Commissie: Recreatie
Categorie: Accommodatie
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: aanhouding beslissing
Referentiecode:
457656/546525
De uitspraak:
Waar gaat het over?
De recreant eiste ontbinding van de huurovereenkomst en terugbetaling van de aanbetaling, omdat de geboekte kampeerplaats niet beschikbaar was door sluiting van het vakantiepark. De ondernemer stelde dat de bedrijfsactiviteiten niet waren beëindigd en bood een alternatieve kampeerplaats aan.
De commissie oordeelde dat het park nog steeds actief was, omdat nieuwe boekingen werden aangenomen, bestaande reserveringen werden omgeboekt en vaste kampeermiddelen op het terrein bleven staan. Hierdoor was er geen reden om de klacht niet in behandeling te nemen. Het geschil zal verder inhoudelijk worden behandeld.
Volledige uitspraak
Behandeling van het geschil
Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen, omdat uit de stukken blijkt dat eerst bij wijze van voorbeslissing dient te worden vastgesteld of het geschil van partijen (verder) kan worden behandeld door de geschillencommissie Recreatie (hierna: de commissie) of dat die behandeling moet worden gestaakt.
Partijen zijn van deze gang van zaken op de hoogte gesteld, en hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om daarover een standpunt in te nemen.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
Het geschil is ter zitting behandeld op 18 december 2024.
Motivering van de te nemen voorbeslissing
De commissie heeft het volgende overwogen.
Van deze wijze van geschillenbeslechting maakt onlosmakelijk deel uit het reglement van deze geschillencommissie.
In artikel 11 lid 2 van dat reglement is het volgende vastgelegd:
“2. De commissie zal een geschil niet behandelen of de behandeling staken, indien aan de ondernemer surseance van betaling is verleend, deze in staat van faillissement is geraakt, een schuldsaneringsregeling van kracht is geworden of zijn bedrijfsactiviteiten feitelijk heeft beëindigd, voordat de consument heeft voldaan aan het bepaalde in de artikelen 7 lid 2, 8 en 9.”.
In casu doet zich alleen de vraag voor of sprake is van de situatie dat de ondernemer “zijn bedrijfsactiviteiten feitelijk heeft beëindigd”.
Bepalend hiervoor is dus het moment waarop recreant de klacht bij de geschillencommissie heeft ingediend en klachtengeld en depot heeft gestort. Als voor dat moment sprake is van feitelijke beëindiging van “zijn bedrijfsactiviteiten”, heeft de commissie de behandeling van het geschil te staken, wat een voorbeslissing is.
Door recreant is op 19 juli 2024 de klacht ingediend bij de geschillencommissie en is klachtengeld voldaan. Van een depot/openstaand bedrag is geen sprake.
Door/namens recreant is – voor zover hier relevant – het standpunt ingenomen dat niet sprake is van de situatie dat de ondernemer “zijn bedrijfsactiviteiten feitelijk heeft beëindigd”. Dit omdat:
– de inschrijving in het handelsregister niet vermeld dat de onderneming (deels) is beëindigd;
– de ondernemer nog nieuwe boekingen in behandeling neemt;
– de ondernemer bestaande reserveringen omboekt naar 2025;
– de ondernemer beschikt over meer locaties waarbij hij nog een actieve rol heeft;
– de ondernemer zelf erkent dat zijn activiteiten worden voortgezet;
– de ondernemer tot op heden de kampeermiddelen van recreanten onder zich houdt.
Ook is door de ondernemer op 17 mei 2024 gereageerd op de klacht van recreant door een plaats op een ander park van de ondernemer aan te bieden, nu sluiting van het park [naam park] door de gemeente [naam gemeente] kennelijk een feit is. Eerder was recreant gevraagd af te wachten. Recreant is niet akkoord gegaan met genoemde oplossing en verzoekt in dit geding om de door partijen op 27 mei 2023 gesloten huurovereenkomst te ontbinden c.q. vast te stellen dat rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden, met terugbetaling door de ondernemer van de aanbetaling ad € 1.487,50. Dit – kort gezegd – omdat recreant geen gebruik kan maken van de overeengekomen “kampeerplaats nabij het water nummer S030 voor de periode van 23 maart 2024 tot 4 november 2024” bij – kort gezegd – Vakantiepark [naam park].
Door/namens de ondernemer is – voor zover hier relevant – hierover het volgende standpunt ingenomen;
in de richting van recreant:
“Cliënte benadrukt het te betreuren dat uw cliënten momenteel geen gebruik kunnen maken van hun seizoensplaats. Echter valt cliënte in dezen niets te verwijten. Uw stelling dat de seizoenplaats niet meer aan uw cliënten ter beschikking gesteld zou kunnen worden is niet juist. Juridisch is nog steeds sprake van een situatie waarbij nakoming niet blijvend onmogelijk is. De kans is nog steeds zeer reëel dat uw cliënt op korte termijn over zijn kampeerplaats kan beschikken. Zonder daarbij enige schuld te erkennen biedt cliënte uw cliënten aan dat zij van een alternatieve kampeerplek gebruik mogen maken op een ander park van cliënte tot aan het moment dat [naam park]. weer open zal gaan. Uw cliënten kunnen in dat kader contact opnemen met de afdeling reservering via reserveren@[naam park].nll Een kostbare juridische procedure dient wat cliënte betreft achterwege te blijven.”
en desgevraagd in de richting van de geschillencommissie:
“Cliënte merkt op dat er geen enkele sprake is van het staken van bedrijfsactiviteiten. De geschillencommissie is wel degelijk bevoegd deze zaak in behandeling te nemen.”
De commissie stelt vast dat de ondernemer een rechtspersoon is, te weten een besloten vennootschap. Onder die vlag worden kennelijk een of meer ondernemingen gedreven, waaronder het Vakantiepark [naam park], waarover het geschil handelt. Alleen dat laatstgenoemde park is al dan niet gedeeltelijk gesloten. Niet is gebleken dat andere vakantieparken waarover de onderneming(en) van ondernemer beschikt/beschikken, zijn gesloten.
Voor recreanten was het na bovengenoemde datum nog steeds mogelijk om een reservering te maken voor het vakantiepark [naam park]. Dit was te verifiëren op de website [website url].
Recreanten hebben kennelijk ook mogen ervaren dat de ondernemer nog steeds actief is met nieuwe boekingen (voor 2025) en dat zij nog contact heeft met haar recreanten, ook voor het doen van omboekingen naar andere vakantieparken.
Naast kampeerplaatsen waar recreanten een gedeelte van een jaar gebruik van kunnen maken en daarbij hun eigen kampeermiddelen kunnen meenemen, biedt de ondernemer in vakantiepark [naam park] ook vaste plaatsen aan voor recreanten die hun kampeermiddelen op het park laten staan. Met betrekking tot deze kampeermiddelen heeft het vakantiepark een zorgplicht die strekt tot een goede bewaring en waar nodig onderhoud. De vaste kampeermiddelen zijn tot op heden aanwezig op het vakantiepark en er is geen indicatie dat recreanten zijn gevraagd om de kampeerplaatsen te ontruimen. De voornaamste bedrijfsactiviteit van de ondernemer in het Vakantiepark [naam park], de verhuur van een kampeerplaats inhoudende de terbeschikkingstelling daarvan tegen betaling van een huursom, vindt feitelijk gezien nog steeds in beperktere mate plaats aangezien de kampeerplaatsen nog steeds ter beschikking worden gesteld aan de recreanten die daar vaste kampeermiddelen op hebben geplaatst en niet hebben weggehaald.
De conclusie van de commissie is dan ook dat bij wijze van voorbeslissing als volgt moet worden beslist.
(Voor)beslissing
De commissie:
Stelt indachtig het bepaalde in artikel 11 lid 2 van het Reglement van deze commissie vast dat er geen reden is om het geschil van partijen niet behandelen of de behandeling daarvan te staken.
Bepaalt dat het geschil verder moet worden behandeld op de wijze zoals dat is vastgelegd in het Reglement van deze commissie.
Houdt daartoe elke beslissing aan.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit de heer mr. M.L.J. Koopmans, voorzitter, de heer P.W.M. Meijkamp , mevrouw mr. L. Schots – Smit , leden, op 18 december 2024.