Zieke student krijgt groot deel van lesgeld terug na onvoltooide opleiding

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Particuliere Onderwijsinstellingen    Categorie: Beëindiging overeenkomst    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 239075/415451

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

In deze zaak bij de Geschillencommissie Particuliere Onderwijsinstellingen vraagt een consument om terugbetaling van het lesgeld (€1.720) voor een opleiding die zij door ziekte (post-covid) niet kon afmaken. Ze volgde slechts één lesdag en meldde zich direct ziek. De ondernemer bood aan dat ze de opleiding later kosteloos kon hervatten, maar weigerde het lesgeld terug te betalen. De ondernemer beriep zich op algemene voorwaarden die volgens de commissie niet van toepassing zijn op deze opleidingsvorm. De commissie oordeelt dat de overeenkomst moet worden gezien als een opdracht en dat de ondernemer slechts recht heeft op een redelijke vergoeding voor de beperkte werkzaamheden. Daarom moet de ondernemer 75% van het lesgeld terugbetalen, wat neerkomt op €1.290. Ook moet het klachtengeld van €107,50 worden vergoed. De klacht is gegrond.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op 28 september 2021 met de ondernemer tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het verzorgen van een opleiding voor de som van €1.720,–.

De consument heeft de klacht eerst voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Eind 2021 ben ik gestart met een opleiding bij de ondernemer. Helaas heb ik maar één lesdag kunnen volgen. Daarna ben ik ziek geworden, naar later bleek post-covid. Ik heb voor de opleiding €1.750,– betaald. Na vele onderzoeken in het ziekenhuis, is er eind 2022 een behandeling gestart in Nijmegen. Het is daarom voor mij niet mogelijk geweest om de opleiding verder te volgen. Ik wilde de opleiding annuleren en graag de betaling van €1.750,– terugontvangen. De ondernemer weigert het door mij betaalde lesgeld terug te storten. Ik heb meteen nadat ik ziek ben geworden doorgegeven dat ik niet verder kon gaan met de opleiding. Ik heb meermalen contact gehad met de ondernemer. Ik heb gewezen op het recht om lesgeld binnen vijf jaar terug te kunnen krijgen. Ook hier gaan zij niet mee akkoord.

Het is helemaal niet duidelijk of er een ontbinding van de overeenkomst heeft plaats gevonden. Als de ondernemer stelt dat ze destijds hebben aangeboden om de opleiding in een andere periode te volgen, zou dit duidelijk moeten zijn geweest en zou hiervoor de juiste informatie moeten worden gegeven alsook de hulp om van de ondernemer om dit te regelen. Nergens staat vastgelegd dat het mogelijk is om een opleiding alsnog in een andere periode te volgen, voort te zetten of te voltooien, laat staan dat dit binnen een verloop van twee jaren zou moeten worden gedaan. Met de stelling van ondernemer dat de opleiding in een andere periode alsnog kan worden gevolgd, wordt duidelijk dat het niet deelnemen in een bepaalde opleidingsperiode door de ondernemer geen schade wordt geleden en het niet terugbetalen van het reeds betaalde cursusgeld volledig onterecht is. Je kunt je afvragen wat de meerwaarde is van opzeggen en later de opleiding voortzetten, zonder het terugkrijgen van het opleidingsgeld, ten opzichte van helemaal annuleren, opleidingsgeld terugkrijgen en later opnieuw inschrijven. Er is mij gezegd dat ik het lesgeld mocht meenemen naar een andere periode. Het kan niet zo zijn dat je dan je recht op teruggave van het lesgeld verspeelt. De ondernemer heeft het over een stap-budget, maar daarvoor heb ik niet ingeschreven.

De consument verlangt terugbetaling van het door haar betaalde cursusgeld van €1.750,–.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument heeft zich in september 2021 ingeschreven voor de door ons verzorgde opleiding. Ze heeft zich toen al snel ziekgemeld (later gaf ze aan dat het post-covid is) en kon in dat cursusjaar verder niet deelnemen. Zij heeft op 6 november 2021 verzocht om haar leerjaar uit te stellen, wat wij hebben toegezegd. We hebben haar bericht dat het lesgeld verschuldigd bleef maar dat ze het daaropvolgende leerjaar zonder kosten kon meedraaien als klassen-assistent.

Wij hebben haar zelfs de mogelijkheid geboden om de opleiding binnen in 2023/2024 af te ronden. Op 8 juli 2022, na afloop van het leerjaar 2021/2022, verzocht de consument met terugwerkende kracht om terugbetaling van het lesgeld. Volgens onze annuleringsvoorwaarden was dit op dat moment echter niet meer mogelijk. Zoals aangegeven in onze Algemene voorwaarden is de opzegtermijn inmiddels verstreken, want het gaat om het cursusjaar 2021/2022 en niet 2022/2023. Daarnaast behoort het betreffende opleidingsjaar tot het verleden, en zijn de kosten door ons reeds gemaakt.

Artikel 5 lid 3 sub f van de algemene voorwaarden geeft aan dat medische indicatie geen ontbindende voorwaarden is. Deze clausule kan daarom niet toegepast worden voor volledige restitutie. Wij hebben in deze situatie met de beste intenties gehandeld en binnen de mogelijkheden die wij hebben. De consument heeft een inschrijving voor de opleiding 2023/2024 toegevoegd aan de stukken, maar vraagt om terugbetaling van het lesgeld voor de opleiding in het leerjaar 2021/2022. Wij vielen destijds nog niet onder de brancheorganisatie NRTO. De inschrijving van de consument op 10 maart 2023 valt buiten het geschil. Voor deze inschrijving hebben wij geen factuur verstuurd of betaling ontvangen, en deze inschrijving nemen wij dan ook niet mee in ons verweer.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De ondernemer heeft bij het verweerschrift algemene voorwaarden opgemaakt in januari 2021 overgelegd. Echter die algemene voorwaarden hebben betrekking op lespakketten (zo betreft artikel 11 auteursrechten). De tussen partijen gesloten overeenkomst betreft echter niet het ter beschikking stellen door de ondernemer aan de consument van een lespakket, maar heeft betrekking op lessen in het kader van de door de consument te volgen opleiding. Het betekent dat die algemene voorwaarden niet zonder meer van toepassing zijn en dat daarbij hoogstens aansluiting gezocht kan worden. Het betekent ook dat de commissie deze overeenkomst als een overeenkomst van opdracht kwalificeert en de overeenkomst dient te beoordelen in het kader van de daarop van toepassing zijnde wettelijke regeling, zijnde de artikelen 7:400 e.v. BW.

Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht leidt de commissie af dat toen de consument de ondernemer meedeelde door ziekte de opleiding niet te kunnen volgen, de ondernemer de consument de mogelijkheid heeft geboden om de opleiding op een later tijdstip te vervolgen. Zo schrijft de ondernemer in een mail van 8 november 2021: `Je kunt inderdaad je opleiding nu stoppen en deze volgend jaar hervatten. Het lesgeld blijf je dit jaar verschuldigd maar dat blijft gewoon staan voor de lessen van volgend jaar.’ Daarmee heeft de ondernemer de consument de verkeerde richting gewezen. Immers toen de consument in een mail van 8 juli 2022 om teruggave van het door haar betaalde studiegeld vroeg werd in een mail van 21 juli 2002 door de ondernemer meegedeeld: `Helaas is er geen teruggave van het lesgeld meer mogelijk, omdat het studiejaar al is afgerond.’ Dit was er kennelijk op gebaseerd dat de hiervoor bedoelde algemene voorwaarden zouden gelden en met name artikel 5. Als de consument vervolgens aangeeft dat ze twee maanden voor aanvang van het cursusjaar 2022/2023 annuleert krijgt zij als antwoord: `Dat geldt inderdaad voorafgaand aan het eerste startmoment. Dat is voor jou vorig jaar geweest en daarmee komt die optie te vervallen.’ Een en ander betekent dat de ondernemer zich beroept op een bepaling die niet direct van toepassing is als zijnde betrekking hebbende op lespakketten en ook niet analoog kan worden toegepast nu het in het licht van het voorgaande onredelijk is om zich op die bepaling te beroepen.

Zoals gezegd zijn de bepalingen over overeenkomst van opdracht zoals geregeld in art. 7:400 e.v. BW in dit geval toepasselijk. Tussen partijen is niet in discussie dat de consument een les heeft gevolgd voordat zij ten gevolge van haar ziekte ervan af moest zien om deel te nemen aan de opleiding. Ook is duidelijk dat de ondernemer activiteiten heeft ontplooid om de consument allereerst de betreffende opleiding te laten volgen en toen bleek dat zij ten gevolge van haar ziekte niet verder kon deelnemen oplossingen heeft gezocht om het de consument mogelijk te maken in de toekomst alsnog de opleiding te volgen. Daarom zal de commissie op grond van artikel 7:411 lid 1 BW (Indien de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend, is verstreken, en de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de volbrenging of van het verstrijken van die tijd, heeft de opdrachtnemer recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Bij de bepaling hiervan wordt onder meer rekening gehouden met de reeds door de opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever daarvan heeft, en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd) bepalen welk bedrag aan loon de ondernemer op grond van de redelijkheid en billijkheid toekomt. De commissie bepaalt dat op 25% van het betaalde bedrag van €1.720,–, zijnde €430,–. Dit betekent dat de ondernemer een bedrag van € 1.290, — aan de consument moet terugbetalen.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De ondernemer betaalt aan de consument een vergoeding van €1.290,–. Betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies.

Indien betaling niet tijdig plaatsvindt, betaalt de ondernemer bovendien de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de verzenddatum van het bindend advies.

De commissie wijst het meer of anders verlangde af.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 107,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie een bijdrage in de behandelingskosten verschuldigd. Aldus beslist door de Geschillencommissie Particuliere Onderwijsinstellingen, bestaande uit de heer prof. mr. A.W. Jongbloed, voorzitter, de heer C. Broers, de heer mr. dr. S.O.H. Bakkerus, leden, op 16 december 2024.

Opslaan als PDF