Commissie: Voertuigen
Categorie: koopovereenkomst
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
1314798/1328371
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument kwam met de ondernemer een inruilwaarde van € 6.500,- overeen voor zijn auto, maar kort voor de levering van de aangekochte Suzuki werd deze waarde verlaagd naar € 5.000,- vanwege een volgens de ondernemer gemaakte fout. De commissie oordeelde dat geen sprake was van een voor de consument kenbare vergissing, omdat de auto vooraf was bekeken, getaxeerd en de overeengekomen prijs niet onrealistisch was. Omdat de consument uiteindelijk wel akkoord ging met een aangepaste overeenkomst, achtte de commissie beide partijen gedeeltelijk verantwoordelijk. Daarom moet de ondernemer € 750,- aan de consument vergoeden.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil vloeit voort uit een op 8 juli 2025 tussen de consument en de ondernemer tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van een gebruikte auto van het merk Suzuki, type Vitara, tegen een door de consument te betalen prijs van € 14.950, -.
De overeenkomst is op 26 juli 2025 uitgevoerd.
De consument heeft de klacht op 18 juli 2025 voorgelegd aan de ondernemer.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Na de aankoop werd de prijs van de door de consument in te ruilen auto plotseling gewijzigd en verlaagd van € 6.500, – naar € 5.000, -. Dit betekent een financiële strop van € 1.500, – voor de consument.
Op 17 juli 2025 hadden partijen telefonisch contact in verband met de aflevering van de auto. In dat gesprek deelde de ondernemer mee dat er een vergissing was gemaakt met de prijs van de in te ruilen auto van de consument. De inruilprijs zou met een bedrag van € 2.100, – naar beneden gaan. Als de consument daarmee niet akkoord zou gaan zou de ondernemer de overeenkomst niet door laten gaan. Onder druk van het niet leveren van de auto is de consument akkoord gegaan met een (lagere) inruilprijs van € 5.000, -.
Bij brief van 22 september 225 sommeerde de consument de ondernemer om de oorspronkelijke overeenkomst na te komen en werd de ondernemer in gebreke gesteld.
De consument verlangt nakoming van de eerste, op 8 juli 2025, tussen partijen tot stand gekomen koop/inruilovereenkomst.
Ter zitting heeft de consument voor zover van belang nog het volgende naar voren gebracht.
De ondernemer heeft de auto gezien en erin gereden en daarna het door de consument geaccepteerde aanbod van € 6.500, – gedaan. Pas op 17 juli 2025 kreeg de consument van de ondernemer te horen dat er een fout was gemaakt. De consument zag wel een andere auto op de overeenkomst staan, maar besteedde daaraan geen aandacht. Het ging om de overeengekomen prijs. De kentekenfout had de consument niet gezien. Het was een afgedwongen deal. De consument was al maanden op zoek naar een dergelijke auto. Hij is de dupe geworden van een eigen fout van de ondernemer. Het is een groot bedrag voor de consument.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Kort na het sluiten van de overeenkomst informeerde de ondernemer de consument dat er een foutieve inruilprijs alsook een foutief voertuig in de overeenkomst van 8 juli 2025 was opgenomen. De feitelijke inruilwaarde lag € 2.150, – lager dan de aanvankelijk vermelde inruilprijs. De ondernemer vond dit vervelend en kwam daarom de consument tegemoet met een lagere inruilwaarde van € 1.500, -, die in mindering zou worden gebracht.
Vervolgens is op 18 juli 2025 een nieuwe overeenkomst gesloten waarop de juiste inruilprijs stond vermeld. De consument is daarmee akkoord gegaan en heeft de overeenkomst getekend.
De latere overeenkomst heeft de eerdere overeenkomst vervangen. De nieuwe overeenkomst is volledig door partijen nagekomen.
De consument kon geen uitvoering geven aan de overeenkomst van 8 juli 2025 omdat daarop een auto was vermeld, waarvan de consument geen eigenaar was.
De fout van de ondernemer bestond daaruit dat bij het opstellen van de eerste koopovereenkomst een ander soortgelijk voertuig was geselecteerd als inruil en niet het voertuig van de consument. Het onjuiste voertuig had een hogere inruilwaarde. De vergissing werd pas later ontdekt omdat het systeem slechts één kenteken per inkooporder kan registreren. Voor het voertuig van de consument wilde de ondernemer € 4.350, – betalen en geen € 6.500, -. De ondernemer heeft zijn fout gecorrigeerd door de consument een extra inruil van € 500,- te verlenen.
Na het tekenen van de tweede overeenkomst kan de consument geen nakoming meer van de eerste overeenkomst meer verlangen. De in eerste instantie genoemde inruilprijs stemde niet in met de wil van de ondernemer. Immers de auto van de consument had een lagere inruilwaarde. Verklaring en wil kwamen niet overeen. Ook de consument kon redelijkerwijs aannemen dat de verklaring van de ondernemer niet op diens wil was gebaseerd. Er was sprake van een kennelijke fout en op grond van artikel 3: 33 BW is dan geen sprake van een geldige overeenkomst.
Er is geen sprake geweest van een volledig aanbod en dus niet van aanvaarding. Van een gerechtvaardigd vertrouwen van de consument was geen sprake, zie artikel 3: 35 BW. De consument wist of kon weten dat een vergissing was gemaakt. De auto van de consument had een defecte koppeling en daarmee was meer dan 200.000 km gereden. Ook blijkt uit het door de ondernemer opgestelde taxatierapport van veel lagere biedingen hadden gedaan en is het uiteindelijke bod van de ondernemer van € 4.350, na coulance € 5.000, – redelijk.
Bij het aangaan van de 2e koopovereenkomst boordt de ondernemer aan de overeenkomst kosteloos te ontbinden. Dat wilde de consument niet en hij tekende voor de 2e overeenkomst.
Ter zitting heeft de ondernemer voor zover van belang nog het volgende aangevoerd.
Op de betreffende dag werd tweemaal een dergelijke auto door de ondernemer ingeruild. De ondernemer kwam tot zijn prijs nadat hij de auto in het systeem had ingevoerd. Daarna werd de offerte gemaakt en toen is het misgegaan. Het is een vervelende situatie. De consument kon kiezen tussen niet-afnemen of aanvaarden op basis van de nieuwe en juiste voorwaarden. De oude overeenkomst is komen te vervallen. De consument heeft de keuze gehad en gemaakt en pas daarna is hij daarover gaan klagen. Op dat moment viel er niet meer over een nadere vergoeding te praten omdat de ondernemer al coulance had betracht
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
In dit geschil klaagt de consument erover dat de ondernemer na het sluiten van de koop/inruilovereenkomst, de prijs van de door de consument in te ruilen auto heeft verlaagd en de consument heeft gedwongen tot het aangaan van een tweede overeenkomst, met een lagere inruilwaarde. De consument stelt dat hij daardoor € 1.500, – schade heeft geleden en verlangt dat dit bedrag alsnog aan hem wordt betaald door de ondernemer.
De ondernemer voert gemotiveerd verweer.
In deze zaak beroept de ondernemer zich op een voor de consument kenbare kennelijke vergissing van de ondernemer bij het vaststellen van de inruilwaarde van de auto van de consument en voorts op het vrijwillig aangaan van de consument van de tweede overeenkomst op 17 juli 2025, waaraan uitvoering is gegeven.
Met de consument is de commissie van oordeel dat het beroep van de ondernemer op ‘een kennelijke vergissing’ niet opgaat.
De enkele omstandigheid dat op de overeenkomst niet de auto van de consument is vermeld, maar een soortgelijk voertuig is daarbij niet doorslaggevend omdat naar het oordeel van de commissie het niet evident is dat een inruilprijs van € 6.500, – evident een te hoge inruilprijs was. Daarbij komt dat de auto door de verkoper was gezien en bereden en blijkens het als productie 3 door de ondernemer in zijn verweerschrift ook was getaxeerd. De taxatieprijs op dat document bedroeg € 6.106, – terwijl een drietal biedingen van derden voor lagere bedragen worden vermeld. Ook heeft de verkoper van de ondernemer uitdrukkelijk en ondubbelzinnig de verkoopprijs aan de consument laten weten. Partijen hebben beiden voor akkoord getekend.
De omstandigheid dat als inruilauto niet, maar een andere auto wel stond vermeld kan de ondernemer niet baten nu het partijen duidelijk was dat de consument zijn auto wilde inruilen en niet de auto van een ander, zodat de consument kon volstaan met het inleveren van zijn auto.
Van belang is ook dat de ontdekking van de fout eerst kort voor de aflevering aan de consument werd meegedeeld. Kennelijk verkeerde de ondernemer ook langere tijd in de veronderstelling dat de transactie op juiste wijze tot stand was gekomen.
Kortom, een redelijke uitleg van de eerste overeenkomst brengt niet mee dat sprake is van een kennelijke vergissing voor wat betreft de hoogte van de inruilwaarde van de auto van de consument.
Vervolgens liet de ondernemer kort voor de aflevering weten dat hij niet onverkort wilde nakomen omdat niet de juiste auto met de juiste inruilwaarde op de koopovereenkomst stond vermeld. De consument stelt dat hij onder druk is gesteld om de overeenkomst te tekenen, maar de commissie stelt wel vast dat de consument eerst na geruime tijd bij de ondernemer is gaan klagen over die gang van zaken en aldus de indruk heeft gewekt daarmee in te stemmen.
Het is daarentegen wel zo dat nu sprake was van een rechtsgeldige overeenkomst de consument de ondernemer in en buiten rechte aan die overeenkomst had kunnen houden. De consument heeft dat nagelaten.
Gelet op alle hiervoor weergegeven omstandigheden is de commissie van oordeel dat het de ondernemer niet vrijstond zijn niet kenbare fout af te wentelen op de consument. De consument daarentegen heeft in enige mate de indruk gewekt daarin te berusten en geen voorbehoud gemaakt, “onder protest”, bij het aangaan van de tweede overeenkomst.
In het licht van een en ander en in overeenstemming van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding van partijen beheerst, is de commissie dan ook van oordeel dat de ondernemer een bedrag van 50% van het bedrag van € 1.500, – waarmee de inruilprijs werd verhoogd aan de consument dient terug te betalen.
Op grond van het bovenstaande is de klacht van de consument gedeeltelijk gegrond.
Derhalve wordt beslist als volgt.
Beslissing
De ondernemer betaalt een bedrag van € 750, aan de consument. Betaling dient plaats te vinden binnen 14 dagen na de verzenddatum van dit bindend advies.
De commissie wijst het meer of anders verlangde af.
Bovendien is de ondernemer het door de consument betaalde klachtengeld van € 127,50 aan de consument te vergoeden en voorts zal in overeenstemming met het reglement van de commissie een bedrag wegens de behandelingskosten in rekening worden gebracht.
Aldus vastgelegd en beslist door de Geschillencommissie Voertuigen, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, A.M. Velberg en H.W. Zuur, leden, op 23 april 2026.