Klacht over vluchtvertraging niet behandeld omdat verkeerde partij is aangesproken

  • Home >>
  • Reizen >>
De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Reizen    Categorie: (Niet) Ontvankelijkheid / Vluchtvertraging    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Niet-ontvankelijkverklaring   Uitkomst: niet-ontvankelijk   Referentiecode: 1309462/1323812

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een consument had een pakketreis geboekt en vond dat hij recht had op een vergoeding wegens een vertraging van bijna vijf uur op de terugvlucht. Hij beriep zich op de Europese Verordening 261/2004, die onder bepaalde voorwaarden recht geeft op compensatie bij vluchtvertraging. De consument was het niet eens met de afwijzing van zijn claim door de luchtvaartmaatschappij en diende daarom een klacht in tegen de reisorganisatie. Hij stelde dat de reisorganisatie mede verantwoordelijk was voor de afhandeling van de vertraging en de gebrekkige communicatie daarover. De Geschillencommissie oordeelde echter dat zij niet bevoegd is om te beslissen over compensatie op grond van deze Europese verordening, omdat die aanspraak uitsluitend bestaat tegenover de luchtvaartmaatschappij en niet tegenover de reisorganisatie. Hoewel een reiziger in sommige gevallen wel extra gemaakte kosten bij een reisorganisator kan claimen, ging deze klacht uitsluitend over de wettelijke compensatie voor de vertraagde vlucht. De consument had bovendien niet concreet uitgewerkt welke andere schade of kosten hij vergoed wilde krijgen. Daarom concludeerde de commissie dat de verkeerde partij was aangesproken en verklaarde zij de consument niet-ontvankelijk. De inhoud van de klacht werd daardoor niet verder beoordeeld.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft een pakketreis geboekt bij de ondernemer (de reisorganisatie) en is van mening dat hij ten onrechte geen compensatie krijgt voor vertraging op de terugvlucht. De commissie kan de klacht niet inhoudelijk beoordelen, omdat de klacht enkel betrekking heeft op de compensatie waarover regels zijn bepaald in de Europese Verordening 261/2004 en daarvoor is de luchtvaartmaatschappij aansprakelijk. De commissie gaat in op het verschil tussen aansprakelijkheid op basis van de reisovereenkomst en aansprakelijkheid op basis van de EU-verordening.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument is van mening dat hij en zijn medepassagier volgens de Europese Verordening EU 261/2004 recht hebben op compensatie vanwege een vertraging van vijf uur op de terugvlucht. De consument stelt zich op het standpunt dat zijn claim onterecht door de luchtvaartmaatschappij is afgewezen. Hij is zich ervan bewust dat compensatie op grond van de Europese Verordening formeel betrekking heeft op de luchtvaartmaatschappij. Toch wenst hij de klacht tegen de ondernemer voort te zetten, omdat hij de ondernemer als reisorganisator medeverantwoordelijk acht voor de afhandeling van de vertraging en de gebrekkige communicatie hierover. Er is volgens hem tegenstrijdige informatie gegeven: in een SMS werd gesproken over “operationele redenen”, terwijl in de uiteindelijke afwijzing van zijn claim een andere reden werd genoemd (ATC/slecht weer). De consument verwijst hierbij naar vaste rechtspraak (o.a. CJEU Sturgeon en Wallentin-Hermann) waarin is bepaald dat operationele zaken zoals crew-planning en personeelstekorten binnen de normale bedrijfsvoering van de luchtvaartmaatschappij vallen en géén buitengewone omstandigheid zijn.

Het ontbreken van adequate begeleiding of heldere communicatie tijdens de vertraging heeft volgens de consument geleid tot extra ongemak en kosten. Hij verzoekt daarom zijn klacht te behandelen als onderdeel van de pakketreisovereenkomst, en te beoordelen of de reisorganisator naar behoren heeft gehandeld. Op grond van de wettelijke regels omtrent de pakketreis is de organisator verantwoordelijk voor de goede uitvoering van alle in de overeenkomst begrepen reisdiensten. Een vertraging van bijna 5 uur op de vlucht is een wezenlijk gebrek in de uitvoering van deze overeenkomst, aldus de consument. De consument heeft daarom ook na ontvangst van het verweer van de reisorganisator zijn verzoek gehandhaafd en verzoekt de commissie om de reisorganisator te veroordelen tot betaling van de wettelijke compensatie van € 800,- (voor 2 passagiers), alsmede de vergoeding van het betaalde klachtengeld.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer is van mening dat de Geschillencommissie in deze klacht geen inhoudelijk oordeel kan geven omdat de klacht van de consument inhoudelijk gaat over de vraag of (ondernemer) als luchtvaartmaatschappij terecht heeft geweigerd compensatie uit te betalen conform de Europese verordening 261/2004. De consument dient dan ook (luchtvaartmaatschappij) aan te spreken en niet (de ondernemer) in haar hoedanigheid als pakketreisorganisator. Alleen om deze reden is de ondernemer van mening dat de Commissie de klacht niet kan behandelen nu de juiste partij niet betrokken is in het geschil. In het verlengde van bovenstaande zou de Commissie naar de mening van de ondernemer de klacht niet-ontvankelijk moeten verklaren nu blijkt uit de uitspraak in de zaak 203679/212506 dat de Geschillencommissie Reizen geen uitspraak kan doen over of het toewijzen of afwijzen van een dergelijke vergoeding terecht is. Daarnaast wenst de ondernemer ook te verwijzen naar de website van de Geschillencommissie en artikel 3 en 4 van het reglement van de Geschillencommissie Reizen. Nu de inhoudelijke klacht zoals ingediend door de consument bij de ondernemer als reisorganisatie niet ingaat of inging op andere punten van haar dienstverlening maar enkel ingaat op de gewenste compensatie op basis van de verordening dient de klacht afgewezen te worden.

Ten overvloede wenst de ondernemer als reisorganisatie erop te wijzen dat zij niet te kort is geschoten in haar bemiddeling tussen de reisorganisator en de luchtvaartmaatschappij-onderdelen van (ondernemer), nu de consument een helder en onderbouwd standpunt heeft gekregen waarom (de luchtvaartmaatschappij) niet overgaat tot het uitbetalen van een compensatie zoals benoemd in de verordening. De consument heeft daarom alle informatie in handen die nodig is om (de luchtvaartmaatschappij) te dagvaarden indien de consument het niet eens is met de afwijzing. Gezien het bovenstaande dient de consument voor een inhoudelijk oordeel over de terechte of onterechte weigering van een dergelijke compensatie zich dan ook tot de rechter te wenden.

De aanvullende gronden die de consument heeft aangevoerd kunnen naar de reisorganisator haar mening ook niet leiden tot een vergoeding nu deze niet nader zijn onderbouwd dan wel niet eerder ter sprake zijn gekomen bij de ondernemer.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Uit de stukken volgt dat sprake is van een pakketreis waarbij de terugvlucht vertraging heeft opgelopen. De commissie kan geen inhoudelijk oordeel geven over de compensatie die de consument hiervoor wenst, omdat de commissie daartoe niet bevoegd is.

Op grond van de Europese Verordening 261/2004 heeft een passagier op grond van in die verordening bepaalde voorwaarden jegens de luchtvaartmaatschappij recht op een compensatie in geval van bijvoorbeeld langdurige vertraging of annulering van de vlucht. Deze aanspraak op compensatie betreft de verhouding tussen de consument en de luchtvaartmaatschappij. Hiervoor moet de consument dus de luchtvaartmaatschappij zelf aanspreken en niet de ondernemer.

Daarnaast zou er eventueel een aanspraak kunnen bestaan op de ondernemer (als degene die de pakketreis heeft georganiseerd) voor vergoeding van gemaakte extra kosten, maar over vergoeding van dergelijke kosten gaat deze zaak niet. Dat de consument in reactie op het verweer van de ondernemer als argument heeft toegevoegd dat er geen adequate begeleiding of heldere communicatie werd geboden tijdens de vertraging, wat volgens de consument heeft geleid tot extra ongemak en kosten, maakt niet dat de consument in dit geval wel door de commissie ontvangen zou kunnen worden in zijn klacht. De consument heeft aan deze enkele, niet concreet gemaakte, stelling geen rechtsgevolg verbonden: zijn verzoek blijft immers om de reisorganisator te veroordelen tot uitbetaling van de compensatie op grond van de Europese Verordening 261/2004.

Op grond van het voorgaande is de consument niet-ontvankelijk in de klacht.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De consument wordt in de klacht niet-ontvankelijk verklaard.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Reizen, bestaande uit mevrouw mr. G.A.M. Peper, voorzitter, de heer W.A.M. Hendrix, de heer mr. G. Febus, leden, op 5 juni 2026.

Opslaan als PDF