Verzoek tot afsluiting gas = opzegging; i.s.m. schadevergoeding

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Energie    Categorie: Overeenkomst    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ENE05-2890

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de door de consument gewenste verwijdering van de gasaansluiting.

De consument heeft de klacht in september 2005 voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

De consument gebruikt in het hele (door haar gehuurde) huis geen gas meer.
Doordat een eenvoudige afsluiting van het gas niet wordt toegestaan door de ondernemer, is de consument gehouden jaarlijks vastrecht te betalen. Dit kan volgens de ondernemer alleen dan worden voorkomen indien de gasmeter en de gasleiding tot aan de hoofdleiding in de straat worden verwijderd, hetgeen de consument een bedrag van ongeveer € 380,– zou kosten.

De consument verlangt zonder hoge kosten te worden afgesloten van de aansluiting op het gasnet.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

De consument heeft in feite de keuze uit twee mogelijkheden: of zij blijft vastrecht betalen, of zij laat de gasaansluiting in zijn geheel verwijderen. Het verwijderen van de gehele gasaansluiting geschiedt alleen in opdracht van de huiseigenaar en dat betekent in het geval van de consument dat de verhuurder de opdracht dient te verstrekken. Bij een verhuizing wordt de levering slechts stopgezet; afsluiting gebeurt alleen in geval van wangedrag door de klant.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie begrijpt het verzoek van de consument tot afsluiting van de toevoer van gas als een opzegging van de overeenkomst met de ondernemer betreffende de aansluiting op het gasnet. Een dergelijke overeenkomst moet worden gezien als een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Krachtens het bepaalde in artikel 7:408, leden 1 en 3, BW kan de consument de overeenkomst te allen tijde opzeggen en is zij in geval van opzegging geen schadevergoeding aan de ondernemer verschuldigd. Deze bepalingen zijn blijkens artikel 7:413 BW van dwingend recht nu de consument de opdracht als natuurlijk persoon en anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft verstrekt.

Volgens de ondernemer heeft de consument in feite de keuze uit twee mogelijkheden: of zij blijft vastrecht betalen, of zij laat de gasaansluiting in zijn geheel verwijderen. De eerste mogelijkheid betekent evenwel dat de overeenkomst in stand blijft, terwijl de consument deze nu juist wil beëindigen. In de visie van de ondernemer kan de consument de overeenkomst derhalve slechts beëindigen door de gasaansluiting te laten verwijderen. Voor een dergelijke verwijdering is, zoals de ondernemer zelf heeft gesteld, de toestemming van de verhuurder van de woning van de consument vereist. Een dergelijke voorwaarde is een beperking van de opzeggingsbevoegdheid van de consument als bedoeld in artikel 7:408 lid 1 BW. Voor zover een dergelijke toestemming niet vereist zou zijn, geldt dat de ondernemer, naar hij stelt, slechts tot het verwijderen van de gasaansluiting bereid is indien de consument daarvoor een – niet onaanzienlijke – vergoeding betaalt. De commissie is van oordeel dat de ondernemer ook met deze voorwaarde de opzeggingsbevoegdheid van de consument als bedoeld in artikel 7:408 lid 1 BW op een wezenlijke manier beperkt. De eis dat de consument voor de verwijdering van de gasaansluiting een dergelijke vergoeding betaalt, kan bovendien worden gezien als een met de opzegging samenhangende en daarmee volgens artikel 7:408 lid 3 niet toegestane schadevergoeding.

De commissie acht de geconstateerde beperkingen in strijd met dwingend recht en derhalve vernietigbaar op de voet van artikel 3:40 lid 2 BW.
De commissie vat de stellingen van de consument zo op dat de consument deze beperkingen ook daadwerkelijk vernietigt. Daarmee ontbreekt voor de ondernemer de mogelijkheid om kosten in rekening te brengen voor de beëindiging van de overeenkomst door middel van opzegging. De commissie overweegt ten overvloede dat het aan de ondernemer is om de gasaansluiting op eigen kosten te verwijderen, dan wel de kosten hiervoor te trachten te verhalen op de verhuurder of de aansluiting in stand te laten, maar stelt vast dat de ondernemer de consument niet langer vastrecht in rekening mag brengen. Voorts staat het de ondernemer vrij om, indien de consument op een later moment alsnog aansluiting op het gasnet zou wensen, (her-)aansluitingskosten in rekening te brengen, in welk bedrag zowel de kosten voor het verwijderen van de gasaansluiting als de kosten voor het hernieuwd aanbrengen van de gasaansluiting verdisconteerd zou kunnen worden.

Nu de klacht gegrond is, dient de ondernemer de consument het klachtengeld te vergoeden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De overeenkomst tussen de consument en de ondernemer is door opzegging door de consument beëindigd.

De ondernemer is niet gerechtigd de consument nog langer vastrecht in rekening te brengen.

De ondernemer is niet gerechtigd de consument een vergoeding in rekening te brengen indien hij tot verwijdering van de gasaansluiting overgaat.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25,– aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld. Betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies. Indien betaling niet tijdig plaatsvindt, betaalt de ondernemer bovendien de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de verzenddatum van het bindend advies.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie als bijdrage in de behandelingskosten van het geschil een bedrag verschuldigd van € 25,–.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie en Water op 10 februari 2006.