Commissie: Energie
Categorie: Verbruik / voorschotten
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1189794/1318731
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument vond het onterecht dat haar maandelijkse voorschot werd verhoogd van € 100 naar € 132, omdat haar verwarming in de eerste maanden niet goed werkte en de koudevoorziening volgens haar defect was. De ondernemer legde uit dat het nieuwe voorschot is gebaseerd op het daadwerkelijke gemiddelde verbruik en dat de consument al door haar verhuurder is gecompenseerd voor het verwarmingsprobleem, dat bovendien in het deel van de installatie zat waarvoor de verhuurder verantwoordelijk is. De commissie volgt dit: het verbruik past bij een gemiddeld huishouden en de consument heeft niet onderbouwd dat het voorschot te hoog is. Haar vergelijking met de buurvrouw laat zelfs zien dat het bedrag logisch is. Ook over de koudevoorziening is geen bewijs van een gebrek geleverd, en het is niet duidelijk of een eventueel probleem onder verantwoordelijkheid van de ondernemer zou vallen. Daarom wordt de klacht ongegrond verklaard en ontvangt de consument geen deel van het depot terug.
De volledige uitspraak
Samenvatting
Klacht over verhoging maandelijks voorschot en niet werkende koudevoorziening. Ongegrond.
Beoordeling
De consument betaalt sinds het sluiten van de overeenkomst een maandelijks voorschot van € 100,-. De consument klaagt erover dat haar maandelijkse voorschot bij de jaarafrekening van 2 februari 2025 is verhoogd naar € 132,-. Volgens consument komt dat niet overeen met haar daadwerkelijke verbruik, omdat de eerste twee maanden dat zij in de woning woonde de verwarming defect was. Daarom mag aan consument ook geen vastrecht in rekening worden gebracht. Bovendien betaalt haar buurvrouw, die in eenzelfde woning woont een voorschot van € 140,- per maand. Verder werkt de koudevoorziening ook niet, aldus consument.
De ondernemer heeft aangevoerd dat het nieuwe voorschot in overeenstemming is met het daadwerkelijke gemiddelde verbruik van de consument in de voorafgaande periode. Volgens de ondernemer werkt de koudevoorziening, voor zover die onder verantwoordelijkheid van de ondernemer valt wel. Tot slot heeft de ondernemer erop gewezen dat de consument voor het niet werken van de verwarming al middels huurkorting door haar verhuurder is gecompenseerd. Dit omdat inderdaad wel een gebrek is aangetroffen, maar dat zat in het deel van de installatie dat onder de verantwoordelijkheid van de verhuurder valt.
De commissie stelt vast dat de consument inderdaad door de verhuurder is gecompenseerd voor het gebrek aan de verwarmingsinstallatie. De stelling van de consument dat de periode dat haar verwarming niet (naar behoren) werkte per definitie betekent dat haar verbruik niet zo hoog kan zijn geweest dat dat het nieuwe voorschot zou rechtvaardigen, heeft de consument niet voldoende onderbouwd. Integendeel; uit de vergelijking die de consument zelf met haar buurvrouw maakt volgt dat het nieuwe voorschot weldegelijk passend kan zijn bij het historisch verbruik van consument. De buurvrouw woont immers in een vergelijkbare woning, aldus de consument, en de commissie begrijpt dat de consument meent dat het verbruik in beide woningen dus ook vergelijkbaar moet zijn. Deze redenering van de consument volgend (die behoudens persoonlijke voorkeuren van afzonderlijke bewoners qua omgevingstemperatuur etc. niet per definitie onlogisch is) zou de consument dus ook een vergelijkbaar voorschot moeten betalen. In die zin past de verhoging van het voorschot van de consument naar een voorschot dat dichter bij dat van de buurvrouw ligt perfect in de redenering van de consument. De commissie merkt daarbij op dat, nog steeds de redenering van de consument volgend, de omstandigheid dat het voorschot van de consument nog steeds lager blijft (€ 132,-) dan dat van de buurvrouw (€ 140,-) verklaard zou kunnen worden door de periode dat de consument haar verwarming wegens het daaraan aanwezige gebrek niet heeft kunnen gebruiken.
Daar komt bij dat uit de door de ondernemer overgelegde gegevens volgt dat het verbruik van de consument past bij het gemiddeld verbruik voor een huishouden als het hare en dat niet gesteld of gebleken is dat sprake is van fouten in de meting van het verbruik.
Ten aanzien van de koudevoorziening merkt de commissie op dat de stelling dat deze niet zou werken door de consument niet feitelijk is onderbouwd. Daar komt bij dat zonder enig onderzoek (dat dus ontbreekt) niet kan worden uitgesloten dat, als er al een gebrek aan de installatie aanwezig is, dat gebrek ook gelegen kan zijn in het gedeelte van die installatie dat onder de verantwoordelijkheid van de verhuurder valt. Net zoals dat het geval was bij de verwarming. In elk geval kan in deze procedure niet worden vastgesteld dat aan de koudevoorziening een gebrek kleeft waar de ondernemer voor verantwoordelijk is.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
Verklaart de klacht ongegrond.
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.
Depotverrekening, bedrag aan ondernemer € 780,-.
Depotverrekening, bedrag aan consument € 0,-.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. J.B. Smits, voorzitter, de heer mr. F.J. Pirard, de heer drs. L. van Rootselaar, leden, op 8 januari 2026.