Welke kosten mag ondernemer rekenen bij beëindiging overeenkomst?

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Particuliere Onderwijsinstellingen    Categorie: Kosten / Overeenkomst    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 13929/24615

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De ondernemer heeft de opleiding van de consument geannuleerd. Het geschil van partijen betreft de afrekening van die beëindiging. De ondernemer stelt zich op het standpunt dat de consument, naast de door hem gevolgde blokken, tevens het inschrijfgeld en de leermiddelen dient te betalen. De commissie stelt vast dat er uitgaande van de studeerconsumptie twee blokken in rekening gebracht mogen worden. Ingevolge artikel 7:411 BW kan de ondernemer aanspraak maken op een naar redelijkheid vast te stellen loon. De commissie is van oordeel dat daaraan is voldaan door dat loon vast te stellen op de vergoeding voor de twee gevolgde blokken. Namens de ondernemer zijn in het geheel geen gegevens in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat een hoger loon dan dit is verschuldigd. De commissie kiest er voor om de opstartkosten te bepalen op 10% van voormeld bedrag. Nu de consument de schuld reeds heeft betaald, is hij niets meer verschuldigd en kan hij het onverschuldigd betaalde terugvorderen. De klacht wordt gegrond verklaard.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
Het geschil vloeit voort uit een op 19 november 2018 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het toelaten van de consument tot de opleiding SMD per 19 november 2018. Per 1 mei 2019 heeft de ondernemer de opleiding van de consument geannuleerd (“Wegens verzuim uitgeschreven”). Het geschil van partijen handelt over de afrekening van die beëindiging.

De consument heeft op 21 oktober 2019 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument
Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

In november 2018 ben ik bij de ondernemer begonnen aan de opleiding SMD. In mei 2019 werd ik geconfronteerd met het nieuws dat ik door de ondernemer uitgeschreven zou worden en dat ik er niks meer aan kon doen om de opleiding te blijven volgen. Nu moet ik het bedrag van € 3.864,– betalen en daar ben ik het niet mee eens. In het nieuws las ik dat de ondernemer meerdere rechtszaken had verloren die over dezelfde kwestie gaan. Zelf heb ik ook een gelijksoortige uitspraak gelezen op www.rechtspraak.nl en heb ik de nieuwe algemene voorwaarden gelezen van de ondernemer en daar staat niks in over dat de student het bedrag voor de hele opleiding moet betalen. Ik heb hierover zonder resultaat een bezwaarschrift ingediend bij de ondernemer.

De consument verlangt te bepalen dat hij alleen kosten verschuldigd is te betalen tot het moment waarop hij gestopt is met de opleiding, en dus tot mei 2019.

Standpunt van de ondernemer
Het standpunt van [naam], kennelijk de gemachtigde van de ondernemer, luidt blijkens het door haar ingediende verweerschrift in hoofdzaak als volgt.

De stelling van de consument dat de ondernemer de volledige opleidingskosten vordert is niet correct. De ondernemer heeft haar vordering op de consument namelijk herberekend en heeft alleen de lesblokken gevorderd die de consument heeft gevolgd. De ondernemer verwijst naar de bijgesloten herberekening waaruit dit blijkt.

Immers indien de consument de volledige vordering van de ondernemer had moeten betalen, had de vordering € 6.695,00 bedragen. Uit de herberekening blijkt dat de vordering van de ondernemer op de consument niet € 6.695,00 bedraagt, maar € 4.722,00. Uit de herberekening blijkt tevens dat de consument, naast de door hem gevolgde blokken, tevens het inschrijfgeld en de leermiddelen dient te betalen. De ondernemer stelt vast dat de consument al een groot deel van de vordering heeft voldaan. Zowel bij de ondernemer, als bij het door haar ingeschakelde incassobureau, heeft de consument betalingen verricht.

De ondernemer verwijst naar het onderstaande overzicht:
Oorspronkelijke hoofdsom – € 6.695,00
Creditering – € 1.972,80
Subtotaal – € 4.722,20
Buitengerechtelijke kosten – € 618,79
Wettelijke rente tot heden – € 133,25
Te betalen – € 5.474,24

Betaald bij de ondernemer € 2.756,00
Betaald bij de gemachtigde € 1.224,00
Totaal – € 3.980,00

Nog te betalen € 1.494,24

De consument heeft in diens klacht verwezen naar een uitspraak van de kantonrechter te Amsterdam, waarbij een gedeelte van de vordering van de ondernemer werd afgewezen. In die zaak had de student geen van de lessen gevolgd. De onderhavige kwestie is een andere. Hier heeft de consument wel lessen gevolgd en heeft de ondernemer onder andere aan de hand van de uitspraak van de kantonrechter te Amsterdam uitgerekend wat in dit geval een redelijk loon is en dat bij de consument in rekening gebracht.

De ondernemer is dan ook van mening dat de klacht afgewezen dient te worden.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Dat de consument een beëindigingsvergoeding is verschuldigd te betalen aan de ondernemer staat op zich niet ter discussie, wel de hoogte c.q. de berekening daarvan. In dit geschil hebben beide partijen hun standpunten (te) summier onderbouwd, zo moet de commissie van het hart. De commissie heeft het te doen met spaarzaam ingebrachte informatie zonder (verdere) toelichting. Op basis daarvan moet als volgt worden overwogen en beslist.

Uit het door de gemachtigde van de ondernemer in het geding gebrachte summiere overzicht blijkt voor zover hier relevant het volgende:
– startdatum opleiding: 19 november 2018;
– geplande einddatum opleiding: 19 februari 2020;
– datum einde opleiding door annulering: 1 mei 2019.

De opleiding (in totaal 15 maanden) bestaat in totaal uit 5 blokken waarbij elk blok 3 maanden in beslag neemt. De prijs per blok bedraagt € 1.233,00. De commissie trekt uit deze informatie – ook bij gebrek aan nadere toelichting – de conclusie dat de blokken achtereenvolgens en niet tegelijkertijd hadden moeten worden genoten.

De Algemene Voorwaarden mbo [naam ondernemer] bevatten in artikel 9 een “Annuleringsregeling”. Hier is relevant lid 5 van dat artikel dat als volgt luidt:

“9.5 De opdrachtgever/student is aan [ondernemer] een redelijk loon zoals bedoeld in artikel 7:411 BW verschuldigd in geval van elke andere annulering dan annulering conform artikel 6.8 (student wordt niet toegelaten), 9.3 (annulering binnen 14 dagen), 9.6 (niet doorgaan van de op-leiding) of 27.3 (bij prijsverhoging). Dit redelijk loon is afhankelijk van de reeds gemaakte kosten, het voordeel van de opdrachtgever/student en de reden voor annulering. Dit redelijk loon bestaat uit inschrijfkosten, opstartkosten (zoals activiteiten door ondersteunende afdelingen m.b.t. voorlichting/informatievoorziening en het verspreiden van informatiemateriaal, administratieve verwerking van de inschrijving, opzetten studentendossier, toezending van en opvolging op de door student in te sturen of aan te leveren documenten waaronder de onderwijsovereenkomst, indien van toepassing afname van een intaketoets en / of voeren van een intakegesprek, plannen en het samenstellen van de groepsindelingen, lesroosters en werving en planning van de docenten, het opzetten en inrichten van de studentaccount in de online leeromgeving, de voorbereidingen voor en uitvoering van de introductieweek, evenals alle aan bovenstaande zaken gerelateerde uitgaven zoals porto, online licentiekosten, kosten voor intaketoetsen, informatiemateriaal etc.) en onderwijskosten en wordt initieel als volgt vastgesteld.
(…..)
– Indien de opdrachtgever/student annuleert na start van de opleiding, is de opdrachtgever/student het redelijk loon bestaande uit het inschrijfgeld ter hoogte van € 75,= plus de opstartkosten plus onderwijskosten ter hoogte van het studiegeld van het aantal op het moment van annulering gestarte blokken verschuldigd. De annuleringsvergoeding zal nooit hoger zijn dan de overeengekomen opleidingsprijs.
– Tevens zijn bij annulering de volledige kosten van aan opdrachtgevers/student geleverde leermiddelen en kosten van het aan opdrachtgever/student geleverd online boekenpakket verschuldigd. Onder levering online boekenpakket wordt hier verstaan het door [ondernemer] aan de student verschaffen van de inlogcode waarmee de student toegang kan verkrijgen tot het boekenpakket. (…..)”

In artikel 26 van Algemene Voorwaarden van de ondernemer is voorts het volgende bepaald:

“Opzegging en ontbinding
26.1 In geval van opzegging van de overeenkomst van opdracht en daarmee tevens een eventuele ontbinding van de eventueel afgesloten onderwijsovereenkomst wegens een tekort koming in de nakoming van de verbintenis zijdens de student, daaronder begrepen betalings achterstand, is de student verplicht de door [ondernemer] gemaakte kosten ten gevolge van deze opzegging, te vergoeden.
26.2 De hoogte van de aan [ondernemer] verschuldigde kosten bedraagt in alle gevallen minimaal de annuleringskosten zoals vermeld in artikel 9.5.
26.3 Op de kostenvergoeding worden reeds betaalde termijnen van het studiegeld in mindering gebracht.”.

Toepassing van deze bepalingen – in onderlinge samenhang beschouwd – op de hier aan de ordezijnde tussentijdse beëindiging gedaan door de ondernemer, levert naar het oordeel van de commissie het volgende resultaat op.

De consument is in elk geval verschuldigd te betalen € 75,– (voor inschrijfgeld) en € 455,– (voor online leermiddelen). Uitgaande van een “studeerconsumptie” over alleen de periode van 19 november 2018 tot 1 mei 2019 wordt afrondend in het voordeel van de ondernemer uitgekomen op 6 maanden = 2 blokken à € 1.233,– = € 2.466,–.

Ingevolge artikel 7:411 BW kan de ondernemer aanspraak maken op een naar redelijkheid vast te stellen loon. De commissie is van oordeel dat daaraan is voldaan door dat loon vast te stellen op voormeld bedrag van € 2.466,–. Namens de ondernemer zijn in het geheel geen gegevens in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat een hoger loon dan dit is verschuldigd.

De “opstartkosten” bedragen kennelijk 10%. Dat deze verschuldigd zijn over “de prijs per jaar” is (ook) niet duidelijk geworden/gemaakt; is immers ook niet te lezen in voormelde annuleringsregeling. De commissie kiest er daarom voor om de opstartkosten te bepalen op 10% van voormeld bedrag van € 2.466,– = € 246,60. Meer dan twee blokken zijn kennelijk ook niet voor de consument opgestart. Bovendien is niet door de consument weersproken dat hij kennelijk opstartkosten verschuldigd is geworden.

Aldus is de consument in verband met deze beëindiging in totaal verschuldigd geworden: € 75,– + € 455,– + € 2.466,– + € 246,60 = € 3.242,60.

Aldus uitgelegd/toegepast levert het annuleringsbeding naar het oordeel van de commissie geen onredelijk bezwarend beding op zoals is bedoeld in artikel 6:223 aanhef en onder a Burgerlijk Wetboek.

Nu door de consument in totaal inmiddels is voldaan op deze schuld € 3.980,–, is de consument niets meer verschuldigd te betalen en heeft hij onverschuldigd te veel betaald € 737,40. Dat laatstgenoemde bedrag is de ondernemer (dus) gehouden terug te betalen aan de consument.

Bij gebrek aan betalingsgegevens/betaaldata is de commissie niet in staat een beslissing te geven per wanneer waarover wettelijke rente verschuldigd is (geweest). Ook blijkt niet van aanzegging daarvan dan wel van een andere reden waarom en per wanneer die rente is gaan lopen. Wettelijke rente zal daarom niet worden toegewezen.

In voormelde situatie waarbij langdurig gepoogd is (veel te) veel te incasseren kunnen geen buitengerechtelijke incassokosten worden toegekend. De daarbij aan te leggen dubbele redelijkheidstoets verzet zich daartegen.

Nu de consument terecht heeft geklaagd is de ondernemer op basis van het reglement van de commissie tevens gehouden om het klachtengeld aan de consument te voldoen alsmede om behandelingskosten te voldoen aan het secretariaat van de commissie.

Er dient daarom in na te melden zin te worden beslist. Er is dus geen reden om de consument te verplichten tot het doen van een depotstorting ter hoogte van een nog openstaand bedrag, nu geoordeeld wordt dat de consument reeds te veel heeft betaald aan de ondernemer.

Beslissing
De commissie:

Bepaalt de door de consument verschuldigd geworden beëindigingsvergoeding op € 3.242,60, en stelt vervolgens vast dat daarop door de consument (in totaal) te veel is voldaan, te weten € 3.980,–.

Aldus rust op de ondernemer de verplichting om op grondslag van onverschuldigde betaling aan de consument (terug) te betalen het verschil tussen die bedragen zijnde € 737,40. Betaling van dat bedrag aan de consument dient te geschieden binnen vier weken na de datum van dit bindend advies. Bij niet tijdige betaling door de ondernemer is deze per die datum daarover de wettelijke rente verschuldigd te betalen.

Verplicht de ondernemer voorts tot betaling aan de consument van het door deze betaalde klachtengeld ten bedrage van € 107,50.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Particuliere Onderwijsinstellingen, bestaande uit mr. M.L.J. Koopmans, voorzitter, mr. C.A. Bontje en mr. F.E. Duveen, op 25 september 2020.