Commissie: Energie
Categorie: Jaarafrekening
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1265826/1292329
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument dacht dat bij een vast energiecontract ook het maandbedrag vast zou staan. Toen de jaarafrekening een grote bijbetaling liet zien en het maandbedrag werd verhoogd, maakte hij bezwaar. De commissie oordeelt dat een vast contract alleen betrekking heeft op de tarieven, niet op het voorschotbedrag. Omdat het verbruik klopt en het maandbedrag slechts een voorschot is, moet de consument de jaarafrekening betalen. De klacht is ongegrond.
De volledige uitspraak
Samenvatting
In de kern gaat de klacht uit van de veronderstelling dat een vast contract ook betekent dat het genoemde maandbedrag vast is. Dat uitgangspunt oordeelt de commissie als onjuist.
Beoordeling
In februari 2024 is door de ondernemer een offerte voor een driejarig vast contract uitgebracht. De consument heeft de offerte geaccepteerd. In het contract was een maandbedrag genoemd van € 141,-. Toen de consument de jaarrekening over 2024/2025 ontving bleek dat hij € 1.430,92 moest bijbetalen. Ook werd het maandbedrag verhoogd naar € 280,-. De bijbetaling is volgens de consument te wijten aan een verkeerde inschatting van het verbruik en dus een te laag maandbedrag. De consument betoogt dat bij een vast contract ook een vast maandbedrag overeengekomen is. Hij is bereid het meerverbruik boven het verbruik waarop het maandbedrag gebaseerd is te betalen, alsmede eventuele verhoging van belastingen of netbeheerkosten. Hij wijst erop dat bij de bepaling van het maandbedrag de ondernemer van een onjuist gasverbruik is uitgegaan, namelijk 1.000 m³ te weinig, hoewel hij de jaarafrekening van de vorige leverancier had overgelegd. Uit die jaarafrekening bleek het hogere verbruik.
De ondernemer wijst erop dat een vast contract alleen betrekking heeft op de prijzen van gas en elektriciteit. Het maandbedrag is bepaald aan de hand van een opgave van de consument.
De commissie oordeelt dat een vast contract inderdaad ziet op de prijzen van gas en elektriciteit, niet op het maandbedrag. De consument kan dan ook niet verlangen dat gedurende de looptijd van het contract het maandbedrag van € 141,- geldt voor het ingeschatte verbruik. Zo de ondernemer een fout heeft gemaakt bij het inschatten van het verbruik en daarmee bij de bepaling van het maandbedrag, kan de consument daaraan geen rechten ontlenen. De fout was kenbaar voor de consument. Immers bij de bevestiging van de overeenkomst had hij kunnen zien van welk verbruik de ondernemer uitging. Toen had hij de overeenkomst kunnen opzeggen, hetgeen hij niet gedaan heeft. De consument heeft het berekende verbruik afgenomen, hetgeen hij niet betwist, en dat verbruik dient hij te betalen, ongeacht welk maandbedrag hij betaald heeft. Een maandbedrag is immers niet meer dan een voorschot op de jaarafrekening. Er is evenmin reden om het na de jaarafrekening vastgestelde nieuwe maandbedrag te verlagen, nu dat gebaseerd is op het verbruik in het jaar 2024/2025.
De consument heeft ook nog geklaagd dat het subsidiebedrag van het Noodfonds afgeschreven is op de openstaande post. Dat zulks niet toegestaan is toont de consument niet aan. Een dergelijke verrekening staat de ondernemer vrij.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is. Dat leidt ertoe dat het bij de commissie gedeponeerde bedrag uitgekeerd wordt aan de ondernemer, nu dat bedrag ziet op diens resterende vordering betreffende de jaarrekening 2024/2025.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend. Het gehele bedrag, groot € 959,40, wordt aan de ondernemer uitgekeerd.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, voorzitter, de heer mr. F.J. Pirard, de heer drs. E.J.M. Polman, leden, op 18 november 2025.