Wijziging van opdracht en daaruit voortvloeiende prijsconsequenties niet schriftelijk vastgelegd. Consument reageert niet tijdig

  • Home >>
  • Klussenbedrijven >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Klussenbedrijven    Categorie: Prijs    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: KLU03-0019

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op 26 juni 2002 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het realiseren van een aanbouw en verbouw van de woning van de consument tegen de daarvoor door de consument te betalen prijs van € 75.000,–. De overeenkomst is uitgevoerd in de periode augustus 2002 tot 7 februari 2003. De consument klaagt er over dat hem te veel in rekening wordt gebracht en het werk niet deugdelijk is afgewerkt en uitgevoerd.   De consument heeft een bedrag van € 7.145,62 niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.   De consument heeft op 1 maart 2003 mondeling en op 22 mei 2003 schriftelijk de klacht voorgelegd aan de ondernemer.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   De opdracht betrof een werk met een vaste prijs van € 75.000,– waarvan slechts ongeveer 50% is uitgevoerd. Dan zouden wij ook slechts ongeveer 50% van de vaste prijs behoeven te betalen. Toch zijn ruim 200 uren meer gefactureerd dan wanneer het gehele werk was uitgevoerd. Wij hebben € 51.000,– betaald. Het werk vertoont de volgende gebreken: gebarsten plavuizen, holle plavuizen, verkeerde waterkraan, te korte posten, spant en koplat en gescheurde voegen in de tegelvloer. Er is blijvende schade door gescheurde muren wegens onvoldoende onderstempeling tijdens de verbouwing. Afmaken van het werk zal nog twee dagen vergen. Door derden hebben wij werk laten uitvoeren hetgeen € 5.006,57 heeft gekost, welk bedrag wij willen verhalen op de ondernemer. Wij hebben de ondernemer bij brief van 22 mei 2003 in de gelegenheid gesteld de gebreken te verhelpen en het werk deugdelijk af te werken, maar dat is niet gebeurd.   Op 24 september 2003 meldt de consument een mankement aan een rolluik en op 10 oktober 2003 een lekkage in de kelder.   Bij brief van 25 november 2003 deelt de consument, reagerend op het deskundigenrapport, onder meer het volgende mede.   Er dient nog een rekje bij de spoelbak te worden aangebracht, er is geen nieuwe lekkage in de kelder geconstateerd, het rolluik is nog niet hersteld en herstel kan herstelschade onder andere aan het plafond opleveren. Door derden hebben wij ter voorkoming van schade lood moeten laten inslijpen, kosten € 259,–. In totaal is voor een bedrag van € 45.674,02 door de ondernemer niet uitgevoerd. Voorts wordt uitvoerig ingegaan op verschillen tussen oorspronkelijk begrote en gefactureerde werkzaamheden, resulterend in een door de consument terug te vorderen bedrag van € 30.249,55, waarop een niet nader gespecificeerd bedrag in mindering komt wegens erkend meerwerk.   Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.   De werkzaamheden om de situatie veilig te maken zijn extra opgedragen. Verder is behalve het verplaatsen van het toilet en het vervallen van de bovenverdieping niets aan de tekening van 8 april 2002 of de opdracht veranderd. Ik herinner mij niet dat een afspraak over werken in regie is gemaakt. De ondernemer zei, dat ik uit de begroting kon zien wat het zou kosten. In januari 2003 maakte de ondernemer het werk niet volgens de afspraken af. Hij ging eerst een andere klus doen. Inmiddels waren wij door bepaalde uitlatingen van medewerkers van de ondernemer wat wantrouwend geworden en bestudeerden wij de facturen beter. Daaruit bleek ons dat te veel uren werden geschreven. Zo werden de pauzes als werktijd opgevoerd. Gelet op deze strubbelingen is de ondernemer op 7 februari 2003 medegedeeld dat hij er mee kon stoppen en de eindafrekening kon sturen. De keuken hoefde hij ook niet meer te plaatsen. Sindsdien is door de ondernemer niet meer gewerkt.   De consument verlangt: de gebreken door een ander bedrijf te laten herstellen, vergoeding van de gemaakte kosten voor de werkzaamheden door derden, vergoeding voor de gescheurde muren, een vergoeding voor het laten afmaken van het werk door derden, het opnieuw vaststellen van het verschuldigde bedrag voor het geleverde werk, uitgaande van de vaste prijs voor het aangenomen werk, restitutie van het te veel betaald bedrag, een vergoeding van € 2.500,– voor geleden ongemak en € 4.500,– voor buitengerechtelijke kosten.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.   Wij hebben een verbouwing en aanbouw aangenomen van de woning van de consument te realiseren voor € 75.000,– overeenkomstig de offerte van 26 juni 2002, waarbij gevoegd de calculatie van 25 juni 2002 onder toepasselijkheid van de [branche]-uitvoeringsvoorwaarden. Met de werkzaamheden is voor de bouwvak begonnen, maar omdat tegen de bouwvergunning door de buren bezwaar was gemaakt, gaf de consument opdracht eerst enige werkzaamheden te verrichten om de situatie veilig te maken. Er was bijvoorbeeld een gat gegraven voor de kelder. De verdieping op de uitbouw zou men laten zitten. Wij kwamen toen overeen dat vanaf dat moment op basis van regie zou worden gewerkt, omdat de opgestelde offerte niet kon worden uitgevoerd. Half september 2002 is verder gewerkt aan de uitbouw met een onderbreking in oktober 2002 wegens bevalling van de echtgenote van de consument. Er werd door de consument veel extra werk opgedragen en veel gewijzigd. Zo werd het toilet verplaatst. Daarvan zijn geen aantekeningen of prijsopgaven gemaakt. Na de eerste termijnfactuur van 20% van de bouwsom zijn vervolgens deelfacturen met een specificatie van gebruikte materialen en bestede tijd aan de consument gezonden en door de consument betaald. De afwerking van de opleverpunten liep door invallende vorst wat uit. Op 7 februari 2003 deelde de consument mede dat hij het plaatsen van de keuken en de bovenverdieping door een ander liet doen en hij vroeg om een eindafrekening. Wij hoefden niet meer te komen. Redenen voor dit besluit werden niet gegeven. De eindafrekening is op 16 februari 2003 aan de consument gezonden. Naar aanleiding daarvan vroeg de consument op 1 maart 2003 om een gesprek. Er dienden volgens de consument enkel wat opleverpunten te worden hersteld. Aan een oplevering zijn wij niet toegekomen doordat de consument op 7 februari 2003 had aangegeven dat wij niet meer hoefden te komen. Nadat de consument in een volgend gesprek had laten weten niets meer te zullen betalen werd na aanmaning de vordering ten bedrage van € 7.145,62 ter incasso uit handen gegeven. Derhalve worden de incassokosten en wettelijke rente gevorderd.   Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.   De ondernemer beroept zich niet meer op de niet-ontvankelijkheid van de consument wegens te laat indienen van de klacht en gaat akkoord met behandeling van het geschil door de commissie.   Tot november 2002 ging alles goed. Het lukte niet om voor Kerstmis 2002 het werk te voldooien en we zouden het in januari 2003 afmaken. Toen kwam het bericht te stoppen en hebben wij niets meer gedaan.   Deskundigenrapport   De door de commissie ingeschakelde deskundige heeft blijkens zijn rapport, voor zover thans van belang, het volgende vastgesteld.   Ten aanzien van de gebreken. Er is bij de tegelvloer door de ondernemer een inschattingsfout gemaakt door niet overal flexibele lijm en dito voegmiddel te gebruiken. Bij kozijnen zijn niet geheel passende opdeklatten/afwerklijsten gebruikt. De geplaatste kraan heeft een te lange uitloop en een rozet ontbreekt. De (haar)scheuren zijn geen gevolg van onvoldoende stutten, maar ontstaan door trillingen bij het slopen van enkele muren. Het bij- en afstraten was niet in de offerte opgenomen. Onduidelijk is of de lekkage aan de dakdekker te wijten is. Er kan ook een andere oorzaak zijn. Aan reparatie van het rolluik wordt gewerkt. De kosten van herstel bedragen € 640,11.   Ten aanzien van niet uitgevoerd werk. Er dienen enkele onder punt 3 A t/m D van het rapport genoemde werkzaamheden te worden uitgevoerd. De kosten daarvan bedragen € 484,34. Ten aanzien van de financiële waardering van het uitgevoerde werk merkt de deskundige op, dat het in casu niet goed mogelijk was een duidelijk beeld te krijgen omtrent de oorzaken van een verhoudingsgewijze hoge eindfactuur in verhouding met wat daadwerkelijk is gepresteerd, rekening houdend met hetgeen oorspronkelijk uitgevoerd zou worden.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   Uit de stukken van het dossier en de verklaringen van partijen blijkt dat partijen aanvankelijk zijn overeengekomen de werkzaamheden te verrichten en materialen te leveren zoals omschreven in [de werkomschrijving] en [de begroting] gedateerd 25 juni 2002 voor de prijs van € 75.000,– onder toepasselijkheid van de [branche]-uitvoeringsvoorwaarden. Tijdens de funderingswerkzaamheden werd het bouwen van de verdieping op de uitbouw uit de opdracht gehaald en zijn vervolgens werkzaamheden om de situatie veilig te maken als extra werk opgedragen. Deze gewijzigde opdracht is niet schriftelijk vastgelegd, ofschoon dit in artikel 6 van de [branche]-uitvoeringsvoorwaarden in beginsel wordt voorgeschreven. De ondernemer stelt toen afgesproken te hebben, dat verder op basis van regie zou worden gewerkt. Hij heeft ook dienovereenkomstig gefactureerd en zijn uurtarief deels naar beneden bijgesteld. De consument stelt zich een dergelijke expliciete afspraak niet te herinneren, maar erkent de deelfacturen en specificaties te hebben ontvangen en zonder protest te hebben voldaan. Op grond hiervan is de commissie van oordeel dat uitgegaan moet worden van regiewerk, waarbij de eerdere vaste prijs voor het gehele werk niet als richtprijs voor de onderdelen kan gelden. Ook de door de consument gehanteerde verhouding tussen het wel gerealiseerde werk en de oorspronkelijke opdracht is geen juiste maatstaf, nog daargelaten de arbitraire bepaling van die verhouding op 50%. Tal van posten binnen de oorspronkelijke begroting zijn immers niet proportioneel te meten. De consument is met betrekking tot de tweede, derde en vierde termijn in de gelegenheid geweest aan de hand van de hem verstrekte specificaties de arbeid- en materiaalstaten te controleren en daarop tijdig aanmerkingen te maken, als hij daarvoor redenen had gezien. Dat heeft hij niet gedaan en bovendien heeft hij die facturen zonder meer voldaan. Het gaat niet aan om dan onder voortijdige beëindiging van het werk de hoogte van die facturen alsnog te betwisten met beroep op de eerdere niet meer toepasselijke begroting van het tegen vaste prijs aangenomen werk en zonder gedocumenteerde betwisting van de berekende uren en gebruikte materialen. Het is de commissie niet gebleken dat de eindafrekening onjuist of buitensporig is.   De commissie wijst derhalve de klacht af dat een te hoge prijs in rekening is gebracht.   De consument stelt dat hij derden werk heeft laten uitvoeren, dat de ondernemer had behoren te doen maar niet heeft gedaan, waarvoor hij de kosten vergoed wenst te zien. De consument erkent evenwel op 7 februari 2003, wetend dat het werk niet gereed was en niet opgeleverd, de opdracht te hebben beëindigd door aan de ondernemer mede te delen dat hij met het werk diende te stoppen en de eindafrekening kon sturen. Daarop volgende gesprekken hebben daarin geen verandering gebracht. Aan deze beëindiging lag geen verwijt van wanprestatie ten grondslag, maar gevoelens van onvrede omtrent het nakomen van al dan niet gemaakte afspraken. De ondernemer kon in deze omstandigheden en uitgaande van werk in regie volstaan met afleveren van het werk voorzover het uitgevoerd was zonder gehoudenheid tot afwerking of oplevering. Voor zover immers nog werkzaamheden zouden moeten worden verricht, zouden die ook nog gefactureerd moeten worden, dan wel hersteld, mits hem daartoe de gelegenheid werd geboden. De opdracht was echter te stoppen met het werk. Eerst bij brief van 22 mei 2003 wordt de ondernemer aangemaand enkele gebreken te herstellen en het werk af te maken, waaronder bijstraten en afstraten hetgeen nooit tot het aangenomen werk heeft behoord. Reeds gefactureerde maar nog niet geleverde materialen, zoals het rekje dienen wel alsnog geleverd te worden.   In het rapport van de deskundige zijn onder punt 3 1 A tot en met C een aantal gebreken genoemd in het uitgevoerde werk, die aan de ondernemer te wijten zijn. De herstelkosten daarvan worden begroot op € 640,11. De commissie volgt hierin de mening van de deskundige. De overige klachten acht de commissie niet gegrond, daarbij verwijzend naar de bevindingen van de deskundige, wiens beoordeling de commissie overneemt. De (haar)scheuren zijn geen gevolg van een fout van de ondernemer. Het bij- en afstraten behoorde niet tot het aangenomen werk. De lekkage in de kelder heeft zich niet meer voorgedaan, terwijl onzeker is of deze aan een fout van de ondernemer of van een van diens onderaannemers is te wijten. De kelder zelf is niet door de ondernemer gemaakt. Het rolluik betreft een niet in de klacht opgenomen gebrek. Bovendien erkent de ondernemer dit als een garantiekwestie, waaraan door de leverancier wordt gewerkt.   Terzijde merkt de commissie op dat beide partijen enig verwijt te maken valt over het ontstaan van dit geschil. De ondernemer door in afwijking van de [branche]- uitvoeringsvoorwaarden onvoldoende schriftelijk wijzigingen van de opdracht en de daaruit voortvloeiende prijsconsequenties vast te leggen. De consument door onvoldoende doordacht de opdracht te wijzigen en te beëindigen, door de uitvoering van het werk onvoldoende te controleren en niet tijdig te reageren op onwenselijkheden.   De commissie acht de klachten van de consument op grond van het vorenstaande grotendeels ongegrond.   De vordering van de ondernemer tot vergoeding van incassokosten en/of kosten van rechtshulp wordt afgewezen, omdat hij het geschil volgens de [branche]-uitvoeringsvoorwaarden zelf bij de commissie had kunnen aanmelden, waardoor hij dergelijke kosten niet had hoeven maken.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   De commissie kent aan de consument een vergoeding toe van € 640,11 en vermindert daarmee de betalingsverplichting van de consument.   De commissie acht onvoldoende redenen aanwezig om een deel van het klachtengeld voor rekening van de ondernemer te brengen.   Met in achtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag van € 7.145,62 als volgt verrekend. Een bedrag van € 6.505,51 wordt overgemaakt aan de ondernemer en € 640,11 wordt overgemaakt aan de consument.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Klussenbedrijven op 13 januari 2004.