Terugvlucht kon niet worden uitgevoerd. Slechte weersomstandigheden wèl, operationele redenen geen overmacht.

  • Home >>
  • Reizen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Reizen    Categorie: Aansprakelijkheid    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: REI00-2509

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil
 
Het geschil vloeit voort uit een in maart 2000 via een boekingskantoor met de reisorganisator tot stand gekomen overeenkomst. De reisorganisator heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van een treinreis voor twee personen naar La Palma, Spanje met verblijf in hotels op basis van halfpension voor de periode 8 t/m 15 april 2000 voor de som van ƒ 3.716,– in totaal.

Standpunt van klager
 
Het standpunt van klager luidt in hoofdzaak:
 
Op zaterdag 15 april 2000 zouden wij om 19.25 uur terugvliegen van La Palma naar Amsterdam. In verband met te veel westenwind ging die vlucht niet door. Het vliegtuig vanuit Amsterdam is door gevlogen naar Las Palmas.
We werden ondergebracht in een hotel waar we geen maaltijd meer kregen omdat de keuken al dicht was. We zijn zelf nog buiten de deur pizza’s gaan eten.
Op zondag 16 april 2000 werd ons om 10.00 uur meegedeeld dat Transavia ons pas op maandag
17 april 2000 zou terug brengen naar Amsterdam. We werden naar een ander hotel gebracht.
In de bus naar het hotel hoorden we dat het vliegtuig op maandag om 19.40 uur zou vertrekken.
In het hotel hebben we goede maaltijden genoten.
Op maandag 17 april 2000 moesten we het hotel om 12.00 uur verlaten. We hebben de dag doorgebracht op het vliegveld alwaar we een lunch kregen aangeboden. De vluchttijd werd gewijzigd in 22.10 uur. Op dinsdag 18 april midden in de nacht zijn we geland.
De totale vertraging bedroeg ongeveer 50 uur.
We hebben geen vergoeding gekregen voor de extra onkosten die we hebben gemaakt aan telefoonkosten, maaltijd, koffie en thee, extra verlofdagen en oppas kinderen.
Mijn moeder en schoonzus hebben op onze kinderen gepast.
Mijn vader heeft lang moeten wachten op Schiphol omdat de laatste vluchtwijziging niet tijdig bekend was.
 
Standpunt van de reisorganisator
 
Het standpunt van de reisorganisator luidt in hoofdzaak:
 
Op 15 april 2000 kon de terugvlucht niet worden uitgevoerd wegens bijzonder slechte weersomstandigheden. Uiteindelijk is een vertreksvertraging ontstaan van circa 50 uur.
Wij achten het bepaalde in artikel 12 lid 4 van de ANVR-voorwaarden van toepassing.
Ter plekke is alles gedaan om de gasten onder te brengen en te verzorgen.
De reiziger moet gezien de omstandigheden ook enige inschikkelijkheid en flexibiliteit tonen. Kosten voor een telefoongesprek en drankjes en een maaltijd mogen daarom tot het risico van de reiziger worden aangemerkt. Gezien de omstandigheden kan niet een vergoeding voor werkdagen, extra parkeerkosten en kosten oppas worden gevorderd.
Uit een telefax van Transavia van 5 december 2000 blijkt dat het wegens operationele redenen niet mogelijk was om de passagiers op 16 april 2000 van La Palma naar Amsterdam te vliegen.
 
Beoordeling van het geschil
 
De commissie heeft het volgende overwogen:
 
Met partijen is de commissie van oordeel dat de weersomstandigheden op 15 april 2000, waardoor er de hele dag geen vliegtuigen konden landen, een beroep op overmacht door de reisorganisator rechtvaardigen. Op 16 april 2000 waren er echter geen omstandigheden die uitvoering van de terugvlucht in de weg stonden. De reisorganisator was gehouden klager binnen redelijke termijn te doen terug vervoeren naar Schiphol. Weliswaar heeft de reisorganisator aangevoerd dat Transavia om operationele redenen niet voor een terugvlucht kon zorg dragen, maar die reden kan niet een beroep op artikel 12 lid 4 van de ANVR-voorwaarden rechtvaardigen. De niet nader toegelichte “operationele redenen” moeten in de verhouding reisorganisator – klager tot het risico van de reisorganisator worden gerekend. De door Transavia aangevoerde reden kan evenmin worden beschouwd als een gewichtige omstandigheid als bedoeld in artikel 11 van genoemde voorwaarden.
Nu vast staat dat klager pas in de vroege ochtend van 18 april 2000 op Schiphol is geland, is een vergoeding voor het ongerief op zijn plaats.
Daarbij houdt de commissie rekening met het feit dat klager wel is ondergebracht in hotels en maaltijden heeft ontvangen, met uitzondering van de eerste avond.
Tevens komen voor vergoeding in aanmerking de kosten die klager heeft moeten maken en die het gevolg zijn van het tekort schieten van de vervoerder, waarvoor de reisorganisator aansprakelijk is. Kosten voor oppas zijn niet aannemelijk geworden evenals schade vanwege extra verlofdagen.
Gezien het vorenstaande acht de commissie na te noemen vergoeding passend voor de materiële en immateriële door klager geleden schade.
 
Op grond van het voorgaande en alle aan de commissie gebleken feiten en omstandigheden in aanmerking nemende, is de commissie van oordeel dat de reisorganisator bij het uitvoeren van het overeengekomene zodanig tekort is geschoten en klager daardoor zodanig ongerief heeft ondervonden en kosten heeft moeten maken, dat de reisorganisator haar een vergoeding verschuldigd is. De commissie stelt deze vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast op het hierna te noemen bedrag. De commissie acht het eventueel meer of anders gevorderde echter niet toewijsbaar.
 
Ingevolge het reglement van de commissie moet de reisorganisator aan de commissie de hierna te noemen bijdrage in de kosten van de behandeling van het geschil voldoen.
 
Derhalve wordt als volgt beslist.
 
Beslissing
 
De reisorganisator dient aan klager in totaal een bedrag van ƒ 525,– te voldoen.
Het klachtengeld van ƒ 125,– is hierin begrepen.
 
Betaling dient plaats te vinden binnen één maand na verzenddatum van dit bindend advies.
 
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
 
Aldus beslist door de Geschillencommissie Reizen op 15 december 2000.