Commissie: Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals
Categorie: (On)Zorgvuldig handelen
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Tussen Vonnis
Uitkomst: aanhouding beslissing
Referentiecode:
1186296/1334245
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De uitspraak (een tussenuitspraak) betreft de klacht van een erfgenaam die stelt dat een makelaar de woning uit een nalatenschap tegen een te lage prijs heeft verkocht aan een medewerker van het eigen kantoor, waarna deze de woning met winst zou hebben doorverkocht. De makelaar voert aan dat de klacht te laat is ingediend en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De tuchtcommissie oordeelt dat het dossier nog onvoldoende informatie bevat om hierover te beslissen en gelast daarom eerst een mondelinge behandeling, waarna pas over de ontvankelijkheid en de inhoud van de klacht zal worden geoordeeld.
De volledige uitspraak
Onderwerp van de klacht
Klager beticht beklaagde van het onzorgvuldig handelen als NVM-makelaar.
De klager heeft de klacht voorgelegd aan de beklaagde.
Standpunt van klager
Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In hoofdzaak luidt dit als volgt.
In 2021 was beklaagde als verkopend makelaar betrokken bij de verkoop van de woning van de op 9 april 2021 overleden broer van klager. Klager is de enige erfgenaam.
Een medewerker van beklaagde heeft klager benaderd en aangegeven dat hij wel iemand voor de woning wist. Achteraf bleek deze geïnteresseerde, de koper, een andere medewerker van beklaagde te zijn, die nooit in de woning heeft gewoond, maar deze direct heeft doorverkocht voor een prijs die € 75.000,- hoger lag dan de verkoopprijs van klager. Klager voelt zich hierdoor enorm in de maling genomen en verlangt het prijsverschil terug van beklaagde.
Klager is door het secretariaat gevraagd te reageren op het verweer van beklaagde inzake de ontvankelijkheid. Het standpunt van klager ten aanzien van de ontvankelijkheid is de commissie niet bekend geworden op grond van de stukken. Een reactie van de zijde van klager lijkt te zijn uitgebleven.
Standpunt van beklaagde
Voor het standpunt van de beklaagde verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In hoofdzaak luidt dit ten aanzien van de ontvankelijkheid als volgt.
Beklaagde heeft zich primair op het standpunt gesteld dat klager niet kan worden ontvangen in zijn klacht.
Klager heeft zich niet binnen een redelijke termijn als bedoeld in art 4 lid 1 van het toepasselijke reglement tot beklaagde gewend. De verweten gedragingen dateren van 2021 en pas bij e-mail van 4 juni 2025 – dus 4 jaar later- heeft klager zich met zijn klachten tot beklaagde gewend. Door de tardieve wijze van het indienen van de klacht wordt beklaagde benadeeld voor wat betreft het reconstrueren van de feiten. Daarnaast is de belangrijkste getuige inmiddels overleden.
Voorts heeft beklaagde nog schriftelijk inhoudelijk verweer gevoerd. De commissie ziet, gezien de huidige procesfase, geen aanleiding tot nadere aanvulling van het standpunt en volstaat met een verwijzing naar het inhoudelijk verweer.
Beoordeling van de klacht
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie constateert dat het dossier op dit moment onvoldoende feitelijke gegevens bevat om te kunnen beoordelen of klager in zijn klacht kan worden ontvangen. De commissie acht het daarom noodzakelijk dat partijen ter zitting verschijnen teneinde nadere inlichtingen te verstrekken en vragen van de commissie te beantwoorden.
Met het oog op een doelmatige procesvoering zal de commissie op de nader te bepalen zitting naast de ontvankelijkheidsvraag ook de inhoudelijke aspecten van de klacht behandelen. Partijen zullen daarbij in de gelegenheid worden gesteld hun standpunten nader toe te lichten.
Alvorens nader te beslissen, draagt de commissie het secretariaat van de commissie op de zaak opnieuw op zitting te plaatsen met deugdelijke oproep van partijen. Daarom wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– bepaalt dat een mondelinge behandeling van de ontvankelijkheidsvraag en de klacht zal plaatsvinden;
– zal partijen oproepen tegen een nader vast te stellen datum en tijdstip;
– houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus beslist door de Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer G.W.J.M. van den Putten, de heer mr. E. Köhlinger, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.M. Bouter – Bijsterveld, secretaris, op 28 augustus 2026.