Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg
Categorie: (On)zorgvuldigheid
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1313643/1336591
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De uitspraak betreft een klacht over de continuïteit van een gespecialiseerde behandeling binnen een ggz-instelling. De cliënt stelde dat de behandeling gedurende twee jaar werd gekenmerkt door wisselingen van behandelaren, waardoor een onveilige en instabiele behandelrelatie ontstond en een afgesproken behandeltraject niet kon worden afgerond. Ook zou de overdracht naar een andere instelling onvoldoende zijn geweest. De commissie oordeelt dat het vertrek van behandelaren op zichzelf niet aan de zorgaanbieder kan worden toegerekend. Doorslaggevend is hoe de zorgaanbieder vervolgens heeft gehandeld. Uit het dossier blijkt dat de zorgaanbieder de gevolgen van de personeelswisselingen met de cliënt heeft besproken, alternatieve oplossingen heeft aangeboden en heeft zorggedragen voor een warme overdracht naar een opvolgende behandelaar. Dat de cliënt deze oplossingen niet heeft geaccepteerd en een uitgebreidere overdracht wenselijk vond, betekent niet dat de zorgaanbieder haar zorgplicht heeft geschonden. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
mevrouw [naam cliënt], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)
en
Stichting GGZ inGeest, Locatie Overschiestraat 4e verdieping, gevestigd te Amsterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026 te Utrecht.
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft de continuïteit van de zorg.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt heeft zich in 2023, na een verwijzing van de huisarts, aangemeld bij de zorgaanbieder ([naam afdeling]) voor een gespecialiseerde traumabehandeling. De cliënt stelt dat er gedurende het twee jaar durende traject (2023-2025) sprake is geweest van ernstige continuïteitsproblemen door een hoge uitstroom van personeel, waardoor de zorgverlening tekort is geschoten en de klachten zijn verergerd. De cliënt heeft binnen een tijdsbestek van twee jaar tien tot elf verschillende therapeuten gesproken. Dit heeft geleid tot een onveilige en instabiele behandelomgeving.
Na de eerste formele klacht, in september 2024, werd een hersteloplossing overeengekomen (NET-therapie en PMT-ondersteuning). De desbetreffende psychotherapeut zei expliciet toe het volledige traject van circa tien maanden te voltooien. Deze therapeut nam echter na zes maanden ontslag. Vrijwel gelijktijdig vertrok ook de PMT-therapeut, waardoor de geboden oplossing eenzijdig is gestrand en de NET-therapie niet kon worden afgerond. De cliënt stelt dat er hierna, buiten een oriënterend gesprek, geen warme of professionele overdracht heeft plaatsgevonden naar de opvolgende behandelaar ([naam instelling]).
Verzoek tot schadevergoeding
De cliënt verzoekt als gevolg van het onzorgvuldig handelen van de zorgaanbieder een schadevergoeding van € 13.000,-.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De zorgaanbieder stelt dat geen sprake is van onzorgvuldig handelen. De zorgaanbieder heeft de cliënt tijdig geïnformeerd over het vertrek van behandelaren en oplossingen hiervoor geboden, zoals het intensiveren van de behandeling of een warme overdracht. De cliënt heeft zelf aangegeven geen gebruik te willen maken van de aangeboden alternatieven. De zorgaanbieder heeft zich steeds ingespannen om een continue behandeling aan te bieden. Het is overmacht dat behandelaren besluiten om uit dienst te treden.
Verzoek tot schadevergoeding
De zorgaanbieder stelt dat het verzoek tot schadevergoeding moet worden afgewezen, omdat geen sprake is van onzorgvuldig handelen aan de zijde van de zorgaanbieder.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW). Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Inhoudelijke beoordeling
De commissie merkt allereerst op dat niet in alle – tien of elf – gevallen die de cliënt noemt, sprake is van vertrokken behandelaren. Daarnaast is ook sprake van gesprekken met therapeuten die – deels om de cliënt moverende redenen – niet tot behandeling hebben geleid. De commissie stelt voorts voorop dat het de zorgaanbieder niet kan worden aangerekend dat behandelaren uit dienst treden. Van belang is in zo een situatie de wijze waarop de zorgaanbieder vervolgens met de cliënten van de vertrekkende medewerkers omgaat. De commissie stelt op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken vast dat de zorgaanbieder voortdurend aandacht heeft gehad voor de impact van de vertrekkende behandelaren op de cliënt. Dit blijkt uit het feit dat de zorgaanbieder meerdere gesprekken hierover heeft gevoerd met de cliënt en oplossingen heeft aangedragen voor de ontstane situatie, waaronder intensivering van de behandeling en behandeling bij een andere behandelaar. De cliënt heeft die oplossingen, om haar moverende redenen, niet geaccepteerd. Dat is het goed recht van de cliënt, maar onder deze omstandigheden kan dan niet gesteld worden dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld. In dit kader heeft de commissie ook gelet op het feit dat door de zorgaanbieder is gezorgd voor een warme overdracht naar de opvolgende behandelaar van de cliënt, [naam instelling]. Dat deze overdracht minder uitgebreid is geweest dan de cliënt voor ogen stond, maakt niet dat de zorgaanbieder in dit opzicht tekort is geschoten.
Gelet op al het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht van de cliënt ongegrond is.
Verzoek tot schadevergoeding
Voor aanspraak op een schadevergoeding is vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting of (anderszins) onrechtmatig heeft gehandeld. De commissie heeft geoordeeld dat de klacht van de cliënt ongegrond is. Van een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatig handelen van de zorgaanbieder is aldus niet gebleken. Dit betekent dat de cliënt geen aanspraak kan maken op een schadevergoeding. De verzochte schadevergoeding zal worden afgewezen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de cliënt ongegrond;
– wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, mevrouw drs. F. Zwanepol, mevrouw mr. H.E.L. Loeffen, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. K.E. Heins, secretaris, op 9 juli 2026.