Commissie: Installerende bedrijven
Categorie: Overig
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: deels gegrond
Referentiecode:
403107/517222
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument klaagde over onderhoud en reparatie van zijn warmtepomp. Hij vond dat het onderhoud te laat was uitgevoerd, dat er zonder overleg extra kosten waren berekend en dat een nieuwe ventilator al na één dag kapot ging. Ook wilde hij niet betalen voor een inspectie die volgens hem het gevolg was van fouten van de ondernemer. De commissie oordeelde dat de klacht over het onderhoudsabonnement niet behandeld kan worden, omdat dit onder de regels van de commissie valt. Wel moet de ondernemer zijn toezegging nakomen om een deel van het abonnement terug te betalen. De kosten voor het vervangen van de ventilator (€ 1.604,–) zijn grotendeels terecht, maar de consument hoeft het deel van € 200,– voor het schoonmaken van de ontluchter niet te betalen, omdat daar geen opdracht voor was. Ook hoeft de consument de factuur van € 279,99 voor de inspectie niet te betalen, omdat niet duidelijk is dat dit voor zijn rekening was.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan een Nibe F 130 warmtepomp L/W.
De consument heeft een bedrag van € 1.883,99 niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. De consument heeft zijn klachten als volgt geformuleerd:
Klacht 1
De ondernemer is nalatig geweest in het tweejaarlijks onderhoud ondanks dat consument x keren contact heb gehad over inplannen van het onderhoud. De eerste inspectie voor aanname onderhoudscontract was op 11 maart 2021. Na meerdere keren contact en verzoek om eerste onderhoud vond de inspectie eerst op 11 maart 2024 plaats, dus drie jaar later.
Hieruit volgt dat consument een jaar heeft betaald voor onderhoud dat niet heeft plaatsgevonden, waarvoor consument volledig gecompenseerd wil worden.
Klacht 2
Bij inspectie op 11 maart 2024 is vastgesteld dat de ventilator defect was. De monteur kon dit zien zonder het toestel te openen. Er is namens de ondernemer gezegd dat als de ventilator werd vervangen, er geen ander onderhoud meer nodig zou zijn en dat de unit als nieuw zou werken. De kosten zouden € 1.200,– bedragen.
Na het plaatsen van een nieuwe ventilator op 16 april 2024 kreeg consument een rekening van € 1.604,–. Hiervan heeft consument aangegeven dat het niet volgens afspraak was. Hierin is ondernemer ons tegemoet gekomen en heeft het bedrag iets aangepast. Wel rekent ondernemer ongeveer € 200,– voor het schoonmaken van verstopte ontluchter waar consument nooit van op de hoogte is gebracht en niet op een bon staat. De monteur had gezegd dat er geen extra kosten zouden zijn. Consument vindt niet dat ze zonder overleg een hoger bedrag in rekening mogen brengen.
Klacht 3
De nieuwe ventilator is binnen een dag kapot gegaan. De ondernemer stelt dat dit komt door bouwstof.
Voor het onderhoud was begonnen, stond de ventilator al ruim 1,5 maand uit in verband met een defecte ventilator. Door de verhuizing van de consument was het huis niet bewoond. Bovendien werd er verbouwd door de nieuwe bewoners die de woning op 5 februari 2024 hadden gekocht.
De monteurs hebben de ventilator aangezet en niet uitgezet nadat ze het onderhoud hadden uitgevoerd. De aangelaten ventilator is vervolgens binnen één dag kapotgegaan terwijl zij wisten dat het huis verbouwd werd. Daar stonden ze midden in. De nieuwe bewoners hebben het systeem de volgende ochtend uitgeschakeld nadat het veel lawaai maakte. Het kapotgaan van de ventilator is naar inziens van de consument de fout van de ondernemer. Consument wilt dus geen kosten betalen voor het vaststellen van het opnieuw kapotgaan van de ventilator en vind ook niet dat consument de kosten voor de reparatie moet betalen voor iets wat niet verholpen is.
De consument wenst vaststelling dat hij de factuur van 2 mei 2024 ad € 1.604,– niet verschuldigd is, omdat de daarbij in rekening gebrachte ventilator al na één dag defect was door toedoen van de ondernemer en omdat hij geen opdracht heeft gegeven voor het schoonmaken van de ontluchter.
Voorts wenst hij vaststelling dat hij de factuur van 2 mei 2024 ad € 279,99 niet verschuldigd is, omdat de daarbij in rekening gebrachte inspectie van de (vernieuwde) ventilator op 29 april 2024 een gevolg is van een defect dat door toedoen van de ondernemer is opgetreden.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De ondernemer erkent dat het tweejarig onderhoud te laat is uitgevoerd, maar dat dit deels te wijten is aan het feit dat de consument niet heeft gereageerd op het eerste verzoek voor de planning van het onderhoud. Indien hij wel gereageerd had, had het onderhoud twee kwartalen te laat plaatsgevonden. De ondernemer biedt aan een tegemoetkoming te geven in de kosten van het serviceabonnement voor twee kwartalen.
Bij de vervanging van de ventilator op 16 april 2024 is geconstateerd dat de ontluchting verstopt was en dat het toestel van de muur gehaald moest worden. Dit is op de getekende werkbon vermeld. Daarna is de installatie werkend achtergelaten.
Bij de inspectie op 29 april 2024 is geconstateerd dat het systeem wederom ernstig vervuild was en het filter dicht zat met bouwstof. In de badkamer was het afzuigventiel verwijderd en niet dicht gemaakt. Hierdoor is al het bouwstof in de installatie terecht gekomen waardoor ook de nieuwe ventilator defect is geraakt. Daarvoor acht de ondernemer zich niet aansprakelijk.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Met betrekking tot het te laat uitvoeren van het tweejaarlijkse onderhoud heeft te gelden dat de consument in zijn klacht in zoverre niet ontvankelijk is op grond van artikel 5 aanhef en sub c van het reglement van de commissie: ‘De commissie verklaart de consument in zijn klacht ambtshalve niet ontvankelijk indien het geschil voortvloeit uit een onderhouds- of serviceabonnement’.
Dit laat overigens onverlet dat de ondernemer jegens de consument gehouden is zijn toezegging gestand te doen om een tegemoetkoming te geven in de kosten van het serviceabonnement voor twee kwartalen.
Met betrekking tot de verschuldigdheid van de factuur van 2 mei 2024 ad € 1.604,– oordeelt de commissie als volgt. Vaststaat dat de consument de ventilator op 16 april 2024 heeft laten vervangen door de ondernemer en dat deze daarna werkend is geweest. De daaraan verbonden kosten is hij daarom verschuldigd. Dat deze ventilator een dag later wederom defect was, had niet tot oorzaak dat de ventilator op 16 april 2024 ondeugdelijk of ondeugdelijk gemonteerd was. Wat het schoonmaken van de verstopte ontluchter betreft is niet gebleken dat de consument daartoe opdracht heeft gegeven, zodat het daarvoor berekende bedrag van € 200,– niet door de consument verschuldigd is.
Uit de eigen stellingen van de ondernemer blijkt dat de inspectie op 29 april 2024 is gebeurd nadat daartoe met de nieuwe bewoner/eigenaar van de woning een afspraak was gemaakt. De ondernemer heeft niet toegelicht welke werkzaamheden alstoen zijn verricht en of deze voor rekening van de consument zijn geweest. Bij gebreke van een en ander is de factuur van 2 mei 2024 ad € 279,99 niet door de consument verschuldigd.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ten dele gegrond is.
Daarom wordt als volgt beslist.
Beslissing
Verklaart de consument niet ontvankelijk in zijn klacht met betrekking tot het onderhoudsabonnement.
Acht een gedeelte van € 200,– van de factuur van 2 mei 2024 ad € 1.604,– niet door de consument verschuldigd.
Acht de factuur van 2 mei 2024 ad € 279,99 niet door de consument verschuldigd.
Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van
€ 127,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.
Aan de consument komt toe: € 479,99;
Aan de ondernemer komt toe: € 1.404,–.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Installerende Bedrijven, bestaande uit de heer mr. R.J. van Boven, voorzitter, de heer R.A. Timmer, mevrouw mr. W. van den Berg, leden, op 27 februari 2025.