Commissie: Wrakingscommissie
Categorie: Wraking
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Uitspraak
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
-
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De volledige uitspraak
Het wrakingsverzoek en de reactie van de voorzitter en commissielid (naam)
De wrakingscommissie stelt vast dat het verzoek van 17 december 2025 strekt tot wraking van de voorzitter en commissielid (naam commissielid) van de Tuchtcommissie NIVRE (hierna: de Tuchtcommissie), in de zaak met nummer 1138776/1297872 tussen verzoekster en (naam verweerder) (hierna: verweerder).
Standpunt verzoekster
Voor het standpunt van verzoekster verwijst de wrakingscommissie naar het wrakingsverzoek. In de kern komt dit op het volgende neer.
De voorzitter en commissielid (naam) hebben tijdens de zitting van 11 december 2025 een aantal speculatieve suggesties en veronderstellingen gedaan, waardoor bij verzoekster twijfel is ontstaan over de onpartijdigheid van deze leden van de Tuchtcommissie. Verzoekster heeft hiertoe het volgende aangevoerd.
1. De voorzitter en commissielid (naam) hebben herhaaldelijk gerefereerd aan doorlopende communicatie en een onderbouwing van een vermeend mondeling akkoord tussen de schade-expert van de verzekeraar en de contra-expert. In het dossier is echter geen enkel document aanwezig waaruit dit akkoord blijkt. De huidige contra-expert heeft aangegeven verrast te zijn door het bestaan van een dergelijke deal en de voormalige contra-expert heeft uitdrukkelijk verklaard dat er geen akkoord is geweest. Uit de overgelegde transcripties volgt hoogstens dat sprake was van een voorstel vanuit de zijde van de expert toen de voorraad nog niet eens geheel geïnventariseerd was, maar niet dat er sprake was van overeenstemming. Desondanks werd dit vermeende akkoord tijdens de zitting niet kritisch bevraagd, maar in de gedachtewisseling als relevant uitgangspunt genomen. Dit kan bij een redelijk denkende derde de indruk wekken dat verklaringen van verweerder zonder bewijs zwaarder zijn gewogen dan de gedocumenteerde verklaringen van verzoekster.
2. De voorzitter heeft gesuggereerd dat indien er communicatie of afspraken tussen experts zouden zijn geweest, de contra-expert deze mogelijk niet aan verzoekster zou hebben doorgegeven. Deze speculatieve suggestie vindt geen steun in het dossier en staat haaks op de verklaring van de contra-expert, die het bestaan van afspraken juist ontkent. Door deze mogelijkheid te opperen wordt de verantwoordelijkheid feitelijk bij de contra-expert gelegd en indirect bij verzoekster, terwijl degene die het bestaan van een akkoord stelt daarvoor geen bewijs heeft overgelegd. Dit draagt bij aan de schijn van partijdigheid.
3. De voorzitter en commissielid (naam) hebben de veronderstelling geuit dat tussen de experts zou zijn afgesproken om geen akte van benoeming op te maken. Er is echter geen enkel bewijs in het dossier aanwezig dat een dergelijke afspraak bestaat. Daarbij komt dat binnen hetzelfde schadegeval voor een andere rubriek (opstal) wel een akte van benoeming is opgesteld door andere betrokken experts. Het zonder bewijs hanteren van deze veronderstelling versterkt de indruk dat verklaringen van verweerder zonder kritische toetsing zijn gevolgd.
4. De voorzitter heeft aangegeven dat het volgens hem niet gebruikelijk is om direct na een schade een contra-expert in te schakelen en dat dit pas aan de orde zou zijn bij een conflict. Deze opvatting miskent het algemeen aanvaarde doel van contra-expertise – namelijk begeleiding, inventarisatie en het voorkomen van geschillen – en heeft doorgewerkt in de wijze waarop verklaringen van de contra-expert tijdens de zitting zijn gerelativeerd. In met de hiervoor genoemde omstandigheden draagt dit voor verzoeker bij aan de objectieve schijn van partijdigheid.
5. Commissielid (naam) heeft aangegeven dat schade-experts partij-deskundigen zijn en dat contra-experts meer naar de mond van de verzekerde zouden praten, hetgeen volgens hem normaal is. Deze kwalificatie, zonder koppeling aan concrete gedragingen of dossierstukken, heeft tot gevolg gehad dat verklaringen van de contra-expert bij voorbaat met minder gewicht zijn benaderd, terwijl verklaringen van de deskundige van verweerder niet met dezelfde kritische afstand zijn beoordeeld. Dit heeft ook bijgedragen aan de schijn van partijdigheid.
Standpunt voorzitter en commissielid (naam)
Bij brief van 11 januari 2026 hebben de voorzitter en commissielid (naam) op het wrakingsverzoek gereageerd met de conclusie dat het wrakingsverzoek in al haar onderdelen ongegrond dient te worden verklaard. Voor het standpunt van de voorzitter en commissielid (naam) verwijst de wrakingscommissie naar voornoemde brief.
De voorzitter en commissielid (naam) hebben op de gestelde geuite veronderstellingen en suggestie ter zitting – samengevat weergegeven – als volgt gereageerd:
1. In het dossier waren er voldoende aanknopingspunten om het onderwerp ‘mondeling akkoord’ ter sprake te brengen tijdens de zitting. De voorzitter en commissielid (naam) hebben het bestaan van een mondeling akkoord niet als uitgangspunt genomen.
2. De voorzitter heeft de vraag gesteld of het mogelijk is dat de contra-expert weliswaar zijn akkoord heeft gegeven maar dat hij dit niet heeft overlegd met verzoekster. De voorzitter verwoordde hiermee slechts het verweer, zodat verzoekster hierop kon reageren. Het stellen van een onderzoekende vraag is niet hetzelfde als het hebben van een mening over het onderwerp.
3. Het onderwerp – wel of niet opmaken van een akte van benoeming – is besproken tijdens de zitting, nu uit de stukken bleek dat partijen het hier niet over eens waren. De voorzitter en commissielid (naam) zijn er niet vanuit gegaan dat er sprake is van een afspraak tussen de experts om geen akte van benoeming te laten opmaken. Zij hebben zich ook niet uitgelaten over de vraag of het wel of niet terecht is dat de akte niet is opgemaakt.
4. De voorzitter heeft verzoekster slechts gevraagd naar de beweegredenen voor het inschakelen van de contra-expert, maar heeft hierover ter zitting geen standpunt ingenomen of opvatting gegeven. Terecht stelt verzoekster dat de contra-expert ook een functie heeft in het begeleiden, inventariseren en voorkomen van geschillen, maar dit is ook de taak van een eerste expert. Niet zelden wordt een contra-expert pas bij een zaak gevraagd wanneer de eerste expert er met verzekerde niet uitkomt. Dit was echter direct na de brand nog niet het geval.
5. Commissielid (naam) is namens de branche als commissielid benoemd en heeft vanuit zijn deskundigheid en ervaring in zijn algemeenheid gezegd dat NIVRE experts wel onafhankelijk zijn, maar dat daarmee vooral wordt bedoeld dat er geen sprake is van een belangenverstrengeling bij het behandelen van een zaak (voor een opdrachtgever). In onderhavig geval waren beiden betreffende experts juridisch gezien aan te merken als partijdeskundige. De contra-expert is namelijk aangezocht door de verzekerde en werkt in diens opdracht. De weergave van deze verhoudingen en gang van zaken is van louter feitelijke aard. Verzoekster leek zich hier niet of onvoldoende van bewust en daarom heeft commissielid (naam) dit willen verduidelijken. Uit deze (aanvullende) toelichting van de algemene praktijk kan echter niet enige partijdigheid en/of vooringenomenheid worden afgeleid.
De beoordeling
Bevoegdheid en ontvankelijkheid
Op grond van artikel 2 lid 1 van het reglement van de wrakingscommissie heeft de wrakingscommissie tot taak te beslissen op een wrakingsverzoek van een van de partijen in een geschil dat door een tuchtcommissie in behandeling is genomen.
Verzoekster heeft het wrakingsverzoek gedaan naar aanleiding van de behandeling ter zitting van een geschil door de Tuchtcommissie op 11 december 2025. Zij doet daarmee een beroep op artikel 20 van het reglement van de Tuchtcommissie (welke op 1 januari 2025 in werking is getreden), waarin de mogelijkheid tot wraking van leden van de Tuchtcommissie is vastgelegd. De wrakingscommissie stelt vast dat het wrakingsverzoek conform artikel 20 van het reglement van de Tuchtcommissie binnen de termijn van één week na de zittingsdatum door verzoekster is ingediend. Verzoekster kan daarom in haar wrakingsverzoek worden ontvangen.
Beoordeling wrakingsverzoek
Beoordelingskader
Voor de inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek dient de wrakingscommissie ingevolge artikel 2 lid 2 van het reglement van de wrakingscommissie en artikel 20 lid 1 van het reglement van de commissie te onderzoeken of er gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van het lid, wiens wraking is verzocht. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker over de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van het lid is wel van belang, maar niet doorslaggevend. De vrees voor partijdigheid of niet-onafhankelijkheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.
I. Wrakingsgrond: Stellingen van verweerder als uitgangspunt genomen
Verzoekster stelt in de punten 1, 2 en 3 – kort gezegd – dat stellingen van verweerder (ten aanzien van het mondeling akkoord en de akte van benoeming) door de voorzitter en commissielid (naam) werden overgenomen door deze als uitgangspunt te hanteren gedurende de zitting, terwijl deze stellingen geen steun vinden in de stukken. De voorzitter en commissielid (naam) betwisten dit.
De wrakingscommissie is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de voorzitter en commissielid (naam) de stellingen van verweerder ter zitting als uitgangspunt hebben genomen. Er ontbreken concrete aanknopingspunten waaruit dit blijkt. Vaststaat dat de onderwerpen ‘mondeling akkoord’ en ‘akte van benoeming’ geschilpunten tussen verzoekster en verweerder zijn. Dat deze geschilpunten dus onderwerp van discussie waren gedurende de mondelinge behandeling en dat hierover vragen zijn gesteld lag in de lijn der verwachting. Het is naar het oordeel van de wrakingscommissie daarbij gebruikelijk dat een voorzitter of commissielid aan de eisende partij het verweer van de wederpartij voorhoudt, zodat deze partij de mogelijkheid krijgt om hierop te reageren. Het enkele feit dat dit door verzoekster niet ervaren is als vragen, maar eerder als stellingnames, is onvoldoende. Het lag op de weg van verzoekster om deze (subjectieve) ervaring nader te concretiseren, gelet op de gemotiveerde betwisting van de voorzitter en commissielid (naam). Verzoekster heeft dit niet gedaan. Wrakingsgrond I faalt dan ook.
II. De verklaringen van de contra-expert zijn onterecht gerelativeerd
Verzoekster stelt in punt 4 – kort gezegd – dat de opvatting van de voorzitter dat het niet gebruikelijk is om direct na een schade een contra-expert in te schakelen, onterecht ervoor heeft gezorgd dat de verklaringen van de contra-expert ter zitting zijn gerelativeerd. De voorzitter heeft hier tegenin gebracht dat hij verzoekster slechts heeft gevraagd naar de beweegredenen voor het inschakelen van de contra-expert en dat hij daarover ter zitting geen standpunt heeft ingenomen.
De wrakingscommissie begrijpt dat verzoekster de vraag van de voorzitter over de beweegredenen voor het inschakelen van de contra-expert niet ter zake doende vond. Wat hier ook verder van zij, het is onduidelijk gebleven hoe dit ervoor heeft gezorgd dat de verklaringen van de contra-expert ter zitting zijn gerelativeerd en hoe dit heeft bijgedragen aan de schijn van partijdigheid. Het lag op de weg van verzoekster om dit nader te onderbouwen aan de hand van concrete voorbeelden. Dit heeft zij niet gedaan. Dat de voorzitter heeft gezegd dat het ongebruikelijk is om een contra-expert direct na de schade in te schakelen, betekent niet gelijk dat de voorzitter een standpunt heeft ingenomen over de verklaringen die deze contra-expert heeft gedaan. Wrakingsgrond II faalt daarom.
III. De contra-expert is gekwalificeerd als partijdeskundige.
Verzoekster stelt in punt 5 – kort gezegd – dat commissielid (naam) tijdens de zitting de contra-expert heeft gekwalificeerd als partijdeskundige, die “meer naar de mond van de verzekerde praat”. Commissielid (naam) erkent dat hij de contra-expert een partijdeskundige noemde en betwist dat hij heeft gezegd dat de contra-expert meer naar de mond van de verzekerde praat.
De wrakingscommissie stelt vast dat een partijdeskundige een deskundige is die niet door de rechter of voorzitter is benoemd, maar in opdracht van één partijen is ingeschakeld om onderzoek te doen. Dit betekent dat zowel de expert van verweerder als de contra-expert van verzoekster dus partijdeskundigen waren, en hun rapporten vrije bewijskracht hebben in de zin van artikel 152 lid 2 Rv. Commissielid (naam) onderschrijft dit. Het betoog van verzoekster dat door de kwalificatie ‘partijdeskundige’ de verklaringen van de contra-expert bij voorbaat met minder gewicht zijn benaderd ten opzichte van de verklaringen van de expert van verweerder volgt de wrakingscommissie gelet hierop niet. Alhoewel “meer naar de mond praat” sterke bewoording is voor het karakter van een partijdeskundige, wordt er in zijn algemeenheid een contra-expertise ingeschakeld met het oog op het mogelijke risico dat er te veel door de partijdeskundige naar de belangen van de ene partij is gekeken. Ook als commissielid (naam) deze woorden dus heeft gebruikt, maakt niet dat er gerechtvaardigde twijfel bestaat aan zijn onpartijdigheid. Wrakingsgrond III faalt dan ook.
Conclusie
De conclusie uit het voorgaande is dat naar het oordeel van de wrakingscommissie geen objectief gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de voorzitter en commissielid (naam). De wrakingscommissie zal het wrakingsverzoek daarom ongegrond verklaren.
Derhalve wordt als volgt beslist.
De beslissing
De wrakingscommissie:
– verklaart het wrakingsverzoek ongegrond.
Aldus beslist door de wrakingscommissie, bestaande uit de heer mr. C.J.G.M. van der Weide, voorzitter, de heer mr. F.J. Pirard en de heer mr. A.C.G. Reezigt, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. R.H.W. Theuns-van Waasdijk, secretaris, op 20 maart 2026.