Verkorting maximale verblijfsduur op recreatiepark ongeldig verklaard

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Recreatie    Categorie: Overeenkomst    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1075746/1213096

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Deze zaak gaat over een recreant die bezwaar maakte tegen de beslissing van de ondernemer om de maximale verblijfsduur op het recreatiepark te verkorten van acht naar zes maanden per jaar. Volgens de consument gebeurde dit zonder overleg en zonder financiële compensatie, terwijl dit gevolgen heeft voor het gebruik en de waarde van zijn recreatiewoning. De commissie oordeelde dat de ondernemer geen geldige juridische grond had voor deze wijziging. Er was geen besluit van de Vereniging van Eigenaren genomen en afspraken met andere recreanten gelden niet automatisch voor alle standplaatshouders. Daarom is het besluit om de maximale verblijfsduur te verkorten nietig. De klacht is gegrond verklaard en voor de consument blijft de maximale verblijfsduur van acht maanden gelden.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de verkorting van de maximale termijn om te mogen recreëren (hierna: de maximale termijn) van acht naar zes maanden.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer heeft zonder enig overleg met de pachters de maximale termijn verkort van acht naar zes maanden, en dat zonder financiële compensatie. Als ik, als eigenaar van een recreatiewoning op gepachte grond, het daar niet mee eens ben, kan ik de overeenkomst beëindigen. En als ik niet voor een bepaalde datum akkoord ga met de (gewijzigde) overeenkomst, dan wordt deze automatisch beëindigd.
Ik heb daartegen geprotesteerd, evenals andere pachters. De klachten hebben ertoe geleid dat de termijn waarbinnen gereageerd kan worden, verlengd is tot 30 april 2025. Maar op de verkorting van de verblijfsduur en de (financiële) consequenties voor de pachters wordt niet ingegaan. De enige motivering van de verkorting naar zes maanden is dat er ‘een fout’ zou zijn’ opgetreden in de omschrijving van het begrip ‘permanente bewoning.’ Dit zou ‘niet in overeenstemming met de actuele regelgeving en handhaving binnen het park’ zijn. ‘De Vereniging van Eigenaren (VvE) kwalificeert een verblijf van langer dan zes maanden per kalenderjaar als permanente bewoning’. Dit aldus de ondernemer. Hierdoor ontstaat een niet goed te beargumenteren verschil in behandeling tussen huisjeseigenaren die wel en die niet over eigen grond beschikken. Ook word ik (en andere pachters) rechtstreeks in mijn (financiële) belangen geraakt. Niet alleen door het ontbreken van een financiële compensatie, maar vooral doordat mijn huisje minder aantrekkelijk wordt voor een potentiële koper en daardoor de verkoopbaarheid afneemt.

Ter zitting heeft de gemachtigde van de consument nog aangevoerd – kort samengevat – dat er geen VvE-besluit is genomen met betrekking tot het verkorten van de maximale termijn. Hij vraagt zich dan ook af of er überhaupt wel sprake is van een rechtsgeldig besluit ten aanzien van het verkorten van de maximale termijn.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, waarvan in het bijzonder het (ongedateerde) verweerschrift. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De Vereniging van Eigenaren (VvE) handhaaft tegen permanente bewoning. Daartoe zijn dagvaardingen uitgebracht.

De ondernemer omschreef voorgaande jaren op de jaarcontracten dat een maximum van acht maanden verblijfsduur per kalenderjaar toegestaan was. Deze maximale termijn stond omschreven om permanente bewoning te voorkomen. Nu de VvE in de dagvaarding een termijn van maximaal zes maanden hanteert, heeft de ondernemer als lid van de VvE direct de jaarcontracten aangepast.

Uiteraard staat de ondernemer altijd open voor oplossingen. De recreanten kregen om deze reden alsnog de kans om de huur voor het jaar 2025 op te zeggen.

Toen de consument op 8 december 2024 aangaf dat hij de aanpassing een ingrijpende wijziging vond, heeft de ondernemer aangeboden om de opzegtermijn met enkele maanden te verlengen. Op deze wijze voldeed de ondernemer aan de wens van de consument, maar voldoen we nog wel aan de actuele regelgeving en handhaving binnen het park.

De consument heeft niet meer gereageerd op het aanbod van de ondernemer en voldeed op 30 december 2024 de jaarnota. Hij heeft geen gebruik gemaakt van opzegging met de verlengde opzegtermijn tot 30 april 2025. De ondernemer is er dus vanuit gegaan dat hij akkoord was met zijn voorstel.

De overeenkomst voor 2026 zal worden aangeboden met een maximale verblijfsduur van zes maanden. Op deze wijze voldoet de ondernemer aan de voorwaarden die de VvE aan haar leden stelt.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Naar aanleiding van het verweerschrift van de ondernemer, waarin onder meer is gesteld dat de VvE een aantal dagvaardingen heeft uitgebracht waarin de maximale termijn van zes maanden is gehanteerd, heeft de commissie tijdig aan de ondernemer verzocht om de (geanonimiseerde) vonnissen van de kantonrechter over te leggen, zodat ter zitting duidelijk zou zijn wat het standpunt van de kantonrechter is met betrekking tot de verkorting van de maximale termijn naar zes maanden. Desgevraagd heeft de directeur namens de ondernemer ter zitting verklaard dat die vonnissen er niet zijn. Bij in ieder geval één zaak die is aangebracht bij de kantonrechter, heeft de kantonrechter partijen verzocht buiten de zittingzaal te onderzoeken of ze tot een onderlinge oplossing zouden kunnen komen. Het resultaat daarvan is geweest, aldus de directeur, dat tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen waarin onder meer is vastgelegd dat de maximale termijn zes maanden bedraagt. Ook is in die overeenkomst de definitie van permanent bewonen vastgelegd, in die zin dat er bij een verblijf van meer dan zes maanden sprake is van permanente bewoning. Gelet hierop is de directeur van mening dat deze afspraken ook van toepassing dienen te zijn op alle standplaatshouders op zijn park, onder wie de consument. Dit om te voorkomen dat er verschillen ontstaan tussen de verschillende categorieën standplaatshouders, te weten standplaatshouders die eigenaar zijn van de kavel waarop de recreatiewoning staat en standplaatshouders die de kavel huren.

Verder heeft de directeur desgevraagd verklaard dat de verkorting van de maximale termijn naar zes maanden wel is besproken binnen de VvE, maar dat daarover geen besluit is genomen.

De commissie ziet zich gesteld voor de vraag of de ondernemer het besluit tot verkorting van de maximale termijn rechtsgeldig heeft genomen. De commissie beantwoordt die vraag ontkennend. Allereerst is van belang op te merken dat aan de verkorting van de maximale termijn geen besluit van de VvE is voorafgegaan. Daarnaast brengt het enkele feit dat de ondernemer met een of meerdere standplaatshouders een vaststellingsovereenkomst is overeengekomen waarin de maximale termijn is verkort tot zes maanden, niet met zich dat andere standplaatshouders ook aan die afspraken zijn gebonden. Feitelijk ontbreekt dus een juridische grondslag voor het besluit van de ondernemer om de maximale termijn te verkorten van acht naar zes maanden en daarmee is dat besluit nietig.

Op grond van het voorgaande zal de commissie de klacht gegrond verklaren en het besluit tot verkorting van de maximale termijn nietig verklaren. Dat betekent dat voor de consument nog steeds een termijn van acht maanden geldt als het gaat om de maximale termijn.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht gegrond.

De commissie verklaart het besluit van de ondernemer om de maximale termijn te verkorten naar een periode van zes maanden nietig

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer P.W.M. Meijkamp, mevrouw mr. J.M. Huijsman- Hartkamp, leden, op 18 september 2025.

Opslaan als PDF