Vastrecht mag uitsluitend in rekening worden gebracht aan consumenten die een (leverings)overeenkomst met de betreffende ondernemer hebben; overeenkomst tussen partijen is beëindigd.

  • Home >>
  • Energie >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Energie    Categorie: Tariefbepalingen    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: OPN-D02-0509

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft het te betalen vast recht van de gasmeter.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

Toen in maart 2003 een nieuwe gasmeter werd geplaatst, hebben de consumenten ontdekt dat zij gedurende twaalfeneenhalf jaar ten onrechte vast recht voor de meter hebben betaald, omdat in die periode geen gas is verbruikt. Er is gebeld met het kantoor van de ondernemer en telefonisch is toegezegd dat de consumenten geld zouden terugkrijgen. Toen na zes weken er nog geen antwoord was is opnieuw gebeld en toen is gezegd dat niet alles zou worden terugbetaald. Wanneer de ondernemer er eerder op had gewezen dat vast recht moest worden betaald, hadden consumenten de gasmeter al eerder laten weghalen. De consumenten wensen 12 ½ x € 61,25 (het vast recht van de meter) = € 765,– terugbetaald te krijgen.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

Het is juist dat de consument gedurende twaalfeneenhalf jaar geen gas hebben verbruikt. Het vast recht van de meter is echter verschuldigd op grond van de overeenkomst van levering van gas. Vast recht stond ook jaarlijks op de energierekening vermeld. Op grond van artikel 11 lid 2 van de Algemene Voorwaarden maakt de meetinrichting deel uit van de aansluiting. Vast recht mag volgens de ondernemer overigens ook worden geheven als er geen overeenkomst tot levering van gas aanwezig is. Uit coulance heeft de ondernemer de kosten van het verwijderen van de meter op 11 maart 2003 niet in rekening gebracht. Ter zitting is aangeboden om de meterhuur van € 12,– gedurende vijf jaar, derhalve € 60,– aan de consumenten te vergoeden.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Vastrecht voor het beschikken over een gasaansluiting en een gasmeter mag door een ondernemer uitsluitend in rekening worden gebracht aan consumenten die een (leverings)overeenkomst met de betreffende ondernemer hebben.

A contrario houdt dat in, dat wanneer deze contractuele verhouding niet of niet meer bestaat (bijvoorbeeld omdat een lopende overeenkomst door de consument wordt opgezegd), daarmee de juridische titel voor het vorderen van het vastrecht niet aanwezig is c.q. komt te vervallen en daarmee het recht van de ondernemer om (nog langer) vastrecht te vorderen van de consumenten.

De commissie volgt de ondernemer derhalve niet in zijn stelling dat ook vastrecht mag worden gevorderd in het kader van gaslevering, in die gevallen waarin geen sprake is van een overeenkomst tot levering van gas c.q. een overeenkomst op grond waarvan de consument de beschikking heeft over een gasaansluiting, tussen de ondernemer en een consument.
Ware dit immers anders, dan zouden de algemene voorwaarden van de ondernemer – waarop de vordering van het vastrecht is gebaseerd – jegens de consument van toepassing zijn, zonder dat de overeenkomst waarop deze algemene voorwaarden betrekking hebben tussen partijen gesloten is, hetgeen in strijd is met de wet.

In het onderhavige geval stelt de commissie vast dat er een dergelijke overeenkomst tussen de consumenten en de ondernemer is gesloten (in 1988), maar dat deze door de consumenten niet is opgezegd. Onder die omstandigheden heeft de ondernemer in beginsel derhalve het recht om vastrecht te vorderen gedurende de looptijd van die overeenkomst.

Daarbij doet zich overigens de vraag voor of de ondernemer zich daarop in redelijkheid kan beroepen, bezien in het licht van de stelling van de consumenten, dat zij op geen enkel moment door de ondernemer gewezen zijn op het feit dat de gasmeter kon worden weggehaald c.q. de (gas)leveringsovereenkomst door hem kon worden beëindigd.
De commissie is van oordeel dat dit wel het geval is.
Gebleken is immers dat de consumenten op de hoogte waren van het feit dat er een overeenkomst bestond (op grond waarvan zij ook het vastrecht betaalden). Het mag als een feit van algemene bekendheid worden verondersteld dat overeenkomsten opzegbaar zijn. Los daarvan is die mogelijkheid expliciet opgenomen in de algemene voorwaarden van de ondernemer die op de overeenkomst van toepassing zijn.
Nu de consumenten zich beroepen op toezeggingen die door vertegenwoordigsters van de ondernemer telefonisch aan hen zouden zijn gedaan, dienen de consumenten dit ook aan te tonen, nu de ondernemer ontkent dat dergelijke toezeggingen zijn gedaan. De consumenten zijn hierin naar het oordeel van de commissie niet geslaagd.

Onder de voornoemde omstandigheden kan niet worden gezegd dat de ondernemer in redelijkheid geen beroep toekomt op het vorderen van het vastrecht, gedurende de looptijd van de overeenkomst.

Wat die looptijd betreft bepaalt de commissie dat de lopende overeenkomst als geëindigd moet worden beschouwd per 11 maart 2003, te weten de datum waarop de meter is weggenomen. Het verzoek om de meter weg te halen moeten worden beschouwd als een rechtsgeldige opzegging door de consument.
Na 11 maart 2003 komt de ondernemer in het licht van het vorenstaande derhalve geen recht meer toe op het heffen van vastrecht, meterhuur of enige andere vordering, indien en voor zover deze de overeenkomst tot gaslevering betreft.

De vordering van de consument is niettemin ongegrond. Nu de consumenten het ter zitting door de ondernemer gedane aanbod tot een vergoeding van € 60,– hebben verworpen, behoeft de ondernemer dit aanbod niet gestand te doen.

Beslissing

Het door de consumenten verlangde wordt afgewezen, met dien verstande dat de overeenkomst tot gaslevering tussen de consumenten en de ondernemer is geëindigd per 11 maart 2003 en de ondernemer na die datum terzake geen vorderingen meer toekomen.

Indien en voor zover door de consumenten aan de ondernemer derhalve vorderingen zijn voldaan die betrekking hebben op een periode na voornoemde datum, dienen deze door de ondernemer te worden terugbetaald binnen 14 dagen na verzenddatum van deze uitspraak.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Openbare Nutsbedrijven op 10 december 2003.