Vergissing komt ondernemer niet duur te staan.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Geldzaken    Jaartal: 2016
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 2016-101544

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

De ondernemer heeft een vergissing gemaakt door in de eerste overeenkomst een te lage ouderbijdrage te noemen. Voor aanvang van de opvang heeft de ondernemer de ouder het juiste bedrag laten weten. Uit openbare stukken en door opvang van een ouder kind, had de ouder ook kunnen weten dat de ouderbijdrage te laag was. Het tarief voor de ouderbijdrage is vastgesteld door de gemeente. De ondernemer kan daar niet van afwijken. De ondernemer kan daarom niet gehouden worden aan de onjuiste, lagere ouderbijdrage. De consument mocht niet op die foutieve tekst vertrouwen.

Het geschil betreft in hoofdzaak de vraag of de ondernemer gehouden is de in de eerste overeenkomst onjuist vermelde ouderbijdrage te hanteren.

De consument heeft de klacht op 29 augustus 2015 schriftelijk voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

In de plaatsingsovereenkomst is vermeld dat de ouderbijdrage bij twee dagdelen € 42,11 per maand bedraagt. Er is echter een bedrag van € 84,22 afgeschreven. Toen de consument om uitleg vroeg, kreeg zij tot driemaal toe een andere reden te horen waarom het bedrag van € 84,22 was afgeschreven en door de ondernemer werd beweerd, aldus de consument, dat de consument zelf aan de hand van de ouderbijdragetabel kon aflezen wat de hoogte van de bijdrage was. De ondernemer vroeg daarop om een nieuwe overeenkomst te ondertekenen en te retourneren, waarin de bijdrage naar het oordeel van de ondernemer juist was vermeld. De consument heeft geweigerd deze overeenkomst te ondertekenen en houdt de ondernemer aan de eerdere overeenkomst, daar op de website van de ondernemer is vermeld dat het bedrag op de overeenkomst als juist moet worden aangenomen.

Ter zitting heeft de consument toegelicht dat een ouder kind van de consument naar dezelfde peuterspeelzaal is gegaan. De consument betaalde toen een iets hoger bedrag voor één dagdeel, namelijk € 45,–, doordat zij en haar partner toen hogere inkomsten hadden. Het lagere bedrag bevreemdde haar dus in eerste instantie niet. Toen bleek dat de juiste ouderbijdrage € 84,22 bedroeg, twijfelde de consument aan de juistheid van die berekening. Het gesprek daarover vond pas na enkele maanden plaats. De ondernemer legde daar ook niet uit hoe de ouderbijdrage was berekend maar verwees naar de ouderbijdragetabel. De consument is zelf als invalleidster werkzaam geweest bij de ondernemer. De consument stelt dat zij vermoedt dat de ondernemer de inkomsten van haar en haar partner te hoog heeft berekend, waardoor de eigen bijdrage van € 84,22 te hoog is vastgesteld.

Desgevraagd zendt de consument na de zitting aan de commissie de salarisgegevens om aan te tonen dat de ouderbijdrage van € 84,22 te hoog is vastgesteld. Volgens de consument blijven de inkomsten van haar en haar partner tezamen onder de grens van € 2.901,–.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

In de plaatsingsovereenkomst is per ongeluk, als gevolg van een verschrijving, een onjuiste bijdrage vermeld, namelijk € 42,11 in plaats van € 84,22. In eerste instantie is ook ten onrechte een factuur verzonden van € 42,11. Nog voordat de overeenkomst op 24 augustus 2015 feitelijk was ingegaan, heeft de ondernemer op 17 augustus 2015 een nieuwe factuur gezonden waarin de correcte bijdrage van € 84,22 is vermeld. In de mail van 18 augustus 2015 heeft de ondernemer aan de consument uitgelegd dat er in de eerste overeenkomst een vergissing was gemaakt. Hij wijst erop dat de consument zelf ook in de door de gemeente opgestelde ouderbijdragetabel, die de ondernemer op de website heeft gepubliceerd, had kunnen zien dat de eigen bijdrage gezien de hoogte van de inkomsten van haar en haar partner € 84,22 bedraagt. De ondernemer is van mening dat de consument ook had kunnen weten dat er sprake was van een vergissing. Sinds augustus 2015 biedt de ondernemer niet meer de mogelijkheid aan om één dagdeel af te nemen en dienen er minimaal twee dagdelen afgenomen te worden, waarbij een hogere bijdrage hoort.

Uit coulance heeft de ondernemer voor de maand september slechts het bedrag van € 42,11 in rekening gebracht. Nadien is het correcte bedrag van € 84,22 gefactureerd.

Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd. De ondernemer geeft aan dat het gesprek met de consument even op zich heeft laten wachten omdat de ondernemer graag in eigen persoon zorgdraagt voor het afhandelen van klachten. In dat gesprek heeft de consument volgens de ondernemer niet duidelijk gemaakt dat de consument nadere informatie wenste over de wijze van berekening van de ouderbijdrage.

De ondernemer verzoekt de klacht ongegrond te verklaren.

In de stukken die na de zitting zijn nagezonden heeft de ondernemer uitgelegd hoe de ouderbijdrage is berekend. Op basis van die berekening blijkt dat de ouderbijdrage niet te hoog is vastgesteld. Volgens de ondernemer had de ouderbijdrage op grond van de aangeleverde salarisgegevens zelfs moeten uitkomen op een hoger bedrag dan € 84,22.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Tussen partijen bestaat verschil van mening over de uitleg van de eerste overeenkomst. De consument stelt dat de ondernemer gehouden is aan de eerste overeenkomst, waarin een te lage eigen bijdrage is vermeld. De ondernemer stelt dat er sprake is van een verschrijving.

Voor de beoordeling van het geschil is de commissie nagegaan of inzake die verschrijving door de consument op de opgenomen tekst gerechtvaardigd kon worden vertrouwd. De commissie is van oordeel dat dit niet het geval is nu artikel 7 leden 2 en 3 van de toepasselijke algemene voorwaarden vermeldt dat de hoogte van de prijs, in dit geval de ouderbijdrage, bepaald wordt door het prijzenoverzicht van de gemeente. Dit prijzenoverzicht is gratis opvraagbaar bij de ondernemer en ook op de website vermeld.

De commissie overweegt aanvullend:
1) Het eerste kind van de consument is ook naar deze peuterspeelzaal gegaan en voor dat kind is voor één dagdeel zelfs een hogere bijdrage betaald, zodat niet te verwachten is dat de bijdrage voor het tweede kind voor twee dagdelen lager is;
2) De consument is zelf als invalleidster werkzaam geweest bij de ondernemer, zodat enig inzicht in de eigen bijdrage verondersteld mag worden en in dit geval wellicht zelfs een proactieve houding bij de consument verwacht mocht worden om de juiste informatie alsnog te achterhalen;
3) De juiste bijdrage is af te lezen uit de door de gemeente opgestelde ouderbijdragetabel voor peuterspeelzalen. Deze tarieven zijn vastgesteld door de gemeente; de ondernemer kan daar niet van afwijken.
De commissie meent dat nog van belang is dat, voor zover de consument ten tijde van het aangaan van de overeenkomst op 9 juni 2015 niet op de hoogte was van de correcte hoogte van de ouderbijdrage, de consument dat wel was door de e-mail die de ondernemer op 18 augustus 2015 heeft verzonden. De ondernemer heeft daarin uitgelegd dat in de overeenkomst een onjuiste bijdrage is vermeld en aangegeven wat het juiste  bedrag is.
De consument was derhalve vóór de ingangsdatum van de overeenkomst per 1 september 2015 van het juiste bedrag op de hoogte. Indien de consument niet met het bedrag akkoord wenste te gaan, had zij de overeenkomst kunnen opzeggen.

De commissie weegt mee dat aan de consument, conform artikel 5 lid 2 van de algemene voorwaarden, op 8 september 2015 een nieuwe overeenkomst ter ondertekening is toegezonden waarin het bedrag correct is vermeld, maar dat de consument heeft geweigerd deze te ondertekenen in de hoop de ondernemer te kunnen houden aan de verschrijving in de eerste overeenkomst. Het had de ondernemer vrij gestaan de overeenkomst op dat moment op te zeggen, maar dat heeft hij in het belang van het kind niet gedaan. In plaats daarvan heeft de ondernemer uit coulance voor de maand september het te lage bedrag van € 42,11 berekend en pas per 1 oktober het bedrag van € 84,22.

Al met al is de commissie van oordeel dat de consument in alle redelijkheid had kunnen weten dat er sprake was van een verschrijving. De commissie stelt vast dat de consument reeds voor de ingangsdatum van de overeenkomst op de hoogte is geweest van het juiste bedrag, zodat de eerste overeenkomst tezamen met de correctie van de ondernemer in de e-mail van 17 augustus 2015 aldus uitgelegd dient te worden dat een eigen bijdrage van € 84,22 te gelden heeft. De ondernemer kan niet aan de kennelijke verschrijving worden gehouden.

In de plaatsingsovereenkomst is vermeld dat is uitgegaan van een gezamenlijk bruto inkomen van € 3.126,–. Ter zitting heeft de consument expliciet, althans onderbouwd, aangevoerd dat de ondernemer de inkomsten van haar en haar partner onjuist heeft berekend en op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Volgens de consument is dit eerder aangevoerd, maar uit de vrij uitvoerige e-mails aan de ondernemer blijkt dit niet. Alleen in het klachtenformulier is dit vermeld zonder verdere onderbouwing en onderliggende stukken. Niettemin heeft de commissie naar aanleiding van dit argument de salarisstroken van de consument en haar partner na de zitting nog nader bekeken. Op grond daarvan stelt de commissie vast, dat niet gebleken is dat de ondernemer de gezamenlijke inkomsten te hoog heeft berekend. Ook dat argument kan derhalve niet leiden tot een lagere eigen bijdrage.

Ten overvloede merkt de commissie nog op dat de wijze waarop de ondernemer de kwestie heeft opgepakt, weliswaar getuigt van goede wil, maar dat een door de ondernemer zelf gemaakte fout in de overeenkomst in het vervolg wel aanleiding zou moeten geven om de oplossing van het geschil extra zorgvuldig en zo transparant mogelijk te laten verlopen teneinde verschil van inzicht te voorkomen. De commissie overweegt dit, nu immers tijdens en na de zitting nog feiten ter discussie zijn komen te staan, waaronder de hoogte en exacte componenten van het brutoloon bij het berekenen van de eigen bijdrage.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

De consument is met ingang van 1 oktober 2015 de eigen bijdrage van € 84,22 aan de ondernemer verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang en Peuterspeelzalen op 6 juni 2016.