Commissie: Energie
Categorie: wijze van berekening kosten warmte verbruik
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
771588/974571
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument betwistte het berekende warmteverbruik van 30 GJ over de periode juli 2023 tot juli 2024, dat volgens hem 350% hoger lag dan het jaar ervoor. Hij vroeg om een onderzoek en aanpassing van de facturen. De ondernemer verwees naar vaststaande meterstanden en stelde dat het gemiddelde verbruik sinds 2021 consistent was, ook na de metervervanging in januari 2024. De Geschillencommissie Energie oordeelde dat de meterstanden niet ter discussie staan en dat het verbruik niet afwijkend is. De klacht werd ongegrond verklaard en het depotbedrag van € 779,75 werd aan de ondernemer uitgekeerd.
De volledige uitspraak
Samenvatting
De consument stelt dat het over 2023/2024 berekende warmteverbruik niet kan kloppen omdat zulks aanzienlijk afwijkt van het berekende verbruik in het jaar daarvoor.
Beoordeling
De consument klaagt erover dat de jaarrekening 31 juli 2023 tot 27 juli 2024 een warmteverbruik liet zien van 30 GJ, dat aanzienlijk hoger is dan het verbruik in het voorgaande jaar (de consument stelt 350% hoger). De consument wenst gedetailleerde gegevens over het verbruik in 2023/2024, een onderzoek door de ondernemer en aanpassing van de facturen. De ondernemer wijst erop dat uit de vaststaande beginstand van 21 juli 2021 (aanvang overeenkomst) en de vaststaande stand van de op 24 januari 2024 verwisselde meter een gemiddeld verbruik per jaar blijkt van 22 GJ. Het verbruik na de meterverwisseling (24 januari 2024 tot 15 maart 2024) bedroeg omgerekend naar een jaarverbruik 19,5 GJ. Hij is niet gehouden een verklaring aan te dragen over het wisselende verbruik per jaar, doch hij veronderstelt dat in voorgaande jaren de eigen opgaven van de consument wellicht onjuistheden bevatten omdat het gemiddeld verbruik niets bijzonders laat zien ten opzichte van het verbruik na de meterverwisseling.
De commissie overweegt dat de meterstanden niet ter discussie staan. Ware dat anders dan was ijking van de meter aan de orde, doch dat speelt nu niet. De meterstanden zijn bepalend voor het af te rekenen verbruik. Daarbij komt dat het berekende (gemiddelde) verbruik over de periode 2021-2024 niet afwijkend is van het verbruik na 24 januari 2024. Er is dan ook geen aanleiding anders te oordelen dan dat de vordering afgewezen moet worden.
Het in depot gestorte bedrag, dat ziet op de jaarrekening 2023/2024, dient dan ook aan de ondernemer uitgekeerd te worden.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.
Depotverrekening, bedrag aan ondernemer € 779,75
Depotverrekening, bedrag aan consument € 0
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, voorzitter, de heer ing. C. Verloop, de heer mr. P. P. van der Neut, leden, op 14 juli 2025.