Commissie: Energie
Categorie: Levering
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1281501/1311920
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument vond dat hij recht had op ruim € 4.700 compensatie omdat hij van 4 oktober tot 13 november 2024 geen warmte zou hebben gehad. De ondernemer erkende later dat er wél een volledige storing was, maar alleen van 4 tot 16 oktober. Daarna was de warmtelevering volgens de ondernemer hersteld en was er alleen sprake van verminderde levering. De commissie vindt dat de consument niet heeft bewezen dat de verwarming na 16 oktober nog volledig uitviel. De verbruikscijfers ondersteunen dat ook niet. Wel rekent de commissie het de ondernemer aan dat hij pas na de klacht zijn standpunt corrigeerde. Daarom wordt het coulancevoorstel van de ondernemer — een vergoeding van € 1.540 — als redelijk beoordeeld. De klacht is gegrond, maar de consument krijgt niet het volledige bedrag dat hij eiste.
De volledige uitspraak
Samenvatting
Het geschil betreft de door de consument verlangde vergoeding van de ondernemer als gevolg van een storing van de warmtelevering aan het adres van de consument.
De consument heeft de klacht op 4 oktober 2024 aan de ondernemer voorgelegd.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Vanaf 4 oktober 2024, 15.52 uur tot en met 13 november 2024 leverde de ondernemer als gevolg van een storing geen warmte aan de woning van de consument.
Op grond van artikel 4 van de Warmteregeling maakt de consument aanspraak op een compensatie. De storing heeft 962,05 uur geduurd. Dit leidt tot een vergoeding van € 4.775,-. De ondernemer geeft aan dat op grond van de meetgegevens er geen sprake is geweest van een volledige onderbreking van de levering, maar van een verminderde levering en kende slechts een vergoeding van enkel het vastrecht toe, afgerond op € 90,-.
In de periode van de storing heeft de consument enkel warm tapwater geleverd gekregen, maar geen warmte. Dit is (ook) aan te merken als een ernstige storing.
De ondernemer spreekt zich tegen. Men stelt vast dat er van 4 oktober 2024 tot en met 16 oktober 2024 bij nader inzien een volledige onderbreking van de levering is geweest, maar stelt tevens dat na de reparatie op 16 oktober 2024 de levering van warmte is hersteld en dat de defecte servomotor geen invloed had op de levering van warmte, maar enkel op de levering van warm tapwater. Dat is volgens de consument onjuist. De monteur die op 16 oktober 2024 langs geweest is heeft de klep op een stand gezet, waardoor de consument wel warm tapwater had, maar geen warmte. Na dit bezoek werd een lekkage geconstateerd en moest de consument de toevoer van warm water afsluiten. De volgende dag is de monteur geweest en was weer sprake van warmtapwater, maar nog niet van warmte.
Het verhaal van de ondernemer past ook niet bij de verbruiksgegevens van de consument. Het verbruik in oktober was slechts weinig hoger dan in september, terwijl het veel kouder was. Daaruit blijkt dat de verwarming het tot 13 november 2024 niet heeft gedaan.
Het door de ondernemer aangehaalde arrest van Hof [plaatsnaam] ziet niet op een plotselinge onderbreking, maar op een onderbreking die is voorzien in verband met onderhoudswerkzaamheden.
De ondernemer dient de consument voor de gehele periode te compenseren.
Ter (digitale) zitting heeft de consument voor zover van belang nog het volgende naar voren gebracht.
De consument blijft erbij dat hij geen verwarming heeft gehad, maar enkel warm tapwater. Het ging niet om onderhoud, maar om een storing. De ondernemer heeft nooit een behoorlijke uitleg gegeven en is nooit het gesprek met de consument aangegaan.
De consument ziet in de verbruikscijfers een bevestiging van zijn standpunt. Hij heeft nog geen enkel bedrag van de ondernemer ontvangen.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
In eerste instantie gaf de ondernemer aan dat geen sprake is geweest van een “ernstige storing” in de zin van de Warmtewet, maar van “verminderde” levering. Nadat de leveringsdata nogmaals waren bekeken heeft de ondernemer deze conclusie herzien. Als gevolg daarvan heeft de ondernemer op 21 oktober 2025 een voorstel gedaan en dit uitgebreid toegelicht. Er is van 4 oktober 2024 tot en met 16 oktober 2024 sprake geweest van een volledige onderbreking van de levering, te weten een ernstige storing met betrekking tot de levering van warmte in de woning van de consument. De melding werd gedaan op 4 oktober om 15.42 uur en op 16 oktober 2024 om 09,10 uur heeft de monteur van de ondernemer een noodreparatie gedaan waardoor de warmtelevering hervat kon worden. Op 13 november 2024 is de noodoplossing opgelost door het vervangen van de kleppenmotor.
Op 16 oktober 2024 is ook de levering van warm tapwater hersteld, omdat de consument vanaf dat moment zowel verwarming als warm tapwater geleverd kreeg.
De ondernemer wilde coulance betrachten met haar voorstel en heeft onverplicht de periode van
16 oktober tot 14 november 2024 als “verminderde levering” aangemerkt. In totaal stelde de ondernemer een totale compensatie van € 1.540,- voor. De consument wilde dit niet accepteren.
De ondernemer blijft bij dit voorstel.
Ter (digitale) zitting heeft de ondernemer voor zover van belang nog het volgende naar voren gebracht.
De (defecte) servomotor regelt alleen de levering van warm tapwater. Deze motor maakt deel uit van de afleverset. Nadat de klep door de monteur was opengezet werd de levering van warmtapwater hervat. Hierna was weer sprake van de levering van zowel verwarming als warm tapwater. Nadat de klep was opengezet bleef de warmtewisselaar haar werk doen. Er bleef een volledig vermogen over om het water tot ongeveer 60 graden te verwarmen.
De ondernemer volgt de onderhoudsinstructies van de leveranciers van de apparatuur.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
In dit geschil klaagt de consument over de door de ondernemer aangeboden vergoeding na een opgetreden warmtestoring.
De commissie stelt vast dat de ondernemer, na het indienen van de klacht van de consument, is teruggekomen op het standpunt dat geen sprake is geweest van een volledige onderbreking van de levering van warm tapwater.
Het vervolgens aan de consument gedane voorstel tot een vergoeding van in totaal € 1.540,- komt de commissie als redelijk over. Met name nu de consument naar het oordeel van de commissie niet aan de hand van de overgelegde verbruikscijfers of op andere gronden heeft kunnen aantonen dat sprake is geweest van een volledige onderbreking van de warmtelevering tot 14 november 2024, nadat op 13 november 2024 de servomotor was vervangen. De consument ontkent niet dat de monteur op 16 oktober 2024 een noodreparatie heeft uitgevoerd, maar stelt, naar de commissie begrijpt, dat die reparatie geen soelaas heeft geboden. Ook heeft de consument niet, althans niet gemotiveerd, betwist dat de servomotor de levering van warm tapwater regelde en niet de levering van warmte en erkent hij na 16 oktober 2024 weer de beschikking te hebben gehad over warm tapwater.
Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden bestaat er geen grond om de consument een vergoeding toe te kennen voor de gehele periode van 4 oktober tot 14 november 2024.
De omstandigheid dat de ondernemer eerst na het indienen van de klacht bij de commissie het eerder ingenomen standpunt heeft herzien en alsnog is uitgegaan van een volledige onderbreking van de levering van 4 oktober 2024 – 16 oktober 2024 brengt mee dat de klacht van de consument wel gegrond is, maar dat deze na de (verdere) beoordeling door de commissie niet tot toewijzing van het volledige door de consument verlangde bedrag leidt, maar tot een vergoeding overeenkomstig het voorstel van de ondernemer.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De ondernemer betaalt een vergoeding van € 1.540,- aan de consument. De betaling dient plaats te vinden binnen 4 weken na de verzenddatum van dit bindend advies.
De commissie wijst het meer of anders verlangde af.
Bovendien is de ondernemer gehouden het door de consument betaalde klachtengeld van € 52,50 aan hem te vergoeden.
Voorts wordt aan de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bijdrage in de behandelingskosten in rekening gebracht.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, mevrouw mr. W.N. Kip, de heer drs. L. van Rootselaar, leden, op 14 januari 2026.