Vergoeding voor schade voor ondernemer.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Opzeggen en annuleren    Jaartal: 2016
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 2016-103344

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de opvang 4 dagen voor de start opgezegd vanwege een incident tijdens een wendag. Partijen hebben niets afgesproken over annulering van de overeenkomst voor aanvang van het contract. Volgens de commissie was er geen reden voor opzegging met onmiddellijke ingang. De ondernemer heeft schade geleden door de directe opzegging, omdat hij een ander kind geen opvang kon bieden, vanwege de plaatsing van het kind van de consument. De consument moet de ondernemer daarom een maand opvangkosten als schadevergoeding betalen.

Het geschil betreft de vraag of de consument gerechtigd was de plaatsingsovereenkomst kosteloos te beëindigen voorafgaande aan de plaatsingsdatum.

De consument heeft op 10 mei 2016 de klacht schriftelijk voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument baseert de commissie zich op het klachtenformulier met bijlagen dat de commissie op 25 mei 2016 heeft ontvangen. Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

De consument heeft de overeenkomst d.d. 24 maart 2016 op 12 mei 2016 geannuleerd, dat wil zeggen vier dagen voor aanvang van de opvang. In de overeenkomst is overeengekomen dat de opvang van het kind van de consument op 16 mei 2016 aanvangt voor drie hele dagen per week.
Als gevolg van een incident tijdens één van de aan de plaatsingsdatum voorafgaande wendagen is er tussen de consument en de ondernemer een vertrouwensbreuk ontstaan. Bij het ophalen trof de consument de baby van top tot teen onder opgedroogd braaksel aan. Hij is hierover in gesprek gegaan met de ondernemer, die het voorval bagatelliseerde.
Omdat de consument geen vertrouwen meer heeft in de kwaliteit van de verzorging door de ondernemer en vanwege het gebrek aan communicatie van de zijde van de ondernemer (uitsluitend verwijzing naar de rechtsbijstandsverzekering), heeft hij de overeenkomst geannuleerd voor aanvang van de datum van opvang.
De consument stelt dat de ondernemer nonchalant met hem is omgegaan en niet met een oplossing is gekomen over de kosten van de annulering. De ondernemer heeft de consument bericht dat hij op grond van de overeenkomst deze pas na minimaal drie maanden kan opzeggen. Uiteindelijk is de ondernemer de consument tegemoetgekomen met een opzegtermijn van één maand.

De consument stelt dat er van een opzegtermijn van één maand geen sprake is nu hij de overeenkomst voor aanvang van de plaatsingsdatum heeft geannuleerd. De ondernemer heeft in het contract geen algemene voorwaarden met betrekking tot opzegging/annulering van de overeenkomst opgenomen. Ook op de website van de ondernemer is hierover niets te vinden.

De consument is bereid om annulerings- of administratie kosten te betalen. Hij verwijst hiervoor naar artikel 7 lid 1 van de Algemene Voorwaarden van Brancheorganisatie Kinderopvang waarin is bepaald dat een de ouder het recht heeft de overeenkomst te annuleren vanaf de ingangsdatum tot de datum van aanvang van opvang. De consument heeft dit gedaan zowel per email als per aangetekende brief.
De consument acht de annuleringskosten van € 954,– onredelijk hoog.

Ter zitting heeft de consument zijn standpunt toegelicht.

Op 10 mei 2016 heeft de consument zijn kind na een wendag opgehaald. Het viel hem direct op dat de baby erg naar braaksel rook. Zijn kleren waren nat en zowel op zijn romper, zijn broek en zijn sokken zat opgedroogd braaksel. De consument is hiervan geschrokken en heeft de leidster die de baby net had opgetild gevraagd waarom de kleren niet waren verschoond. De leidster zei toen dat de baby net daarvoor nog was verschoond en dat hij alleen een mondje toe had overgegeven. De consument vond het vreemd dat de leidster bij het verschonen van de luier niet had opgemerkt dat de baby onder opgedroogd braaksel zat. De consument heeft de ondernemer na thuiskomst opgebeld en gevraagd om in voorkomende gevallen de baby te verschonen en te voorzien van de reservekleding die de consument had meegegeven. De ondernemer heeft alleen maar gezegd dat de leidster niets geroken heeft toen ze de baby verschoonde.

De consument heeft meermalen contact opgenomen met de ondernemer en aangegeven dat hij zich ongerust maakte over de verzorging van zijn kind als de pedagogisch medewerkers al niet kunnen constateren wanneer een baby helemaal onder het braaksel zit en dat in een dergelijk geval de baby moet worden omgekleed. De consument is van oordeel dat de ondernemer erg nonchalant heeft gereageerd toen hij de situatie uitlegde. Hij heeft geen oplossing geboden en geen enkel excuus gemaakt of begrip getoond.

Vanwege de bejegening van de ondernemer jegens de consument, heeft de consument het vertrouwen in de leiding verloren en het contract geannuleerd op 12 mei 2016.

De ondernemer heeft daarop furieus gereageerd dat hij in al die jaren dat hij de opvang heeft nog nooit zo is behandeld en hij wilde niet meer met de consument in gesprek gaan om tot een oplossing te komen. De ondernemer beroept zicht op een minimale looptijd van het contract van drie maanden.

Naar aanleiding van het aanbod van de ondernemer om de opzegtermijn terug te brengen naar één maand hebben partijen geprobeerd om tot een minnelijke schikking te komen. Dit is niet gelukt.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

Met de consument is op 24 maart 2016 een plaatsingsovereenkomst voor hun negen maanden oude baby afgesloten. De opvang zou aanvangen op 16 mei 2016. Aan de consument is meegedeeld dat het gebruikelijk is om gedurende drie weken een aantal wendagen in te plannen. Gedurende die periode bouwt de ondernemer de aanwezigheid van de ouder(s) af en de duur dat het kind blijft op. Op die manier moeten ook de ouders het vertrouwen krijgen dat hun kind in goede handen is, zodat ze met een gerust hart naar het werk gaan. Zo doet de ondernemer dit al 20 jaar en dat werkt naar tevredenheid.

De ondernemer herkent zich niet in het verwijt dat de baby van de consument onvoldoende zou zijn verzorgd. De ondernemer is van mening dat de tweede wendag (10 mei 2016) goed is verlopen en dat de baby goed is verzorgd. Nadat de consument de baby aan het eind van die dag heeft gehaald gaf hij vervolgens telefonisch te kennen te willen stoppen met de opvang omdat hij geen vertrouwen meer had in de verzorging van de baby. De ondernemer heeft met de vestiging contact opgenomen en kreeg te horen dat de baby tot vijf minuten voordat hij was opgehaald bij een medewerker op schoot had gezeten en helemaal schoon was. Op 11 mei 2016 is de consument op de opvang gekomen om nogmaals zijn beklag te doen en om te bevestigen dat zij met de opvang wilde stoppen en dat indien de ondernemer hieraan niet mee zou werken ze de inspectie kinderopvang en de geschillencommissie zou inschakelen. Op 12 mei 2016 heeft de ondernemer aan de consument uitgelegd dat hij naar aanleiding van de annulering van de overeenkomst advies had gevraagd aan de rechtsbijstandsverzekeraar en zo spoedig mogelijk op de annulering terug zou komen. Er is meerdere malen contact geweest met de consument, zowel telefonisch, per mail en op de opvang zelf.

De ondernemer is geen lid van de Brancheorganisatie Kinderopvang en is daarmee niet verplicht de algemene voorwaarden van deze organisatie te volgen. De plaatsingsovereenkomst heeft een minimale duur van drie maanden. De ondernemer wil hiermee voorkomen dat ouders in die periode te snel overstappen naar een ander kinderdagverblijf. De ondernemer gaat ervan uit dat ouders een bewuste keuze maken voor de opvang van hun kind. Verder besteedt de ondernemer in de eerste maanden veel tijd en energie aan het laten wennen van een nieuw geplaatst kind. Bij een te korte plaatsingsperiode zou dat voor niets zijn. Bovendien is continuïteit in het belang van het kind. Als een kind van kinderdagverblijf wisselt, moet het weer opnieuw wennen. Op die manier wordt het hechtingsgedrag verstoord. Dit wil de ondernemer voorkomen met het beding dat de overeenkomst een minimale looptijd heeft van drie maanden. Daarna geldt een gewone opzegtermijn van een maand.

Ter zitting heeft de ondernemer zijn standpunt toegelicht.

De ondernemer heeft een dergelijke kwestie nog nooit meegemaakt in de 20 jaar dat hij deze opvang heeft. Op grond van de door de consument ondertekende plaatsingsovereenkomst kan gedurende de eerste drie maanden van de opvang de overeenkomst niet worden opgezegd. De ondernemer hanteert geen annuleringsregeling. De personele bezetting is afgestemd op het aantal kinderen. De ondernemer heeft vanwege de plaatsing van het kind van de consument een andere ouder teleur moeten stellen. Door de annulering is een plaats opengevallen die een ander kind had kunnen innemen.

De ondernemer betwist dat de baby heeft gespuugd. De leidsters zijn juist erg secuur voor wat betreft de hygiëne op de opvang.
De ondernemer betwist voorts dat hij geen contact met de consument wenste. De consument heeft echter op een voor de leidsters heel druk moment zijn verhaal willen doen. Na een uur is hem te verstaan gegeven dat er geen tijd meer voor hem was en dat hij beter niet meer kon bellen of komen. De ondernemer heeft gezegd het advies van de rechtsbijstandsverzekeraar te willen afwachten.

De ondernemer stelt zich op het standpunt dat de consument conform de overeenkomst is gehouden aan de minimale contractduur van drie maanden.

Beoordeling van het geschil

De commissie overweegt als volgt.

De eerste vraag, die moet worden beantwoord, is of aan de consument het recht toekwam om de plaatsingsovereenkomst op 12 mei 2016 te annuleren. De commissie beantwoordt deze vraag ontkennend en wel om de volgende redenen.
Ter onderbouwing van zijn standpunt beroept de consument zich op de annuleringsvoorwaarden zoals vastgelegd in artikel 7.1. van de Algemene Voorwaarden van de Brancheorganisatie Kinderopvang. De commissie heeft echter vastgesteld dat de ondernemer niet bij deze brancheorganisatie is aangesloten en dat hij van deze Algemene Voorwaarden bij het aangaan van plaatsingsovereenkomsten geen gebruik maakt. In de plaatsingsovereenkomst wordt ook niet naar (de toepasselijkheid van) deze voorwaarden verwezen. Dat betekent dat het beroep van de consument op annulering van de plaatsingsovereenkomst een deugdelijke contractuele grondslag ontbeert. Andere gronden die zouden moeten leiden tot een geslaagd beroep op annulering van de onderhavige plaatsingsovereenkomst zijn gesteld noch gebleken.
Vervolgens moet worden beoordeeld of de consument gebonden is aan het in de plaatsingsovereenkomst opgenomen opzegverbod gedurende de eerste drie maanden van de looptijd daarvan. De commissie is van oordeel dat dit niet het geval is. Een redelijke uitleg van de relevante bepalingen in de plaatsingsovereenkomst dwingt tot de conclusie dat de consument voormeld opzegverbod pas tegen zich moet laten gelden ná de ingangsdatum van de opvang. In dit geval zou de opvang ingaan op 16 mei 2016 terwijl de consument de overeenkomst al voorafgaand daaraan, te weten op 12 mei 2016, heeft beëindigd. In zoverre is de klacht van de consument gegrond.

Dan resteert nog de vraag of de consument op 12 mei 2016 gerechtigd was tot opzegging van de plaatsingsovereenkomst met onmiddellijke ingang. Deze opzegging met onmiddellijke ingang dient te worden bezien tegen de volgende achtergrond. De consument en de ondernemer zijn de plaatsingsovereenkomst aangegaan op 24 maart 2016 met als geldigheidsdatum (lees: ingangsdatum van de opvang) 16 mei 2016. Naar het oordeel van de commissie dienen de consument en de ondernemer zich ook in de periode van 24 maart 2016 tot 16 mei 2016 jegens elkaar overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid te gedragen. Deze brengen met zich dat de consument enkel in het geval dat er aan de zijde van de ondernemer sprake is van een voldoende ernstige tekortkoming in de nakoming van de op hem rustende verplichtingen de bevoegdheid toekomt de tussen partijen aangegane plaatsingsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen. De commissie heeft niet met voldoende zekerheid kunnen vaststellen dat daarvan sprake is. Immers, de standpunten van partijen met betrekking tot het mogelijk onjuist of nalatig handelen van de ondernemer tijdens de tweede wendag staan diametraal tegenover elkaar zodat daaraan geen deugdelijk argument voor (de juistheid van) het ene of andere standpunt kan worden ontleend. Vorenstaande overwegingen betekenen dat de consument niet gerechtigd was de plaatsingsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen. Dat maakt de consument in beginsel jegens de ondernemer schadeplichtig.
Dát de ondernemer door de handelwijze van de consument schade heeft geleden, is door eerstgenoemde voldoende aannemelijk gemaakt. Hij heeft in dit verband onweersproken gesteld dat het plaatsingsverzoek voor de opvang van een ander kind niet kon worden gehonoreerd omdat de betreffende kindplaats ten behoeve van de consument was gereserveerd. Daarnaast heeft de commissie meegewogen dat de consument tijdens de eerste en tweede wendag gebruik heeft gemaakt van de door de ondernemer geboden opvang zonder dat daar een redelijke vergoeding tegenover stond.    

Gezien het vorenstaande bepaalt de commissie in redelijkheid en billijkheid dat de consument aan de ondernemer een schadevergoeding voor het opzeggen van de plaatsingsovereenkomst met onmiddellijke ingang dient te betalen. De commissie begroot deze schade ex aequo et bono op een bedrag van € 954,–, een en ander conform het aanbod van de ondernemer in zijn e-mail aan de consument d.d. 24 mei 2016.

Hoewel de klacht van de consument gedeeltelijk gegrond wordt bevonden, beslist de commissie dat de ondernemer op grond van artikel 19 lid 1 sub b van het reglement het klachtengeld ad € 25,– niet aan de consument hoeft te vergoeden daar haar beslissing overeenstemt met de oplossing die door de ondernemer aan de consument werd voorgesteld voordat deze het geschil bij de commissie aanhangig maakte, maar die door de consument niet werd geaccepteerd.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie, oordelende naar redelijkheid en billijkheid,

– verklaart de klacht van de consument gedeeltelijk gegrond;
– bepaalt ter afwikkeling van het geschil dat de consument aan de ondernemer een schadever-goeding dient te betalen ten bedrage van € 954,–. Betaling dient plaats te vinden binnen één maand na datum van verzending van dit bindend advies;
– wijst het anders of meer gevorderde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang en Peuterspeelzalen op 29 juli 2016.