Opzegging campingplaats ongeldig omdat geen concreet herstructureringsplan was

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Recreatie    Categorie: Herstructurering    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 1003674/1318658

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een consument klaagde over de opzegging van zijn huurplaats op een recreatieterrein. De ondernemer had de huurovereenkomst opgezegd omdat hij het terrein wilde herstructureren. Volgens de consument was die opzegging ongeldig, omdat de ondernemer geen concreet en uitvoerbaar plan had laten zien, zoals de regels voorschrijven. Ook stelde de consument dat zijn huurgenot al eerder was verstoord. De commissie oordeelde eerst dat de klacht over het huurgenot niet behandeld kon worden, omdat een rechter daar al eerder over had beslist. Dat deel van de klacht werd daarom niet‑ontvankelijk verklaard. Vervolgens keek de commissie naar de opzegging zelf. De ondernemer had wel stukken aangeleverd, maar die bestonden vooral uit een schets en een voorbeeld van hoe het terrein er in de toekomst uit zou kunnen zien. Volgens de commissie is dat niet genoeg om te spreken van een concreet en uitvoerbaar plan. Zo ontbrak een duidelijke beschrijving van de huidige situatie, de gewenste eindsituatie en de vraag of het plan past binnen het bestemmingsplan. Omdat niet aan deze voorwaarden is voldaan, is de opzegging ongeldig en dus niet rechtsgeldig gedaan. De klacht van de consument wordt daarom voor dit deel gegrond verklaard. De ondernemer moet het klachtengeld terugbetalen, maar mag in de toekomst wel opnieuw opzeggen als hij een correct plan heeft.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de opzegging van de huurovereenkomst door de ondernemer, gedaan op 10 februari 2025 tegen 1 maart 2026, en het belemmeren van vrij en rustig huurgenot vanaf augustus 2024.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De opzegging van de huurovereenkomst d.d. 10 februari 2025 tegen 1 maart 2026 is nietig, aangezien niet is voldaan aan het gestelde in artikel 11, lid 1, onder h, van de RECRON-voorwaarden. Ingevolge die bepaling dient de ondernemer ten tijde van de opzegging een concreet en uitvoerbaar plan hebben. De consument heeft een dergelijk plan nooit ontvangen.

Over de dagvaarding van 20 januari 2026 (zie standpunt ondernemer hieronder) wordt het volgende gezegd door de consument: Voormelde dagvaarding is niet aangebracht, nu de raadsman van de ondernemer schriftelijk heeft medegedeeld niet te ontruimen zolang de overeenkomst niet beëindigd is en dat tot dan het rustig en vrij huurgenot gegarandeerd is.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, waarvan in het bijzonder het verweerschrift van 16 december 2025. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Nu de door de consument genoemde verweren niet kunnen niet slagen, treft de opzegging terecht doel. In het formulier van de commissie wordt nogmaals bevestigd dat het geschil betrekking heeft op (1) opzegging van de huurovereenkomst d.d. 10 februari 2025 tegen 1 maart 2026 en (2) het belemmeren van vrij en rustig huurgenot vanaf augustus 2024. Ten aanzien van punt 2 heeft de rechter in kort geding al geoordeeld dat hiervan geen sprake is en dat vonnis heeft kracht van gewijsde. Bovendien zou – nu punt 2 is beslecht door de overheidsrechter – punt 2 niet opnieuw nog voor behandeling vatbaar zijn door de commissie, zodat de consument hierin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

In ieder geval staat vast dat de consument niet voortvarend procedeert bij de commissie en dat hij tussendoor ook nog procedures start bij de overheidsrechter. Ook nu opnieuw, waarbij een kort geding wordt gestart, dat op 20 januari 2026 zal dienen.

De ondernemer heeft gesteld dat er volstrekt geen sprake is van een nietige opzegging. Het lijkt erop dat de consument van mening is dat er sprake is van nietigheid, omdat er geen (concreet en uitvoerbaar) plan gedeeld is. Dat is niet juist, aldus de ondernemer. Aan de consument is het plan toegelicht, welk plan concreet en uitvoerbaar is. Sterker nog, inmiddels zijn, met uitzondering van de plaats waarop het kampeermiddel van de consument staat, de kampeerplaatsen conform het herstructureringsplan gerealiseerd.

Juridisch kader

RECRON-voorwaarden (vaste plaatsen) 2016

Artikel 11, lid 1, onder h.

De ondernemer kan de overeenkomst schriftelijk beëindigen indien:

De ondernemer een herstructureringsplan voor (een deel van) het terrein tot uitvoering gaat brengen, waarvoor de plaats van de recreant, waarop een verplaatsbaar of een niet meer verplaatsbaar kampeermiddel is geplaatst, nodig is.

Om tot opzegging te kunnen overgaan, moet de ondernemer een concreet en uitvoerbaar plan hebben, in die zin dat een eventueel benodigde vergunning, wijziging, of ontheffing van het bestemmingsplan is verleend, dan wel op redelijke termijn te verwachten is.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Ontvankelijkheid

Het geschil heeft betrekking op de opzegging van de huurovereenkomst d.d. 10 februari 2025 tegen 1 maart 2026 en het belemmeren van vrij en rustig huurgenot vanaf augustus 2024. Ten aanzien van dat laatste heeft de rechter in kort geding al geoordeeld dat hiervan geen sprake is en dat vonnis heeft kracht van gewijsde. In het licht hiervan heeft de ondernemer naar voren gebracht dat de consument niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klacht voor zover die ziet op het belemmeren van vrij en rustig huurgenot. Zoals de commissie partijen reeds ter zitting heeft meegedeeld, volgt de commissie die zienswijze, wat maakt dat zij de consument niet-ontvankelijk zal verklaren in diens klacht, voor zover die ziet op het belemmeren van vrij en rustig huurgenot.

Klacht inzake de opzegging van de huurovereenkomst

De ondernemer heeft gesteld dat er volstrekt geen sprake is van een nietige opzegging. Het lijkt erop dat de consument van mening is dat er sprake is van nietigheid, omdat er geen (concreet en uitvoerbaar) plan gedeeld is. Dat is niet juist, aldus de ondernemer. Aan de consument is het plan toegelicht, welk plan concreet en uitvoerbaar is. Sterker nog, inmiddels zijn, met uitzondering van de plaats waarop het kampeermiddel van de consument staat, de kampeerplaatsen conform het herstructureringsplan gerealiseerd.

De ondernemer heeft het door hem bedoelde herstructureringsplan overgelegd, welk plan ten tijde van opzegging aan de consument kenbaar zou zijn gemaakt. Dit plan bestaat uit een artist-impressie van de architect hoe en ander in de toekomst eruit komt te zien, met daarbij plattegronden van de te plaatsen kampeermiddelen, én een foto van wat er al gerealiseerd is. Naar het oordeel van de commissie kan het door de ondernemer overgelegde stuk niet worden gekwalificeerd als een concreet en uitvoerbaar plan zoals bedoeld in artikel 11, lid 1, onder h, van de RECRON-voorwaarden (vaste plaatsen) 2016. Daarvoor is op zijn minst nodig dat de beginsituatie en het gewenste eindresultaat worden beschreven en dat wordt aangegeven of de geplande herstructurering valt binnen het bestemmingsplan. Wil er sprake zijn van een concreet en uitvoerbaar plan, kan dan ook niet worden volstaan met een artist-impressie en een foto van wat er al gerealiseerd is. In het licht hiervan is de commissie van oordeel dat de opzegging van de huurovereenkomst niet rechtsgeldig is gedaan en daarmee nietig is.

Op grond van het voorgaande zal de commissie de klacht gegrond verklaren. Dit staat er overigens niet aan in de weg dat de ondernemer te zijner tijd opnieuw de overeenkomst opzegt, in dat geval met een correcte toepassing van de vigerende regelgeving.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de consument niet-ontvankelijk in zijn klacht, voor zover deze ziet op het belemmeren van vrij en rustig huurgenot.

De commissie verklaart de klacht voor het overige gegrond.

De commissie bepaalt dat de opzegging van de overeenkomst niet rechtsgeldig is gedaan en daarmee nietig is.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer P.W.M. Meijkamp, mevrouw mr. J.M. Huijsman- Hartkamp, leden, op 17 april 2026.

Opslaan als PDF