdoor werd het verbruik geschat op 3205 m³, terwijl het werkelijke verbruik 2521 m³ bedroeg. De ondernemer wilde slechts een deel van het verschil crediteren, met een beroep op verjaring, maar onderbouwde dat niet. De Geschillencommissie Water oordeelde dat de consument recht heeft op correctie op basis van het werkelijke verbruik en dat het beroep op verjaring onvoldoende gemotiveerd was. De klacht werd gegrond verklaard. De ondernemer moet een correctienota opstellen, het teveel betaalde bedrag vergoeden, het klachtengeld van € 52,50 terugbetalen en het volledige depotbedrag van € 11,47 aan de consument uitkeren.
De volledige uitspraak
Samenvatting
Het geschil betreft de jaarafrekening van 4 november 2024 en de (vervangende) jaarafrekening van 11 november 2024.
De consument heeft de klacht op 5 december 2024 aan de ondernemer voorgelegd.
De consument heeft een bedrag van € 11,47 bij de commissie in depot gestort.
De ondernemer dient een correctienot6a op te stellen en uit te gaan van het werkelijke verbruik van de consument.
Standpunt van de consument
Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.
Op 5 november 2024 kwam de consument erachter dat zij gedurende 5 jaar teveel betaald heeft aan de ondernemer. Het bleek dat haar ex-partner al die jaren geen meterstanden had doorgegeven. Als gevolg daarvan werd het waterverbruik geschat op een volume dat veel hoger was dan het werkelijke verbruik. Uit de eindafrekening blijkt dat zij voor 3205 m3 heeft betaald, terwijl haar werkelijke verbruik 2521 m3 bedroeg. Dit betekent dat zij de afgelopen 5 jaar 784 m3 teveel heeft betaald.
De ondernemer is slechts bereid om een bedrag terug te betalen dat gelijk staat aan 286 m3. Dit is veel lager dan het verschil tussen het in rekening gebrachte verbruik en het werkelijke verbruik. De ondernemer onderbouwt dit verschil niet. Volgens artikel 6: 203 BW is hier sprake van onverschuldigde betaling, dat houdt in dat de betaling is gedaan zonder rechtsgrond, zodat de ondernemer gehouden is het teveel betaalde aan de consument terug te betalen.
De consument verlangt dat de ondernemer het teveel betaald aan haar terugbetaalt.
Ter zitting heeft de consument verder nog in hoofdzaak het volgende aangevoerd.
Op 31 oktober en 6 november 2019 zijn de standen wel doorgegeven. Het beroep van de ondernemer op verjaring is niet onderbouwd. Er kan 5 jaar lang worden teruggevorderd. De watermeter bevindt zich in de kelder en was niet eenvoudig te bereiken. Er is nooit een discussie gevoerd over een verjaringstermijn van 2 jaar. Het is evident dat de consument teveel heeft betaald en dat zij dat terug wil zien. De ondernemer heeft zijn zorgplicht geschonden.
Standpunt van de ondernemer
Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.
De consument maakt bezwaar tegen de beperkte creditering op basis van verjaring en wenst volledige creditering van het minderverbruik.
De ondernemer vraagt jaarlijks de meterstanden op. Die zijn echter jarenlang niet opgegeven waardoor het verbruik is geschat. Pas op 2 augustus 2024 neemt de consument contact op met de ondernemer en verzoekt zij om een wijziging van de tenaamstelling van de aansluiting. Voor de jaarafrekening van 2024 wordt geen meterstand ontvangen en wordt de stand door de ondernemer geschat op 3205 m3 en wordt op die basis een jaarafrekening gestuurd. Na ontvangst van de jaarafrekening nam de consument contact op met de ondernemer en levert zij een foto aan waaruit blijkt dat de meterstand 2521 m3 is. Hierna ontving de consument een vervangende jaarrekening waarbij rekening is gehouden met de wettelijke verjaringstermijn van 5 jaar.
De ondernemer wijst op een eerdere zaak bij de commissie waarbij de commissie het beroep op verjaring van de ondernemer honoreerde.
Er is geen sprake van onverschuldigde betaling, maar van een vordering uit een
contractuele relatie. De ondernemer was immers gerechtigd de meterstanden te schatten, die vervolgens resulteerden in een rechtens afdwingbare vordering. Pas op het moment dat de creditering aan de consument werd gezonden ontstond een opeisbare vordering van de consument op de ondernemer ter grootte van het te crediteren bedrag. Dit bedrag is door de ondernemer echter overgemaakt, zodat aan die vordering is voldaan.
Ter zitting heeft de ondernemer verder nog in hoofdzaak het volgende aangevoerd.
De klacht hield in dat sprake was van onverschuldigde betaling en meer niet. Voor wat betreft de verjaring kijkt de ondernemer naar de opgegeven meterstand en dan 5 jaar terug.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
In het onderhavige geschil klaagt de consument over het teveel door de ondernemer aan haar in rekening gebrachte verbruik en verlangt zij niet een gedeeltelijke terugbetaling, zoals de ondernemer met een beroep op verjaring, heeft gedaan, maar verlangt zij de volledige betaling van het teveel in rekening gebrachte verbruik.
De ondernemer voert gemotiveerd verweer.
De commissie volgt het standpunt van de consument.
Weliswaar is de commissie van oordeel dat geen sprake is van onverschuldigde betaling, nu de ondernemer gerechtigd was om bij gebreke van een opgave van de consument, deze te schatten en in rekening te brengen.
Op zichzelf beschouwd kan de ondernemer zich op verjaring beroepen, maar in dit geding blijkt slechts dat de ondernemer zich op verjaring beroept, zonder dit beroep ook maar enigszins te onderbouwen.
Aldus is volstrekt niet duidelijk geworden of en vanaf wanneer sprake is geweest van een opeisbare vordering, noch van de hoogte daarvan. De ondernemer stelt slechts 5 jaar terug te hebben gekeken. Het door de ondernemer zelf ingeroepen verjaringsrecht veronderstelt bovendien dat sprake is geweest van een vordering van de consument, die aan verjaring onderhevig is. Voor zover de ondernemer bedoeld heeft dat de betaling van de jaarafrekeningen met geschatte standen een definitief karakter hebben, waarop niet kan worden teruggekomen is sprake van een onjuiste rechtsopvatting. De hoofdregel is immers dat de consument voor haar werkelijke verbruik dient te betalen, maar dat dit verbruik ook meteen het maximum is dat door de ondernemer aan haar in rekening dient te worden gebracht. Als blijkt dat een te hoog verbruik is geschat dan kan de consument de ondernemer verzoeken dat te corrigeren, zoals zij ook heeft gedaan in deze zaak.
De commissie zal dan ook beslissen dat de ondernemer het teveel in rekening gebrachte verbruik aan haar dient te vergoeden. De commissie acht het redelijk dat daarbij het prijsniveau zoals dat op de te corrigeren jaarnota is vermeld, wordt gehanteerd. Het beroep op verjaring wordt verworpen op de gronden zoals hiervoor is vermeld.
Op grond van het bovenstaande is de klacht van de consument gegrond.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De ondernemer stelt een correctienota op zoals hiervoor is overwogen en gaat daarbij uit van het werkelijke verbruik van de consument.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.
Depotverrekening, bedrag aan ondernemer € 0
Depotverrekening, bedrag aan consument € 11,47
Bovendien is de ondernemer gehouden het door de consument betaalde klachtengeld aan haar te vergoeden en voorts zal aan de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bijdrage in de behandelingskosten in rekening worden gebracht.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Water, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, de heer mr. E.F. Verduin, de heer drs. L. van Rootselaar, leden, op 11 augustus 2025.