Commissie: Zelfstandige Klinieken
Categorie: bejegening/ zorgvuldigheid/ zorgverlening
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1313729/1329223
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De uitspraak betreft een klacht van een cliënt die stelt dat hij voorafgaand aan een staaroperatie onvoldoende is geïnformeerd over bij hem vastgestelde maculadegeneratie en de mogelijke gevolgen daarvan. Nadat zijn zicht in het linkeroog sterk achteruitging, hield hij de zorgaanbieder daarvoor aansprakelijk en verzocht hij om een schadevergoeding van € 25.000,-. De commissie oordeelt dat voldoende aannemelijk is dat de maculadegeneratie voorafgaand aan de operatie met de cliënt is besproken. Daarnaast was de staaroperatie medisch geïndiceerd en zorgvuldig uitgevoerd. De latere verslechtering van het zicht werd veroorzaakt door een exsudatieve maculadegeneratie en kan niet aan de operatie worden toegeschreven. Omdat niet is gebleken van onzorgvuldig handelen en een causaal verband ontbreekt, wordt de klacht ongegrond verklaard en de schadevergoeding afgewezen.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
de heer [naam cliënt], wonende te [woonplaats]
(hierna te noemen: de cliënt)
en
Bergman Clinics Zorg, gevestigd te Naarden
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026 te Utrecht.
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van dienstverlening van de zorgaanbieder rond de bij de cliënt uitgevoerde staaroperatie op 25 oktober 2022.
Standpunt van de cliënt
De cliënt is door de huisarts verwezen naar de zorgaanbieder nadat tijdens een keuring een nauwe kamerhoek in het linkeroog werd vastgesteld, hetgeen duidde op risico op verhoogde oogdruk. Op 25 oktober 2022 heeft de cliënt bij de zorgaanbieder een staaroperatie ondergaan. Voorafgaand aan de staaroperatie is door de behandelend arts een uitgebreid vooronderzoek uitgevoerd, waarbij maculadegeneratie werd geconstateerd. Deze bevinding is echter niet met de cliënt besproken, evenmin het verhoogde risico op verdere oogschade bij een staaroperatie. De cliënt stelt dat hij, indien hij hierover wél was geïnformeerd, een andere keuze zou hebben gemaakt. Na de operatie heeft hij vrijwel geen zicht meer in het linkeroog, hetgeen leidt tot aanzienlijke beperkingen in het dagelijks functioneren en een vermindering van levensvreugde. De arts heeft aangegeven dat het ontstane letsel niet meer te herstellen is. De cliënt houdt zowel de zorgaanbieder als de behandelend arts aansprakelijk voor onzorgvuldig handelen en vordert een schadevergoeding van € 25.000, –.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
De zorgaanbieder betwist dat de cliënt onvoldoende is ingelicht voorafgaande aan de eerste staaroperatie over het risico van de exsudatieve maculadegeneratie. De complicatie die zich heeft voorgedaan kan immers niet worden gerelateerd aan de staaroperatie. De zorgaanbieder kon de cliënt niet voor die complicatie waarschuwen, althans niet als risico van de staaroperatie. De zorgaanbieder betwist ook de juistheid van de stelling van de cliënt dat indien hij over deze mogelijke complicatie wel zou zijn gewaarschuwd, hij een andere keuze zou hebben gemaakt. Vaststaat dat de cliënt, toen hij bekend was met de complicatie die hij zelf relateert aan de staaroperatie links, de staaroperatie rechts ook heeft laten
uitvoeren. Vanuit dit perspectief bezien is het niet geloofwaardig dat de cliënt de operatie links niet zou hebben laten verrichten, indien hij anders of meer geïnformeerd zou zijn voorafgaande aan die operatie. Op grond van het voorgaande wordt betwist dat jegens de cliënt onzorgvuldig is gehandeld en subsidiair dat de cliënt dientengevolge schade heeft geleden. Dat de cliënt schade heeft geleden staat weliswaar vast en die schade is zonder meer ernstig te noemen maar die schade staat los van de behandelingen die de cliënt in de kliniek van de zorgaanbieder heeft ondergaan. Die schade zou ook zonder de operatie aan het linkeroog zijn ontstaan. Er zijn geen gronden om aan de cliënt een schadevergoeding toe te wijzen, nog daargelaten dat de cliënt zijn schade onvoldoende onderbouwd heeft.
Beoordeling van het geschil
Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende beoordelingskader.
De overeenkomst die is gesloten tussen de cliënt en de zorgaanbieder is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener – in dit geval de behandelend oogarts – de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen. Daarbij moet de hulpverlener handelen in overeenstemming met de op hem/haar rustende verantwoordelijkheid, die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt. De commissie dient te onderzoeken of de oogarts bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden al dan niet de hiervoor omschreven zorgplicht heeft nageleefd.
De cliënt stelt dat hij voorafgaand aan de staaroperatie aan zijn linkeroog onvoldoende is geïnformeerd over de aanwezigheid van maculadegeneratie en de mogelijke risico’s daarvan in relatie tot de operatie. Volgens klager zou hij, indien hij volledig was geïnformeerd, hebben afgezien van de ingreep. Na de operatie heeft de cliënt vrijwel al het zicht in zijn linkeroog verloren. De zorgaanbieder betwist dat sprake is van onzorgvuldig handelen en stelt dat de verslechtering van het zicht niet het gevolg is van de staaroperatie, maar van een exsudatieve maculadegeneratie die zich nadien heeft ontwikkeld en die niet gerelateerd is aan de ingreep.
Partijen verschillen van mening over de vraag of de maculadegeneratie voorafgaand aan de operatie met de cliënt is besproken. De commissie stelt vast dat de maculadegeneratie in het medisch dossier is vermeld. De commissie mag uitgaan van de juistheid van het medisch dossier, tenzij concrete aanwijzingen bestaan dat dit onjuist is. Die aanwijzingen zijn niet gebleken. De commissie acht daarom aannemelijk dat de maculadegeneratie met de cliënt is besproken.
In het dossier is niet vermeld dat specifieke risico’s van maculadegeneratie in verband met de staaroperatie zijn besproken. De commissie overweegt echter dat bij een droge vorm van maculadegeneratie, zoals bij de cliënt, geen contra indicatie bestaat voor een staaroperatie. Het omslaan van een droge naar een natte vorm van de maculadegeneratie zoals bij de cliënt is gebeurd, is niet voorspelbaar en wordt volgens de medische literatuur niet veroorzaakt door een staaroperatie.
De operatie was medisch geïndiceerd vanwege het risico op acuut glaucoom. Er bestond geen verplichting om de cliënt te waarschuwen voor een risico dat medisch gezien niet aan de operatie kan worden toegeschreven.
De commissie volgt de zorgaanbieder in haar uitleg dat lensvervanging een betere en duurzamere oplossing is dan een laser iridotomie bij dreigend glaucoom en dat hierbij de wetenschappelijke richtlijnen zijn gevolgd. Voor het overige heeft de commissie geen aanwijzingen dat de operatie niet zorgvuldig is uitgevoerd.
De verslechtering van het zicht links is het gevolg van een exsudatieve maculadegeneratie. De commissie stelt vast dat deze aandoening niet wordt veroorzaakt door een staaroperatie en dat er sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De schade zou ook zijn ontstaan zonder de operatie.
Er is daarom geen causaal verband tussen de operatie en de schade. Omdat geen sprake is van onzorgvuldig handelen en geen causaal verband bestaat tussen de operatie en de schade, ontbreekt de grondslag voor toekenning van schadevergoeding.
De commissie komt tot het oordeel dat de zorgaanbieder de cliënt voldoende heeft geïnformeerd, de staaroperatie medisch geïndiceerd was en zorgvuldig is uitgevoerd, de verslechtering van het zicht niet aan de operatie kan worden toegeschreven en er derhalve geen sprake is van tekortschieten in de zorgverlening.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht ongegrond;
– wijst af de vordering tot schadevergoeding.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer prof. dr. G.P.M. Luyten, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 23 juni 2026.