Vergoeding voor verloren verzekerd pakket gecorrigeerd na misverstand over waarde

  • Home >>
  • Post >>
De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Post    Categorie: Schadevergoeding    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1042289/1112772

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een consument claimde de nieuwwaarde van oude bankbiljetten in een verloren gegaan verzekerd pakket. De ondernemer had al €228 uitgekeerd, gebaseerd op een vermeende veilingopbrengst. Tijdens de zitting bleek dat dit een misverstand was: de biljetten waren via [website] verkocht voor €300, wat de commissie aannemelijk achtte als actuele waarde. De Geschillencommissie Post verklaarde de klacht gegrond en bepaalde dat de ondernemer nog €72 plus €27,50 klachtengeld moet vergoeden.

De volledige uitspraak

BINDEND ADVIES
Geschillencommissie Post
Zaaknummer 1042289/1112772

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de waarde van een verloren gegaan verzekerd pakket.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument heeft een pakket opgestuurd naar [locatie] met een verzekerde waarde van € 485,–, helaas is het niet bezorgd en ook niet meer retour gekomen en inmiddels als vermist beschouwd. Om de verzekering uit te betalen vroeg de ondernemer om inkoop en verkoop facturen, die de consument niet wil en niet kan geven daar de goederen al meer dan 35 jaar in zijn bezit waren. Omdat de ondernemer die stukken niet kreeg, heeft hij aan de consument minder dan de helft vergoed. De consument wil de verzekerde waarde uitbetaald krijgen, benevens wat het kost of opgebracht heeft.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De klacht van de consument gaat over een Brief Verzekerservice die hij heeft verzonden op 28 december 2024 naar [locatie]. Naar de consument aangeeft bevatte de brief oude bankbiljetten ter waarde van
€ 480,–. Het pakket is volgens de Track & Tracefunctionaliteit niet afgeleverd bij de geadresseerde. Volgens de laatste scan is de zending aangekomen in het land van bestemming. De zaak draait hierbij niet om deze vermissing als zodanig – daarvoor aanvaardt de ondernemer aansprakelijkheid – maar om de afwikkeling en de hoogte van de schadevergoeding. In artikel 9.4 AVP staat aangegeven dat de ondernemer aan de hand van de door de consument overgelegde bewijzen, zoals een aankoopnota/gegevens, bepaalt of de afzender in aanmerking komt voor een schadevergoeding en de hoogte daarvan. De consument stelt dat de schade € 480,– bedraagt, zijnde de vermeende waarde van de verzonden bankbiljetten. Voor de schadevaststelling hanteert de ondernemer echter als uitgangspunt de werkelijke waarde die de afzender zou hebben ontvangen vóór het moment waarop de schade zich voordeed, in dit geval dus vóór de vermissing van de zending. Als de brief correct zou zijn afgeleverd, had de consument € 293,60 ontvangen. Dit is namelijk het bedrag waarvoor de bankbiljetten daadwerkelijk zijn verkocht via een veiling. Dit bedrag vormt dan ook de grondslag voor de schadebepaling.

Voorts stelt de ondernemer zich op het standpunt dat de waarde van € 480,– verder niet onderbouwd is met objectieve verkoopdocumentatie, maar vermoedelijk gebaseerd is op eigen inschatting. De enige verifieerbare marktwaarde – de opbrengst van de veiling van € 293,60 – vormt de enige grondslag die de ondernemer kan hanteren. Gelet op het voorgaande handhaaft de ondernemer zijn standpunt en wijst hij het meerdere door de consument gevorderde bedrag af. Conclusie: de ondernemer verzoekt de commissie de klacht ongegrond te verklaren. De schadevergoeding van € 228,– (€ 293,60 – € 20 verzendkosten en
€ 45,60 Buyers fee) die inmiddels is uitgekeerd, is correct en passend.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Ter zitting bleek dat de ondernemer op grond van door de consument verschafte onduidelijke informatie tot de onjuiste conclusie gekomen was dat de overgelegde afrekening van een veilingopbrengst zag op de verkoop van de zich in het pakket bevindende bankbiljetten. De veilingafrekening zag echter, naar ter zitting bleek, op een aankoop door de consument. Daarmee wilde de consument aangeven dat de verzonden bankbiljetten meer waard waren dan waarvoor hij ze verkocht had.

Uitgangspunt is dat bij vermissing van een verzekerd pakket de waarde vergoed wordt zoals deze is ten tijde van de verzending van het pakket. De consument stelt de bankbiljetten via [website] verkocht te hebben voor € 300,–. Kennelijk is dat de waarde van dat ogenblik. Dat de consument bankbiljetten via [website] gekocht heeft (de door hem overgelegde factuur) is niet maatgevend voor de waarde van de verzonden bankbiljetten. De ondernemer verklaarde zich ter zitting bereid genoemde waarde van € 300,– te vergoeden. De commissie acht die waarde voldoende aannemelijk en zal dan ook dat bedrag in principe toewijzen. De ondernemer heeft echter al € 228,– aan de consument betaald, zodat de ondernemer alsnog € 72,– aan de consument dient te betalen.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is. In die situatie dient de ondernemer het klachtengeld aan de consument te vergoeden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De ondernemer dient aan de consument te betalen een bedrag van € 72,–. Indien betaling niet binnen 14 dagen na verzending van deze beslissing plaatsvindt, dient de ondernemer over dat bedrag de wettelijke rente te vergoeden.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 27,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Post, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, voorzitter, de heer drs. G.J.F.M. Klaas, mevrouw mr. M.T. Buiting, leden, op 7 juli 2025.

De uitspraak die de commissie heeft gedaan, is bindend voor beide partijen en vormt het sluitstuk van de procedure. De commissie kent geen mogelijkheid om tegen de uitspraak in beroep te gaan of deze te herzien. Ook niet in het geval van nieuwe feiten of argumenten. U kunt wel binnen 2 maanden na de verzenddatum van de uitspraak aan de burgerlijke rechter vragen de uitspraak te vernietigen. De andere partij heeft die mogelijkheid ook.
De rechter kan de uitspraak vernietigen als hij vindt dat de uitspraak onaanvaardbaar is; inhoudelijk of door de wijze van totstandkoming. Wanneer de uitspraak niet binnen 2 maanden door een van de partijen aan de burgerlijke rechter is voorgelegd door dagvaarding van de andere partij, kan de uitspraak niet meer ongedaan gemaakt worden.

 

Opslaan als PDF