Commissie onderzoekt eerst of zij bevoegd is om geschil over internationale treinreis te behandelen

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Openbaar vervoerOpenbaar Vervoer    Categorie: Bevoegdheid    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: tussenadvies   Uitkomst: aanhouding beslissing   Referentiecode: 1311885/1316520

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument heeft een geschil voorgelegd over een internationale treinreis naar het buitenland. Voordat de commissie de inhoud van de klacht kan beoordelen, moet eerst worden vastgesteld of zij bevoegd is om de zaak te behandelen. Voorlopig gaat de commissie ervan uit dat het ticket via de ondernemer is geboekt, waardoor bevoegdheid mogelijk aanwezig is, maar hierover bestaat nog onvoldoende duidelijkheid.
Daarnaast wijst de commissie de ondernemer erop dat bij consumentenovereenkomsten moet kunnen worden aangetoond dat aan alle wettelijke informatieverplichtingen is voldaan en dat de relevante contractstukken en voorwaarden volledig moeten worden overgelegd. De commissie wil hierover tijdens een zitting nadere informatie ontvangen. Daarom wordt nog geen inhoudelijk oordeel gegeven en wordt de zaak aangehouden.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft een treinreis.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Aan de commissie is in de eerste plaats gevraagd te beoordelen of zij bevoegd is van het geschil kennis te nemen. De commissie heeft de indruk dat het dossier nog niet volledig is, maar vooralsnog gaat de commissie er veronderstellenderwijs van uit dat de consument het ticket naar [land] heeft geboekt bij [ondernemer] en dan ontleent de commissie aan artikel 13 van hoofdstuk 3 van de algemene voorwaarden van [ondernemer] haar bevoegdheid om het geschil te behandelen.

De commissie ziet aanleiding in het kader van de dossiervorming de ondernemer op het volgende te
wijzen:

In lijn met de overheidsrechter rekent de commissie het tot haar taak zo nodig ambtshalve te onderzoeken
of voldaan is aan de essentiële informatieplichten in de zin van afdeling 5.2B van Boek 6 BW bij het tot
stand komen van een overeenkomst met een consument. Dit volgt uit de prejudiciële beslissing van de
Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677 (met name rechtsoverweging 3.1.7, 3.1.9, 3.1.10 en 3.1.11). Het betreft informatie die volgens artikel 6:230m lid 1 aanhef BW op duidelijke en
begrijpelijke wijze aan de consument moet worden verstrekt vóórdat de consument gebonden is aan de overeenkomst (hierna ook wel aan te duiden als precontractuele informatieplichten).

Voorts moet de commissie ambtshalve onderzoeken of de bedingen die op de vervolgens gesloten
overeenkomst van toepassing zijn, eerlijk zijn. Om deze toetsen te kunnen uitvoeren moet de commissie beschikken over de voor de beslissing van belang zijnde feiten en stukken. Het ligt op de weg van de ondernemer om deze aan te leveren. De eisen van een goede procesorde brengen met zich mee dat de ondernemer de voor de beslissing van belang zijnde stukken uiterlijk bij verweer volledig en naar waarheid aanlevert aan de commissie. Ook wanneer de ondernemer geen verweerschrift indient, dient de ondernemer de voor de beslissing van belang zijnde stukken – voor zover deze zich niet al in het dossier bevinden – aan te leveren. In het algemeen gaat het dan om de (ondertekende) overeenkomst en de toepasselijke algemene voorwaarden en andere regelingen waarop de ondernemer zich beroept die op de overeenkomst van toepassing zijn en als algemene voorwaarden zijn aan te merken.

Als de ondernemer deze stukken niet aanlevert, kan de commissie, mede gelet op artikel 18 lid 2 (dat
kan per commissie verschillen) van haar reglement, daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.
Correcte naleving van de precontractuele informatieplichten moet worden onderbouwd, bijvoorbeeld met
printscreens, belscripts of andere stukken, die inzicht geven in de bestelprocedure van de ondernemer.
Indien precontractuele informatie in de algemene voorwaarden wordt opgenomen, moet worden voldaan
aan de vereisten genoemd in het Tiketa-arrest (HvJ EU 24 februari 2022 ECLI:EU:C:2022:112). Ter onderbouwing van de stelling dat in de algemene voorwaarden (een deel van) de verplichte precontractuele informatie is opgenomen, moet worden vermeld waar die informatie in de algemene voorwaarden is opgenomen.

Uit: ECLI:NL:HR:2016:236: “Teneinde een effectieve bescherming van de consument te verzekeren die aan
de specifieke omstandigheden van het geval is aangepast, kan een maatregel als het vernietigen van de
overeenkomst passend zijn, voor zover daardoor de niet-nakoming van een verplichting wordt bestraft
waarvan de vervulling essentieel is voor de wilsvorming van de consument en voor het bereiken van het
door de Uniewetgever gewenste beschermingsniveau (HvJEU 17 december 2009, C-227/08 (Martín
Martín), punten 31-34; vgl. ook HvJEU 3 oktober 2013, C-32/12, ECLI:EU:C:2013:637 (Duarte
Hueros/Autociba), punten 39-43).”

Daarom wordt als volgt beslist.

Beslissing

De zaak zal worden behandeld ter zitting, waar definitief zal worden beslist over de bevoegdheid van de commissie.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Openbaar Vervoer, bestaande uit mr. D.J. Buijs, voorzitter, mr. P. Vonk en mr. M.A. Keulen, leden, op 17 april 2026.

Opslaan als PDF