Tuchtcommissie bevoegd om klacht tegen fraudecoördinator te behandelen

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Tuchtcommissie NIVRE    Categorie: Bevoegdheid    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bevoegdverklaring   Uitkomst: bevoegd   Referentiecode: 1314985/1326203

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

In deze zaak moest de Tuchtcommissie NIVRE eerst beoordelen of zij bevoegd was om een klacht te behandelen tegen een coördinator fraudebeheersing. Er bestond discussie over de vraag of personen in deze functie onder het tuchtrecht van het NIVRE vallen. De commissie onderzocht daarom de statuten, reglementen en openbare uitingen van het NIVRE. Zij stelde vast dat coördinatoren fraudebeheersing in de statuten expliciet worden genoemd als NIVRE-geregistreerden. Ook bleek uit de regels dat klachten kunnen worden behandeld over het handelen van personen die tijdens hun NIVRE-registratie werkzaam zijn geweest en dat voor coördinatoren fraudebeheersing geen uitzondering is gemaakt. Verder wees de commissie erop dat het NIVRE zich naar buiten toe heeft gepresenteerd alsof ook deze beroepsgroep onder het tuchtrecht valt. Volgens de commissie mochten derden daarom erop vertrouwen dat klachten over coördinatoren fraudebeheersing door de tuchtcommissie kunnen worden beoordeeld. Op basis van deze overwegingen kwam de commissie tot het oordeel dat zij bevoegd is om de klacht inhoudelijk te behandelen. Over de inhoud van de klacht zelf is in deze uitspraak nog geen beslissing genomen.

De volledige uitspraak

Onderwerp van de klacht

Klager heeft bij de tuchtcommissie een klacht ingediend tegen beklaagde met betrekking tot diens handelen bij de uitvoering van een fraudeonderzoek, verricht in zijn hoedanigheid van coördinator fraudebeheersing. De tuchtcommissie acht het aangewezen om eerst op deze voorvraag met betrekking tot de bevoegdheid van de tuchtcommissie te beslissen alvorens, indien daartoe aanleiding bestaat, toe te komen aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht.

Standpunt van de klager en de beklaagde

Beklaagde heeft niet gereageerd op het verzoek van het secretariaat van de tuchtcommissie van 11 februari 2026 om een standpunt kenbaar te maken over de bevoegdheid van de tuchtcommissie. Evenmin heeft (de vertegenwoordiger van) klager in deze zaak een standpunt ingenomen met betrekking tot de bevoegdheid van de tuchtcommissie. De klager in haar brief van 16 oktober 2025 de samenhang van enkele bij de tuchtcommissie ingediende klachten benoemd en verzocht om deze gezamenlijk te behandelen, hierbij is klager ingegaan op de bevoegdheid van de tuchtcommissie.

Beoordeling van haar bevoegdheid

De commissie dient voorafgaande aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht van klager, ambtshalve te beoordelen of zij bevoegd is om deze klacht van klager te behandelen, nu uit de verschillende door klager ingediende klachten blijkt dat discussie bestaat over de bevoegdheid van de tuchtcommissie met betrekking tot de coördinator fraudebeheersing.

Klager heeft in haar brief van 16 oktober 2025 aangegeven dat zij tegen elf fraudecoördinatoren klachten heeft ingediend en ter zake procedures bij de tuchtcommissie heeft gestart. Door het indienen van de onderhavige klacht tegen deze expert bij de tuchtcommissie, alsmede gelet op de samenhang met de overige door klager ingediende klachten, leidt de commissie af dat klager heeft bedoeld dat ook deze zaak door de tuchtcommissie kan worden behandeld.

Gelet op deze samenhang ziet de commissie aanleiding om de beoordeling van haar bevoegdheid in deze zaak op dezelfde gronden te baseren als in de overige samenhangende zaken en daarvan niet af te wijken.

De commissie overweegt als volgt.

Centraal staat de vraag of een coördinator fraudebeheersing onder de reikwijdte van het tuchtrecht van het NIVRE valt en, in het verlengde daarvan, of de tuchtcommissie bevoegd is kennis te nemen van een klacht tegen een dergelijke coördinator. In dit kader dient de tuchtcommissie rekening te houden met hetgeen is bepaald in de statuten en de daarop gebaseerde reglementen, alsmede met de betekenis van de uitingen die het NIVRE hierover naar buiten heeft gebracht.
Naar het oordeel van de commissie dient de beoordeling van haar bevoegdheid in de eerste plaats te worden gebaseerd op de statuten van het NIVRE en het daarop gebaseerde reglement van de tuchtcommissie, nu daarin de grondslag en reikwijdte van het tuchtrecht zijn neergelegd. Uitingen van het NIVRE, zoals informatie op de website, kunnen bij deze beoordeling een rol spelen, in het bijzonder voor zover zij van betekenis zijn voor het vertrouwen dat derden mogen ontlenen aan de inrichting en werking van de registers.

De commissie komt, gelet op het navolgende, tot het oordeel dat zij bevoegd is om kennis te nemen van klachten over het handelen van coördinatoren fraudebeheersing. Hierna zal de commissie uiteenzetten op welke gronden zij tot dit oordeel is gekomen.

De tuchtcommissie stelt vast dat ten tijde van de gedragingen die tot de klacht hebben geleid (2023 en nadien) de statuten van het NIVRE, vastgesteld op 30 september 2021, van toepassing waren. Uit artikel 2 van deze statuten volgt dat het NIVRE onder meer tot doel heeft de deskundigheid en kwaliteit van de beroepsuitoefening te bevorderen en in stand te houden. Dit doel wordt onder meer gerealiseerd door het in stand houden van openbare registers, waarin onder andere zijn ingeschreven de NIVRE Register-Experts, NIVRE Register-Risicodeskundigen, NIVRE Register-Coördinatoren Fraudebeheersing, NIVRE Registerdeskundigen en bureaus (artikel 4.1 van de statuten).

In de statuten zijn, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen opgenomen.

Artikel 3.3
Overal waar in deze statuten gesproken wordt van de ‘NIVRE-Geregistreerde’ wordt bedoeld een natuurlijk persoon werkzaam op het terrein van schadevaststelling/risicobeoordeling en/of risicopreventie, toedracht en/of fraudeonderzoek en/of fraudebeheersing, inspecties en/of taxaties en aanverwante disciplines, in het bijzonder in het kader van schadeverzekering, die kantoor houdt in Nederland en die op grond van een besluit van het Bestuur in het Register als NIVRE Register-Expert, NIVRE Register-Risicodeskundige, NIVRE Register-Coördinator Fraudebeheersing en/of NIVRE Registerdeskundige is ingeschreven.

Artikel 7.2 onder c
Een NIVRE-Geregistreerde zal door het bestuur worden uitgeschreven indien:
c. door de Tuchtcommissie de maatregel van uitschrijving uit het Register is uitgesproken;

Artikel 17.3
De Tuchtcommissie functioneert autonoom en is belast met:
– het behandelen van klachten over het handelen en/of nalaten van een beklaagde ten tijde van diens NIVRE registratie of inschrijving in de Kamer van het NIVRE, dat mogelijk in strijd is met de gedragscode, statuten en/of reglementen van het NIVRE en/of met hetgeen overigens bij een goede beroepsuitoefening door de beklaagde betamelijk is, indien en voor zover deze klachten niet kunnen worden behandeld door het KIFID.

De tuchtcommissie overweegt naar aanleiding van het voorgaande als volgt. Op grond van de definitiebepaling in artikel 3.3 van de statuten dient onder het begrip “NIVRE geregistreerde” mede te worden verstaan de NIVRE Register Coördinator Fraudebeheersing, nu deze categorie daarin uitdrukkelijk is genoemd. Daarmee staat vast dat coördinatoren fraudebeheersing als NIVRE geregistreerden in de zin van de statuten moeten worden aangemerkt.

De commissie stelt voorts vast dat artikel 17.3 geen beperking bevat naar de aard van de registratie van de betrokkene, maar in algemene zin ziet op het handelen en/of nalaten van een beklaagde gedurende diens NIVRE registratie. Gelet op de definitie in artikel 3.3 omvat dit derhalve ook coördinatoren fraudebeheersing.

In dit verband komt aan artikel 7.2 onder c bijzondere betekenis toe. Deze bepaling regelt immers dat een NIVRE geregistreerde door het bestuur wordt uitgeschreven indien de tuchtcommissie de maatregel van uitschrijving uit het register heeft opgelegd. Hieruit volgt dat de tuchtcommissie bevoegd is om ten aanzien van NIVRE geregistreerden tuchtrechtelijke maatregelen op te leggen die rechtstreeks ingrijpen in hun registratie. Nu artikel 3.3 geen onderscheid maakt tussen de verschillende categorieën NIVRE geregistreerden en coördinatoren fraudebeheersing daaronder vallen, kan artikel 7.2 onder c naar het oordeel van de commissie niet anders worden begrepen dan dat deze sanctiebevoegdheid zich mede uitstrekt tot coördinatoren fraudebeheersing.

De commissie ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welke betekenis toekomt aan artikel 17.2 van de statuten.

Artikel 17.2 bepaalt voor zover hier van belang dat eenieder klachten kan indienen met betrekking tot het handelen en nalaten van een NIVRE Register-Expert, NIVRE Register-Risicodeskundige en NIVRE Registerdeskundige, en dat de ontvankelijkheid van klachten, de bevoegdheden van de tuchtcommissie en de procedure van klachtbehandeling nader zijn uitgewerkt in het Reglement Tuchtcommissie.

Uit de opsomming in artikel 17.2 kan niet worden afgeleid dat sprake is van een limitatieve opsomming van categorieën die aan het tuchtrecht zijn onderworpen. De commissie acht in dit verband van belang dat deze bepaling niet los kan worden gelezen van de overige statutaire bepalingen, in het bijzonder artikel 3.3, 7.2 onder c en artikel 17.3. Waar artikel 3.3 een algemene en uitdrukkelijke definitie geeft van het begrip “NIVRE geregistreerde”, en artikel 17.3 het bereik van het tuchtrecht koppelt aan het handelen en/of nalaten gedurende de NIVRE registratie, ligt het niet voor de hand om artikel 17.2 zo uit te leggen dat bepaalde categorieën geregistreerden stilzwijgend van dat bereik zouden zijn uitgesloten.

Daar komt bij dat artikel 17.2 expliciet verwijst naar het reglement van de Tuchtcommissie NIVRE voor de nadere uitwerking van onder meer de bevoegdheid. In het reglement Tuchtcommissie NIVRE is in artikel 3 bepaald dat de tuchtcommissie tot taak heeft het behandelen van klachten over het handelen en/of nalaten van een beklaagde gedurende diens NIVRE registratie. In artikel 1 van het reglement wordt onder “beklaagde” verstaan: een NIVRE Kamerbureau en/of een NIVRE geregistreerde.

Nu het reglement geen nadere beperking of differentiatie aanbrengt ten aanzien van het begrip “NIVRE geregistreerde”, dient voor de uitleg daarvan te worden aangesloten bij de statuten. Zoals hiervoor overwogen, volgt uit artikel 3.3 van de statuten dat onder dit begrip mede de NIVRE Register Coördinator Fraudebeheersing valt. De commissie stelt vast dat noch in het reglement, noch in de statuten een uitzondering is opgenomen voor deze categorie.

Van belang is voorts dat in de statuten en het reglement wel expliciet een uitzondering is gemaakt voor klachten die kunnen worden behandeld door het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid). Deze expliciete uitzondering bevestigt dat, waar het NIVRE heeft beoogd categorieën van klachten of personen buiten de reikwijdte van het tuchtrecht te plaatsen, dit uitdrukkelijk in de statuten is vastgelegd. Een dergelijke uitzondering ontbreekt voor coördinatoren fraudebeheersing.

Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat noch artikel 17.2 van de statuten, noch het reglement Tuchtcommissie aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat coördinatoren fraudebeheersing buiten het bereik van het tuchtrecht van het NIVRE vallen. Integendeel, uit de onderlinge samenhang van de statuten en het reglement volgt dat deze categorie onder het tuchtrecht is begrepen.
De commissie betrekt bij dit oordeel voorts dat uit het reglement van het register Coördinator Fraudebeheersing niet blijkt van een afzonderlijk toetsingsmechanisme of een eigen tuchtrechtelijke voorziening. Dit vormt een aanwijzing dat voor deze categorie geen afwijkend regime is beoogd, maar aansluiting is gezocht bij het bestaande tuchtrechtelijke kader van het NIVRE.

Daarnaast acht de commissie van belang de wijze waarop het NIVRE zich extern heeft gepresenteerd. Uit de door klager overgelegde stukken, waaronder de openbare presentatie van het register en de jaarverslagen over 2023 en 2024, blijkt dat het NIVRE kenbaar heeft gemaakt dat ook in gelieerde registers ingeschreven personen onder het tuchtrecht vallen en dat een klachtenloket en tuchtcommissie openstaan voor klachten over hun handelen. Hiermee heeft het NIVRE naar het oordeel van de commissie bij derden het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat klachten over coördinatoren fraudebeheersing binnen het tuchtrechtelijke kader van het NIVRE kunnen worden beoordeeld. Het enkele feit dat op een andere plaats een afwijkende mededeling is gedaan, doet daaraan, mede bezien in het licht van de statutaire systematiek, niet af.

Gelet op al het voorgaande komt de commissie tot het oordeel dat zij bevoegd is om van de onderhavige klacht kennis te nemen en deze inhoudelijk te behandelen.

De commissie merkt ten slotte nadrukkelijk op dat sprake is van een beoordeling ex tunc, waarbij bepalend zijn de regelgeving en omstandigheden zoals die golden ten tijde van de gedragingen waarop de klacht betrekking heeft. Dit brengt mee dat latere wijzigingen in statuten, reglementen, interne duidingen of beleidsopvattingen van het NIVRE niet van invloed kunnen zijn op de beoordeling van de bevoegdheid in deze zaak.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart zich bevoegd de klacht te behandelen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Tuchtcommissie NIVRE, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, in aanwezigheid van mr. L.H.A. van Doorn, secretaris, op 30 april 2026.

Opslaan als PDF