Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: Patiëntveiligheid
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
1292490/1334884
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een man heeft een klacht ingediend tegen het Maastricht Universitair Medisch Centrum+ over de behandeling en verzorging van zijn vader, die later is overleden. Volgens de man werd zijn vader ten onrechte opgenomen op een afdeling waar het norovirus voorkwam. Ook zou hij onvoldoende hulp hebben gekregen bij het eten, toiletbezoek en innemen van medicijnen. Daarnaast vindt de man dat zijn vader te vroeg uit het ziekenhuis is ontslagen en naar een revalidatiecentrum is overgebracht. Hij stelt dat deze fouten hebben bijgedragen aan het overlijden van zijn vader en vraagt daarom € 25.000 schadevergoeding. De commissie oordeelt dat het ziekenhuis voldoende maatregelen had genomen om verspreiding van het norovirus te voorkomen. Ook was de overplaatsing naar het revalidatiecentrum volgens de beschikbare medische informatie verantwoord. De meeste klachten over de verzorging zijn niet bewezen. Wel heeft het ziekenhuis één keer de toediening van medicijnen niet goed vastgelegd in het medisch dossier. Daarom verklaart de commissie de klacht over de verzorging gedeeltelijk gegrond. Er is echter niet gebleken dat deze fout schade heeft veroorzaakt of heeft bijgedragen aan het overlijden. De gevraagde schadevergoeding wordt daarom afgewezen. Het ziekenhuis moet wel het betaalde klachtengeld van € 127,50 aan de man terugbetalen.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)en
Maastricht Universitair Medisch Centrum+, gevestigd te Maastricht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juli 2026 te Utrecht. Namens de zorgaanbieder waren aanwezig [naam] (advocaat Centramed), [naam] (Centramed), [naam] (internist ouderengeneeskunde) en [naam] (jurist). De cliënt was zelf ter zitting aanwezig, samen [naam] (zijn broer).
Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil gaat over of de zorgaanbieder tekortgeschoten is bij de behandeling en verzorging van de vader van de cliënt. Meer in het bijzonder klaagt de cliënt dat:
1) de vader van de cliënt ten onrechte is opgenomen op een afdeling waar het norovirus heerste;
2) de vader van de cliënt tijdens de opname onvoldoende zorg en verzorging heeft ontvangen;
3) de vader van de cliënt onterecht door de zorgaanbieder is ontslagen en in een te zwakke staat is doorverwezen naar revalidatiecentrum Vitala+;
4) familieleden onjuist zijn bejegend doordat zij door de politie uit het ziekenhuis zijn geëscorteerd.
De cliënt stelt dat zijn vader als gevolg van onjuist handelen van de zorgaanbieder is komen te overlijden en vordert een immateriële schadevergoeding van € 25.000,-.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt stelt zich op het standpunt dat de zorgaanbieder tekortgeschoten is in de behandeling en verzorging van zijn vader, met als gevolg dat zijn vader is overleden. Volgens de cliënt is zijn vader ten onrechte opgenomen op een afdeling waar het norovirus heerste. Gelet op de kwetsbare gezondheidstoestand van zijn vader had hij daar niet mogen worden geplaatst. Volgens de cliënt had een opnamestop moeten gelden en had zijn vader op de afdeling waar hij aanvankelijk verbleef, afdeling A5, moeten blijven. De cliënt is van mening dat zijn vader op afdeling B5 besmet is geraakt met het norovirus, hetgeen uiteindelijk heeft bijgedragen aan zijn overlijden.
Daarnaast stelt de cliënt dat de verzorging van zijn vader tijdens de opname tekort is geschoten. Zijn vader zou regelmatig lang hebben moeten wachten op hulp bij de toiletgang, meerdere malen in zijn urine hebben gelegen en niet steeds de benodigde ondersteuning hebben gekregen bij eten, medicatiegebruik en het toedienen van oogdruppels. Volgens de cliënt heeft de familie hierdoor zelf veel zorgtaken moeten overnemen.
Verder voert de cliënt aan dat zijn vader ten onrechte is ontslagen door de zorgaanbieder en naar revalidatiecentrum Vitala+ is overgebracht. Gelet op zijn lichamelijke toestand was hij volgens de cliënt niet sterk genoeg voor een dergelijke overplaatsing, onder meer omdat zijn leverwaarden te hoog waren. De cliënt stelt tijdens de zitting dat de zorgaanbieder te kampen had met beddendruk en dat zijn vader daarom naar Vitala+ is overgebracht. Dat zijn vader kort na aankomst in Vitala+ sterk achteruitging, bevestigt volgens de cliënt dat het ontslag voortijdig heeft plaatsgevonden.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De zorgaanbieder betwist dat sprake is geweest van een tekortkoming in de behandeling van de vader van de cliënt. Volgens de zorgaanbieder was afdeling B5, gelet op de zorgbehoefte van patiënt, de meest geschikte afdeling. Er bestaat altijd een risico op besmetting met een virus in een ziekenhuis. Er was op het moment dat de vader van de cliënt besmet raakte met het norovirus geen opnamestop. Er waren wel maatregelen getroffen tegen de verspreiding van het norovirus. Zo worden patiënten geïsoleerd verpleegd, dragen medewerkers beschermende kleding en wordt er een mond-neusmasker gedragen.
Daarnaast heeft de vader van de cliënt gedurende zijn opname uitgebreide multidisciplinaire zorg ontvangen. Wel is eenmaal geconstateerd dat toegediende medicatie niet was afgetekend in het dossier. De zorgaanbieder erkent dat dit niet zorgvuldig is geweest. Daarbij wordt benadrukt dat de medicatie wel was toegediend en dat de patiënt hiervan geen nadeel heeft ondervonden. Dit is dezelfde dag nog met familie van vader besproken. Voor het overige stelt de zorgaanbieder dat er geen sprake is geweest van tekortkomingen in de verzorging van patiënt.
Ten aanzien van de overplaatsing naar Vitala+ stelt de zorgaanbieder dat voorafgaand daaraan aanvullend medisch onderzoek heeft plaatsgevonden, waarbij geen afwijkingen zijn vastgesteld die aan ontslag in de weg stonden. De overplaatsing heeft plaatsgevonden nadat gedurende enige tijd sprake was van een stabiele medische situatie en werd door het multidisciplinair team medisch verantwoord geacht. Dat patiënt nadien achteruit is gegaan, maakt volgens de zorgaanbieder niet dat het ontslag voortijdig was.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Juridisch kader
Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende juridische kader. De overeenkomst die is gesloten tussen de vader van de cliënt en de zorgaanbieder is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen. Daarbij moet de hulpverlener handelen in overeenstemming met de op hem/haar rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Ter zitting is gebleken dat het klachtonderdeel over het politieoptreden geen bespreking behoeft omdat het niet gaat over handelen van de zorgaanbieder.
De commissie dient te onderzoeken of de zorgaanbieder bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden al dan niet de hiervoor omschreven zorgplicht heeft nageleefd.
Opname op de afdeling B5
De vraag die centraal staat, is of de zorgaanbieder ten onrechte de vader van de cliënt heeft geplaatst op afdeling B5, gelet op de aanwezigheid van patiënten met het norovirus op die afdeling.
De commissie oordeelt dat niet is gebleken dat sprake was van een situatie waarin het nororivus op de afdeling op zo’n grote schaal heerste dat opname van nieuwe patiënten onverantwoord was. Weliswaar is erkend dat zich op de afdeling patiënten bevonden die besmet waren met het norovirus, maar dit vormt op zichzelf geen reden om patiënten niet op de afdeling op te nemen of over te plaatsen. Het norovirus komt regelmatig voor in een ziekenhuisomgeving en de enkele aanwezigheid van besmette patiënten betekent niet dat een gehele afdeling niet meer veilig gebruikt kan worden. Daarnaast acht de commissie de overplaatsing zorgvuldig nu niet betwist is dat afdeling A5 bestemd was voor oncologische patiënten en de vader van de cliënt niet tot deze doelgroep behoorde. Plaatsing op afdeling B5 was daarom niet onredelijk.
Hoewel de commissie begrijpt dat de verplaatsing van de vader van de cliënt naar afdeling B5 en het vervolgens ontstaan van een infectie de indruk kunnen wekken dat sprake is van een oorzakelijk verband, is dat verband niet gebleken. Het risico op het oplopen van een infectie in een ziekenhuis is op elke afdeling aanwezig en kan de zorgaanbieder niet worden toegerekend, mits de juiste infectiepreventiemaatregelen zijn getroffen. Uit de overgelegde stukken en het ter zitting behandelde blijkt dat de vader van de cliënt op een eenpersoonskamer verbleef en, na constatering dat hij besmet was met het norovirus, in isolatie werd verpleegd. Ook werd er op de afdeling een mond-neusmasker gedragen en droegen medewerkers beschermende kleding. Daarmee stelt de commissie vast dat de werkwijze van de zorgaanbieder aansluit bij de algemeen gangbare ziekenhuispraktijk en dat niet is gebleken dat de zorgaanbieder tekortgeschoten is in zijn zorgplicht. De commissie oordeelt deze klacht als ongegrond.
Onvoldoende zorg en verzorging
Ten aanzien van de klacht over de verzorging overweegt de commissie als volgt.
Vast staat dat één keer de toediening van de epilepsiemedicatie niet op zorgvuldige wijze is afgetekend in het medisch dossier. De zorgaanbieder heeft erkend dat de registratie op dit punt beter had gekund. Hoewel de commissie van oordeel is dat de verslaglegging rondom de medicatieverstrekking in dit geval niet heeft voldaan aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen, is niet gebleken dat de vader van de cliënt hiervan nadeel heeft ondervonden. Evenmin is aannemelijk geworden dat dit handelen in causaal verband staat met de gestelde schade of het overlijden van de vader van cliënt.
Voor het overige zijn de gestelde tekortkomingen in de verzorging niet komen vast te staan. Ter zitting heeft de cliënt bevestigd dat niet wordt gesteld dat de vader van de cliënt helemaal geen verzorging heeft ontvangen, maar dat de kwaliteit daarvan naar zijn oordeel beter had gekund. Zo stelt de cliënt dat hij zelf vaak de verzorging moest overnemen door zijn vader te helpen met eten en het innemen van medicatie. De zorgaanbieder stelt dat de zorg dagelijks wordt verdeeld onder de aanwezige verpleegkundigen en dat daarbij, afhankelijk van de actuele zorgbehoefte op de afdeling, prioriteiten worden gesteld. Niet iedere patiënt ontvangt op hetzelfde moment verzorging; verpleegkundigen dienen daarbij afwegingen te maken ten aanzien van de meest urgente zorg. De commissie acht deze werkwijze niet ongebruikelijk of onzorgvuldig. Ook is niet gebleken dat de noodzakelijke zorg niet is verleend. Verder kan de commissie op basis van de beschikbare stukken en het besproken ter zitting niet vaststellen dat de zorgverlening op dit punt tekort is geschoten.
Daarom is dit klachtonderdeel uitsluitend ten aanzien van één onzorgvuldige registratie van de medicatie gegrond en voor het overige ongegrond.
Ontslag door de zorgaanbieder en overplaatsing naar revalidatiecentrum
De cliënt en diens familie zijn van mening dat de vader van de cliënt ten tijde van zijn ontslag te kwetsbaar was om naar Vitala+ te worden overgeplaatst. De cliënt voert aan dat de leverwaarden van zijn vader te hoog waren voor deze overplaatsing. De cliënt kreeg de indruk dat het ontslag plaatsvond omdat er sprake was van beddendruk bij de zorgaanbieder en niet uitsluitend door de medische situatie van zijn vader. De omstandigheid dat de gezondheidstoestand van de vader van de cliënt verslechterde en later opnieuw in het ziekenhuis moest worden opgenomen, heeft de overtuiging van de cliënt dat het ontslag te voorbarig was versterkt.
Voor de commissie is bepalend of op het moment van ontslag nog ziekenhuiszorg noodzakelijk was. Uit het dossier en de toelichting van de zorgaanbieder, die op dit punt niet wordt betwist, blijkt dat de situatie van de vader van de cliënt multidisciplinair is beoordeeld. Daar is geconcludeerd dat geen medische noodzaak meer bestond voor voortzetting van de ziekenhuisopname, maar wel voor de revalidatiezorg. Niet is gebleken dat hij op dat moment behandelingen nodig had die uitsluitend door de zorgaanbieder konden worden geboden. Ook overweegt de commissie dat afwijkende leverwaarden op zichzelf geen reden vormen voor een ziekenhuisverblijf. Afwijkende leverwaarden kunnen meerdere oorzaken hebben en vormen op zichzelf geen medische belemmering voor ontslag naar een revalidatie-instelling. Ook het feit dat de vader van de cliënt na de overplaatsing verder verzwakte en zes dagen later opnieuw in het ziekenhuis moest worden opgenomen, betekent niet zonder meer dat het ontslagbesluit achteraf bezien onjuist was. De commissie kan niet vaststellen dat deze verslechtering ten tijde van het ontslag zodanig voorzienbaar was dat de vader van de cliënt in het ziekenhuis had moeten blijven. Evenmin is gebleken dat het ontslag is ingegeven door beddendruk.
De commissie concludeert dan ook dat niet is gebleken dat de vader van de cliënt ten onrechte of te vroeg uit het ziekenhuis is ontslagen en naar Vitala+ is overgeplaatst. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Schadevergoeding
Voor toekenning van een vordering tot schadevergoeding moet sprake zijn van een toerekenbare tekortkoming. Daarnaast moet voldoende aannemelijk zijn dat de gestelde schade het gevolg is van die tekortkoming. Met betrekking tot de klachten die door de commissie ongegrond zijn verklaard, is er geen sprake van een tekortkoming. De enkele gegrond bevonden klacht dat de registratie van de medicatie éénmaal niet zorgvuldig is geweest, is onvoldoende voor toekenning van een schadevergoeding, nu niet is gebleken dat de vader van de cliënt hier nadeel van heeft ondervonden.
Voor zover de cliënt aanspraak maakt op immateriële schadevergoeding, overweegt de commissie dat niet is gebleken van omstandigheden die recht geven op vergoeding als bedoeld in artikel 6:106 lid 1, aanhef onder b, BW. De cliënt heeft geen concrete gegevens aangevoerd waaruit naar objectieve maatstaven vastgesteld geestelijk letsel blijkt. Daarom komt de vordering niet voor toewijzing in aanmerking.
De vordering tot schadevergoeding wordt daarom afgewezen. Wel dient de zorgaanbieder het door de cliënt betaalde klachtengeld te vergoeden, nu de klacht ten dele gegrond wordt verklaard.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd. Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht rondom de opname op afdeling B5 ongegrond;
– verklaart de klacht over de verzorging gedeeltelijk gegrond;
– verklaart de klacht over de overplaatsing naar het revalidatiecentrum ongegrond;
– wijst de vordering tot schadevergoeding af;
– bepaalt dat de zorgaanbieder het door de cliënt betaalde klachtengeld van € 127,50 aan hem dient te vergoeden binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. J.M. van Jaarsveld, voorzitter, de heer dr. C.M.C. Serbanescu Kele Apor de Zalán, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 8 juli 2026.