Deel van naheffing verjaard door te late facturering energieleverancier

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: Verjaring    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1322884/1327811

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Na het herstel van problemen met de slimme gasmeter ontving de consument in 2025 naheffingen van ruim € 10.000,- over de periode 2021 tot en met 2025. De consument beriep zich op verjaring. De commissie volgde eerdere rechtspraak en oordeelde dat een energieleverancier jaarlijks het werkelijke verbruik moet afrekenen en dat de verjaringstermijn niet pas begint bij de latere correctiefactuur, maar al vanaf het moment waarop de betreffende jaarafrekening opeisbaar werd. Daardoor was een deel van de nagefactureerde bedragen inmiddels verjaard. De ondernemer moet nieuwe facturen opstellen waarin rekening wordt gehouden met de verjaring en duidelijk toelichten hoe het verbruik over de resterende periode is verdeeld.

De volledige uitspraak

Samenvatting
Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag met ingang van welke datum de verjaring begint te lopen. De commissie oordeelt conform een arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage.

Beoordeling
Partijen zijn overeengekomen het geschil aan de commissie voor te leggen, hoewel de vordering het in het reglement gestelde maximum van € 5.000,- voor de bevoegdheid van de commissie overschrijdt.

Ter zitting heeft de consument aan de orde gesteld dat het verweerschrift ingediend is door [rechtspersoon], die een andere rechtspersoon is dan de ondernemer. De ondernemer heeft toegelicht dat hij en [rechtspersoon] onder dezelfde holding vallen en dat [rechtspersoon] het verweerschrift namens hem heeft ingediend. De commissie gaat daarvan uit.

De consument heeft een dynamisch contract. Omdat meterstanden gas door storingen van de slimme meter (vervangen op 11 januari 2025) niet juist aan de ondernemer waren doorgegeven, kreeg de consument op 11 en 17 juli 2025 naheffingen over de periode 21 juni 2021 tot en met 31 mei 2025. Hij moest in totaal € 10.034,03 betalen. De consument is het niet eens met die afrekening. Hij beroept zich op verjaring. Hij wenst ook een toelichting op de berekening.
De ondernemer wijst het beroep op verjaring af. Hij verwijst naar een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 10 augustus 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:2527). Hij wijst met name op de dag van opeisbaarheid (artikel 3:307 Burgerlijk Wetboek), op welke dag de verjaring begint te lopen. Zijns inziens is die dag de datum van de facturen, zijnde 11 en 17 juli 2025.

Het beroep op verjaring is gebaseerd op artikel 7:5 juncto 7:28 Burgerlijk Wetboek (twee jaar). De commissie heeft in eerdere uitspraken geoordeeld dat de verjaring twee jaar voor de datum waarop gefactureerd is begint te lopen. Daarbij werd veelal verwezen naar het arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage d.d. 23 oktober 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:3140). De commissie acht de daarin gegeven beoordeling overtuigend, waarnaar zij kortheidshalve verwijst. Zij wijst in het bijzonder op de volgende overweging (waarin de genoemde artikelen uit de Algemene Voorwaarden ook in de Algemene Voorwaarden van de ondernemer staan, zij het in artikel 12):

“Het hof kan echter ook [energieleverancier] niet volgen in haar standpunt dat de verjaringstermijn pas is aangevangen toen [energieleverancier] het werkelijk gebruik met de factuur van 17 februari 2013 in rekening bracht. Het hof overweegt daartoe dat [energieleverancier] jaarlijks de koopprijs voor de werkelijk verbruikte energie kon en mocht opeisen. In artikel 14 AV [energieleverancier] staat immers dat de leverancier ([naam]) tenminste éénmaal per jaar de verschuldigde bedragen door middel van een gespecificeerde nota aan de contractant ([appellante]) in rekening brengt (lid 1) en daarbij de voorschotten, indien die moesten worden betaald (zoals bij [appellante]), verrekent (lid 4). Dit betekent dat [energieleverancier] jaarlijks de kosten van het werkelijke verbruik in rekening mocht (en in beginsel ook moest) brengen, waarbij de voorschotten in verrekening moesten worden gebracht. Het bedrag dat gemoeid is met het werkelijke verbruik over het afgelopen jaar werd in dit geval dus opeisbaar toen de betreffende aan [appellante] gestuurde jaarnota’s opeisbaar werden, en daarmee ving de verjaringstermijn aan. Dit uitgangspunt, in combinatie met de verjaringstermijn van twee jaar, strookt ook met de bescherming van de consument tegen onvoorziene, al te hoog oplopende afrekeningen.”

Het voorgaande betekent, ermee rekening houdend dat de verjaring begint te lopen op de dag na het verstrijken van de betalingstermijn, in casu 14 dagen, het verbruik dat met de jaarnota van 22 juni 2023 (ziend op de periode 1 juni 2022 tot en met 31 mei 2023) berekend had kunnen worden op 11 of 17 juli 2025 verjaard was. De commissie zal dan ook oordelen dat de ondernemer in plaats van de nota’s van 11 en 17 juli 2025 nota’s opstelt die zien op de periode na 31 mei 2023. Hoewel de ondernemer ter zitting in algemene bewoordingen heeft toegelicht hoe hij het gemeten verbruik verdeeld heeft over de betreffende periode, zal hij met de op te stellen nieuwe nota’s dienen aan te geven hoe hij in concreto het verbruik over de periode heeft verdeeld en tegen welke tarieven.

Nu de consument in het gelijk gesteld wordt, dient de ondernemer hem het klachtengeld te vergoeden.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De ondernemer dient in plaats van de nota’s van 11 en 17 juli 2025 nieuwe nota’s op te stellen, waarin rekening gehouden wordt met het hiervoor besproken en toegewezen beroep op verjaring, vergezeld van een toelichting hoe hij het verbruik verdeeld heeft over de betreffende periode en tegen welke tarieven.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, voorzitter, de heer drs. G.J. Visser, mevrouw mr. M.J. Boon, leden, op 15 april 2026.

Opslaan als PDF