Vernietiging van een onder bedreiging aangegane overeenkomst

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Telecommunicatiediensten    Categorie: Ontbinding, opzegging en tussentijdse beëindiging    Jaartal: 2015
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: TEL09-1149

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de beëindiging van twee abonnementen.   De consument heeft een bedrag niet aan de ondernemer betaald. Een bedrag van € 337,86 heeft de consument bij de commissie gedeponeerd.   De consument heeft op 13 juni 2009 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   Op maandag 8 juni 2009 ben ik omstreeks 09.30 uur met de trein naar Rotterdam gegaan om een vriendin te bezoeken. Mijn vriendin en ik hadden bij [het winkelcentrum] afgesproken. Ik zou haar daar tussen 13.00 en 13.30 uur ontmoeten. Bij aankomst op [het station] bleek dat mijn vriendin er nog niet was. Nadat ik ongeveer tien minuten had staan wachten, sprak een jongeman mij aan. Hij stelde dat hij mij ergens van kende, doch ik kende hem niet. De jongenman is met mij meegelopen naar het winkelcentrum. Vanaf het station naar het winkelcentrum is het ongeveer drie minuten lopen. We gingen de roltrap op om het winkelcentrum binnen te gaan. Ik wilde naar de wc. Plotseling werd ik door die jongeman een soort inham vlak voor het winkelcentrum in geduwd. Ik zag dat de jongeman een zwart op een vuurwapen gelijkend voorwerp onder tegen mijn hals duwde. Ik denk dat het voorwerp circa 15 centimeter lang was en een zwarte kleur had. Ik kan niets vertellen over de loop van het voorwerp, of deze open of dicht was. De jongeman haalde met zijn linkerhand het voorwerp uit zijn linkerjaszak. Ik voelde me daardoor erg bedreigd en was erg bang. Ik begon te huilen. Ik durfde niet te schreeuwen of wat dan ook, ik was bang dat hij mij zou neerschieten. Hij zei vervolgens tegen mij dat ik zeven telefoonabonnementen moest afsluiten. Ik moest naar de telecomwinkels gaan en moest mij normaal gedragen. Ik moest bij die winkels een abonnement afsluiten waarbij ik een telefoon kreeg. Hij noemde de merken. Ik moest van hem aanschaffen [type 1] of [type 2]. Ik moest zelf beslissen welke van de twee telefoons ik nam. Ik mocht ook twee telefoons van hetzelfde merk nemen. Ik moest net zo lang doorgaan tot ik die zeven telefoons had. Het voorgaande gebeurde allemaal in de inham welke ik net heb genoemd. Er zijn geen getuigen van, ik heb verder niemand gezien. Ik heb daar ook niet op gelet. Ik was alleen maar in paniek.   De jongeman deed het voorwerp weer in zijn linkerjaszak. We zijn naar een telefoonwinkel van een andere ondernemer dan de onderhavige gegaan. Ik moest naar binnen en hij bleef buiten bij de ingang wachten. Ik heb beide contracten ondertekend en ben met beide telefoons in een tasje naar buiten gegaan. De jongeman stond mij direct bij de ingang op te wachten. Hij pakte de tas af en vervolgens zijn we naar de telecomwinkel van de onderhavige ondernemer gegaan.   De jongeman bleef weer buiten bij de ingang staan. Ik ging de winkel in. Daar sloot ik twee contracten af. Dat ging op dezelfde wijze als in de eerste telecomwinkel. Ik heb [twee telefoons] meegenomen. Ik liep de winkel uit en de jongeman stond gelijk bij de ingang. Hij pakte de tas af en we zijn verder gelopen naar de telecomwinkel van de volgende ondernemer.   Tijdens het lopen naar die diverse telecomwinkels is er niet veel gezegd. Hij zei tegen mij dat ik gewoon moest blijven doen. Ik was erg bang.   Na de laatste aankoop is de jongeman met mij meegelopen naar de uitgang van het winkelcentrum. Daar is die jongeman weggelopen, via de roltrap is hij weggegaan. Hij zei tegen mij: ‘als je iets zegt of doet, dan weet ik je te vinden’. Ik ben erg bang voor die jongeman want mijn gegevens staan op die contracten die hij in zijn bezit heeft. Ik ben naar buiten gegaan, ik ben gaan zitten en wist niet wat ik moest doen. Ik heb niemand gebeld. Ik ben uiteindelijk naar huis teruggereisd.   Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.   Er zijn geen beelden beschikbaar die op de dag van het voorval met een bewakingscamera zijn opgenomen. De consument heeft via slachtofferhulp psychologische hulp gekregen. Met uitzondering van de onderhavige ondernemer, hebben alle ondernemers waarmee de consument op die bewuste dag een abonnement heeft gesloten, de belkosten gecrediteerd. Met één ondernemer is inzake de waarde van de telefoon een schikking getroffen. Met uitzondering van de onderhavige ondernemer, hebben verder alle ondernemers ervan afgezien de waarde van de telefoon te verhalen op de consument.   De consument verlangt, zo begrijpt de commissie, vernietiging van de twee op 8 juni 2009 met de ondernemer gesloten overeenkomsten.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.   De consument heeft op 8 juni 2009 twee overeenkomsten met de ondernemer gesloten. De overeenkomsten zijn aangegaan voor een periode van 24 maanden op basis van het [basis abonnement] ad € 70,– per maand. Bij de abonnementen heeft de ondernemer twee maal een [type] toestel geleverd. Door ondertekening van de overeenkomsten heeft de consument zich akkoord verklaard met de Algemene Voorwaarden van de ondernemer. In verband met zeer hoog verbruik binnen een kort tijdsbestek heeft de ondernemer uit voorzorg op 8 juni 2009 een blokkade geplaatst voor inkomende en uitgaande gesprekken voor beide mobiele aansluitingen. De ondernemer heeft de consument daarvan schriftelijk en op 9 juni 2009 telefonisch op de hoogte gebracht. In het telefoongesprek heeft de consument aangegeven dat beide mobiele telefoons zijn gestolen. Op 11 juni 2009 heeft de vertegenwoordiger van de consument contact opgenomen met de ondernemer en aangegeven dat de consument de overeenkomsten onder druk van derden is aangegaan.   De ondernemer stelt dat de overeenkomsten rechtsgeldig tot stand zijn gekomen. De consument heeft bij het sluiten van de overeenkomsten een geldig legitimatiebewijs overgelegd. Daarnaast heeft de consument, ter verificatie van het bankrekeningnummer, een succesvolle pintransactie van € 0,01 uitgevoerd. De druk van derden kan de ondernemer niet worden tegengeworpen. De consument blijft derhalve aansprakelijk en verantwoordelijk voor de kosten behorende bij de abonnementen tot het einde van de contractsperiode, te weten 8 juni 2011. De ondernemer stelt dat er sprake is van een betalingsachterstand en dat zij haar standpunt handhaaft dat de consument het gehele bedrag aan de ondernemer moet betalen.   Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.   De ondernemer erkent dat de gang van zaken met betrekking tot het afsluiten van de abonnementen een drama is op het persoonlijke vlak van de consument. Echter, het gaat om de beantwoording van de juridische vraag in deze zaak.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   Vaststaat dat de consument op 8 juni 2009 met de ondernemer twee overeenkomsten heeft gesloten. Beide overeenkomsten betreffen een Basis Abonnement en onder andere de (gratis) levering van [een toestel] bij ieder abonnement. De consument heeft zich met een geldig legitimatiebewijs gelegitimeerd en ook de pintransactie is goed verlopen.   Als eerste vereiste voor de totstandkoming van een rechtshandeling noemt de wet in artikel 3:33 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een op een rechtsgevolg gerichte wil. In het onderhavige geval is die wil aanwezig. Echter, de consument stelt dat zij in verband met het sluiten van de overeenkomsten is bedreigd, zodat haar wil op gebrekkige wijze is gevormd. In dat verband vraagt zij de commissie op grond van artikel 3:44 lid 2 in samenhang met artikel 3:44 lid 1 BW de rechtshandeling te vernietigen.   Naar het oordeel van de commissie moet in de eerste plaats worden beoordeeld of de gestelde bedreiging zodanig is geweest, dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed. Uit het proces-verbaal van aangifte d.d. 12 juni 2009 blijkt dat de consument verklaart: ‘De jongeman haalde met zijn linkerhand het voorwerp uit zijn linkerjaszak. Ik voelde me daardoor er bedreigd en was erg bang. Ik begon te huilen. Ik durfde niet te schreeuwen of wat dan ook, ik was bang dat hij mij neer zou schieten’. Verder verklaart de consument: ‘Ik was alleen maar in paniek’. Ook verklaart de consument: ‘Tijdens het lopen naar die diverse winkel is er niet veel gezegd. Hij zei tegen mij dat ik gewoon moest blijven doen. Ik was erg bang’. Tenslotte verklaart de consument: ‘Hij zei tegen mij: “als je iets zegt of doet, dan weet ik je te vinden” Ik ben erg bang voor die jongeman want mijn gegevens staan op die contracten die hij in zijn bezit heeft’.   Uit hetgeen de consument verklaart, zoals hiervoor kort is weergegeven, volgt naar het oordeel van de commissie dat de consument door de onrechtmatige handelwijze van de ‘jongeman’ en gelet op de overige omstandigheden van het geval, haar een zodanige vrees voor een mogelijk nadeel is ingeboezemd, dat zij daardoor is bewogen een rechtshandeling te verrichten teneinde de verwezenlijking van dit nadeel te voorkomen. Immers, behalve van bedreiging kan men ook spreken van vreesaanjaging. Ten gevolge van de vrees, die een vrije wilsuiting verhindert, zijn de twee overeenkomsten naar het oordeel van de commissie gebrekkig tot stand gekomen. Uit de verklaringen van de consument: ‘Maandag 8 juni 2009 omstreeks 09.30 uur ben ik met de trein naar Rotterdam gegaan. Ik wilde daar een vriendin bezoeken’ en ‘ik ben naar buiten gegaan, ik ben gaan zitten en wist niet wat ik moest doen’, in samenhang met hetgeen zij verder heeft verklaard, leidt de commissie af dat de consument aannemelijk heeft gemaakt dat zij de twee overeenkomsten met de ondernemer niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben aangegaan, indien zij daartoe niet ten gevolge van de uitgeoefende dwang was bewogen. Daaruit volgt dat een causaal verband bestaat tussen de uitgeoefende dwang en het aangaan van beide overeenkomsten.   Hetgeen de commissie hiervoor heeft overwogen leidt tot het oordeel dat de rechtshandelingen die de consument heeft verricht op grond van een wilsgebrek in beginsel vernietigbaar zijn.   De ondernemer heeft echter gesteld dat de overeenkomsten rechtsgeldig tot stand zijn gekomen en dat de druk van derden niet aan de ondernemer kan worden tegen geworpen. De commissie begrijpt uit de stellingen van de ondernemer dat zij een beroep doet op artikel 3:44 lid 5 BW. Onbetwist is dat de ‘jongeman’ geen partij bij de overeenkomst is. Waar het in deze zaak om gaat is het antwoord op de vraag of de ondernemer reden had het bestaan van het wilsgebrek te veronderstellen. Het zinsdeel van artikel 3:44 lid 5 BW ‘die geen reden had het bestaan ervan te veronderstellen’ verwijst naar de goede trouw in de zin van artikel 3:11 BW: beseffen, noch behoeven te beseffen. Naar het oordeel van de commissie kende de ondernemer niet de feiten inzake de bedreiging. Echter, gelet op de omstandigheden van het geval, had het op de weg van de ondernemer gelegen om enig onderzoek te doen. Immers, onbetwist is dat de consument tijdens het aangaan van de overeenkomsten bang was, heeft gehuild en in paniek was, hetgeen een normaal bekwame en zorgvuldig handelende verkopende medewerker van de ondernemer had moeten opvallen en doen beseffen dat bij de consument geen sprake was van een vrije wilsuiting. Daarbij neemt de commissie tevens in aanmerking dat de consument twee overeenkomsten met de ondernemer sloot en daarbij twee niet bijzonder goedkope mobiele telefoons geleverd kreeg, terwijl ter zitting d.d. 4 februari 2010 bleek dat de consument ook al een abonnement had dat tot 21 juli 2009 geldig was. Niet is gesteld en ook is niet gebleken dat de ondernemer, naast de controle van het identiteitsbewijs en het bankrekeningnummer, enig onderzoek jegens de consument heeft gedaan, terwijl daar, zoals hiervoor is overwogen wel meer dan één aanleiding toe was. Het bovenstaande leidt ertoe dat de commissie het beroep, dat de ondernemer op artikel 3:44 lid 5 BW doet, niet zal honoreren.   Gezien hetgeen hiervoor is overwogen beslist de commissie dat, op grond van het reeds vastgestelde wilsgebrek het beroep op die vernietigingsgrond wordt aanvaard en de twee tussen de consument en de ondernemer op 8 juni 2009 gesloten overeenkomsten worden vernietigd. Ingevolge artikel 3:53 lid 1 BW werkt vernietiging terug tot het tijdstip waarop de rechtshandelingen zijn verricht; in casu 8 juni 2009. De vernietiging heeft in beginsel het gevolg dat de rechtsverhouding tussen de consument en de ondernemer wordt hersteld in de staat waarin deze voor het aangaan van beide overeenkomsten was. Vaststaat dat partijen reeds uitvoering hebben gegeven aan de twee tussen hen tot stand gekomen en als geldig beschouwde (en voor de vernietiging ook inderdaad geldige) overeenkomsten.   De consument heeft zich op grond van de overeenkomst verplicht de abonnementskosten aan de ondernemer te voldoen. Vaststaat dat de consument een enkel bedrag aan abonnementskosten aan de ondernemer heeft betaald, zodat aan dat deel van de beide overeenkomsten ook daadwerkelijke uitvoering is gegeven. Verder staat vast dat de ondernemer op 8 juni 2009 voor beide mobiele aansluitingen de inkomende en uitgaande gesprekken heeft geblokkeerd. Aangezien de commissie heeft beslist dat de overeenkomst is vernietigd, vervalt, door de terugwerkende kracht van de vernietiging, de verplichting van de consument om abonnementskosten te betalen. Het gevolg daarvan is dat hetgeen de consument reeds uit hoofde van de abonnementen aan de ondernemer heeft betaald, de ondernemer aan haar dient terug te betalen. De commissie zal dienovereenkomstig beslissen. Ten overvloede merkt de commissie op dat de ondernemer ook geen verplichting heeft de twee mobiele aansluitingen te deblokkeren.   Op grond van de twee overeenkomsten heeft de ondernemer aan de consument [twee telefoons] geleverd. Echter, door de terugwerkende kracht van de vernietiging van beide overeenkomsten is de titel aan de overdracht van beide telefoons ontvallen. Nu de telefoons in het bezit van de consument zijn gebracht, houdt haar ongedaanmakingsverplichting in dat zij het bezit van de telefoons naar de ondernemer doet terug keren. Gezien de (later ingetreden) omstandigheid dat de ‘jongeman’ onder bedreiging de twee telefoons van de consument heeft ontvangen, is restitutie van de telefoons feitelijk niet mogelijk. Het gevolg daarvan is dat de consument niet aan haar restitutieverplichting uit de ongedaanmakingsverbintenis jegens de ondernemer kan voldoen. De consument is dan op voet van artikel 6:74 e.v. BW en artikel 6:81 e.v. BW schadevergoeding aan de ondernemer verschuldigd, tenzij de tekortkoming in de nakoming van haar verplichting niet aan haar kan worden toegerekend.   Vaststaat dat de ‘jongeman’ onder bedreiging de telefoons van de consument heeft ontvangen, zodat de tekortkoming in de nakoming van haar restitutieverplichting niet aan haar kan worden toegerekend. In beginsel is de consument geen schadevergoeding verschuldigd; het risico is in dat geval voor de schuldeiser van de ongedaanmakingsverplichting, in casu de ondernemer. Echter, een uitzondering op die regel is het geval zoals wordt aangegeven in artikel 6:78 BW. Onbetwist is dat de consument onder bedreiging aan de ‘jongeman’ de beide telefoons heeft overhandigd. Op grond van onrechtmatige daad heeft de consument jegens de ‘jongeman’ een vordering. Die vordering is het voordeel dat de consument geniet, nu zij niet aan haar verplichting tot restitutie van de telefoons voldoet. De ondernemer heeft op grond van artikel 6:78 lid 1 BW recht op vergoeding van haar schade tot ten hoogste het bedrag van het voordeel dat de consument heeft. Gelet op het bepaalde in artikel 6:78 lid 2 BW, kan de consument aan het vorderingsrecht van de ondernemer voldoen door overdracht van de vordering die de consument op de ‘jongeman’ heeft. Het tweede lid van artikel 6:78 BW stelt buiten twijfel dat de consument, ook wanneer de ondernemer zulks niet vordert, door overdracht van haar vordering op de ‘jongeman’ aan haar schadevergoedingsverplichting kan voldoen. Hetgeen de commissie hiervoor heeft overwogen leidt ertoe dat de commissie de consument zal opdragen haar vorderingen die zij inzake de telefoons op de ‘jongeman’ heeft aan de ondernemer te cederen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:94 BW.   Met betrekking tot de gegrondheid dan wel ongegrondheid van de klacht van de consument overweegt de commissie het volgende.   De ondernemer heeft ter schikking van het geschil de consument aangeboden dat zij bereid is de twee overeenkomsten te beëindigen indien de consument voldoet aan de voorwaarde dat zij de waarde van de twee telefoons aan de ondernemer vergoedt. De klacht van de consument richt zich tegen de voorwaarde.   Gezien hetgeen de commissie hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de ongedaanmakingsverbintenis en de restitutieverplichting van de consument, is de commissie van oordeel dat de klacht van de consument gegrond is.   Het gevolg daarvan is dat de commissie zal beslissen dat het depot bedrag ad € 337,86 aan de consument zal worden terugbetaald. Ook dient de ondernemer het klachtengeld aan de consument te vergoeden.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   De commissie vernietigt de overeenkomsten van de mobiele telefoonaansluiting met betrekking tot [SIM nummer] en [SIM nummer] d.d. 8 juni 2009.   De commissie bepaalt dat dientengevolge de verplichting van de consument om de reeds verschenen en toekomstige abonnementskosten te betalen komt te vervallen.   De commissie draagt de ondernemer op de reeds door de consument betaalde abonnementskosten aan de consument terug te betalen. Betaling van die kosten dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies. Indien betaling niet tijdig plaatsvindt, betaalt de ondernemer bovendien de wettelijke rente over het niet betaalde bedrag vanaf de verzenddatum van het bindend advies.   De commissie draagt de consument op haar vorderingsrechten jegens de ‘jongeman’ inzake de twee telefoons bij akte van cessie overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:94 BW over te dragen aan de ondernemer.   De commissie wijst het meer of anders verlangde af.   Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 50,– aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.   Met in achtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag ad € 337,86 aan de consument terugbetaald.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Telecommunicatie op 4 februari 2010.