Lekverliesvergoeding onjuist berekend bij langdurige waterlekkage

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Water    Categorie: Kosten    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1240022/1266125

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Deze uitspraak gaat over een consument die door een langdurige waterlekkage een veel hoger waterverbruik had dan normaal. De watermaatschappij gaf hiervoor een vergoeding op basis van de lekverliesregeling, maar de consument vond deze vergoeding te laag. De commissie geeft de consument gelijk en oordeelt dat de watermaatschappij de regeling niet goed heeft toegepast. Bij de berekening is alleen gekeken naar het waterverbruik van het voorgaande jaar, terwijl volgens de regeling gebruik had moeten worden gemaakt van historische verbruiksgegevens over meerdere jaren. Daardoor is de vergoeding te laag vastgesteld. De commissie beslist dat de consument recht heeft op een aanvullende vergoeding van 306 m³ water, waardoor de jaarafrekening moet worden aangepast. Ook moet de ondernemer het klachtengeld van € 27,50 terugbetalen.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de vergoeding van het door de consument geleden lekverlies.

De consument heeft de klacht op 12 mei 2025 aan de ondernemer voorgelegd.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

De consument heeft een langdurige waterlekkage gehad. Het waterverbruik liep in twee jaar op naar bijna 2000 m3, bijna 4 maal hoger dan het normale verbruik. Bij het opgeven van de waterstand ontving de consument wel een mededeling maar die was niet zo indringend dat de consument daaraan aandacht gaf. De ondernemer heeft slechts een verlies van 324 m3 vergoed. De ondernemer heeft de consument nooit actief benaderd of gewaarschuwd. De verzekeraar van de consument heeft de schade hersteld.

De jaarafrekening van 27 maart 2024 laat al een fors hoger verbruik van 768 m3 zien. Ruim boven het gemiddeld verbruik van een gemiddeld huishouden.

De consument begrijpt dat de lekverliesregeling van de ondernemer geen volledige vergoeding inhoudt, maar de vergoeding staat in schril contrast met de werkelijke schade.

De consument verlangt een redelijke herbeoordeling van de vergoeding en een vergoeding die meer in verhouding staat met het werkelijke waterverlies.

Ter zitting heeft de consument verder nog in hoofdzaak het volgende aangevoerd.

De consument heeft gedacht dat het wel mee zou vallen. Zij had het zwembad gevuld en het waterbed en dacht dat dit de oorzaak was van het hogere verbruik. De consument voelt zich benadeeld omdat zij niet actief is benaderd door de ondernemer. Het is een klein zwembad van 1,6 x 2.20 en het waterbed wordt eens in de 5 jaar bijgevuld. Het gezin van de consument bestaat uit 2 volwassenen en 2 kinderen.

De ondernemer heeft geen berekening overgelegd, maar alleen de uitkomst van de berekening gedeeld.

De consument is blij alsnog te zijn gehoord.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

De klacht van de consument betreft een hoog verbruik en bijbehorende rekening.

Op 25 maart 2024 gaf de consument de meterstand door voor de jaarlijkse afrekening. Deze week af van hetgeen werd verwacht. Als reactie op de afwijking gaf de consument aan geen idee van de oorzaak te hebben. Op 28 maart 2025 gaf de consument wederom een stand door voor de jaarlijkse afrekening. Ook deze week af van de verwachting. De consument stuurde daarna een foto op waaruit bleek van de juistheid van de doorgegeven meterstand. Op 22 april 2025 verzocht de consument om een herberekening. De ondernemer verwijst naar de lekverliesregeling en de consument stuurde het ingevulde aanvraagformulier in. Op 4 juni 2025 berichtte de ondernemer dat een lekvergoeding was toegekend en stuurde een aangepaste jaarafrekening aan de consument. Hierna verzocht de consument om een hogere vergoeding, maar de ondernemer bleef bij het ingenomen standpunt.

De ondernemer kent een coulanceregeling lekvergoeding. Het is niet verplicht om dergelijke regeling te hebben, maar het is een coulance regeling. Deze dient wel non-discriminatoir te worden toegepast om willekeur te voorkomen. De voorwaarden zijn vastgelegd in het lekverliesbeleid. De ondernemer heeft het verzoek van de consument aan de hand van deze regeling en het beleid getoetst en een vergoeding toegekend. De coulanceregeling dekt niet het gehele meerverbruik en is daarvoor ook niet bedoeld. De consument blijft verantwoordelijk voor de binnenhuisinstallatie.

Ter zitting heeft de ondernemer verder nog in hoofdzaak het volgende aangevoerd.

Het klopt dat de onderliggende berekening niet is overgelegd. Dit kan alsnog gebeuren. De regeling is toegepast zoals dat in andere gevallen ook is gedaan. Het verlies over een jaar wordt in aanmerking genomen, niet het verlies over meerdere jaren. Het verbruik van 2025 is verminderd met het jaar ervoor. Het saldo van 463 is vermenigvuldigd met 0,7 en dat resulteerde het te crediteren verbruik van 324 m3. Dat is de 70% regel. Bij de berekening wordt niet jaren teruggegaan. In de regel wordt het eigen risico van 100 m3 niet meer gehanteerd ook in dit geval is dat niet gebeurd.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

In het onderhavige geschil klaagt de consument over de hoogte van het door de ondernemer op basis van de lekverliesregeling gecorrigeerde in rekening te brengen volume.

De consument stelt dat het toegekende volume in geen verhouding staat tot het totale verlies.

De ondernemer voert gemotiveerd verweer.

De commissie volgt het standpunt van de consument.

De commissie stelt voorop dat zij in eerdere uitspraken heeft bepaald dat een ondernemer niet verplicht is vergoedingsregeling voor gevallen van waterlekkage achter de meter in het leven te roepen, maar dat het hem vrijstaat een coulanceregeling te hanteren.

Deze vrijheid van de ondernemer laat onverlet dat de ondernemer gehouden is de lekverliesregeling in overeenstemming met zijn gepubliceerde beleid transparant en in overeenstemming daarmee toe te passen.

De commissie is van oordeel dat de ondernemer op beide punten in gebreke is gebleven. Het niet overleggen van de onderliggende berekening voedt de onderlinge en zinloze correspondentie tussen partijen, Ook is de commissie van oordeel dat de ondernemer de regeling op een onjuiste wijze heeft toegepast, door slechts uit te gaan van het verbruik van het vorige jaar, terwijl dat zeer aanzienlijk verschilde van het verbruik van de jaren ervoor, zodat het aannemelijk is dat sprake was van een langdurige lekkage.

Voor wat betreft de berekening van het meerverbruik voorziet artikel 6.1 van de coulanceregeling als maatstaf voor de berekening de historische verbruiksgegevens. Uit de toelichting van de ondernemer blijkt niet dat bij de berekening van het meerverbruik deze maatstaf is gehanteerd, maar blijkt dat slechts het verbruik in het voorgaande jaar als maatstaf c.q. referentie is gehanteerd. De historische gegevens waren beschikbaar, zodat de toepassing van die maatstaf voor de hand ligt. Slechts in het geval het meerverbruik niet kan worden bepaald op basis van historische verbruiksgegevens, wordt het meerverbruik bepaald op basis van het gemiddelde ingeschatte verbruik van de betreffende gezinssamenstelling.
Op basis van de historische verbruiksgegevens vanaf 2017-2024 is sprake van een gemiddeld verbruik van 331 m3 per jaar. Dit leidt tot een meerverbruik van 899 m3 x 0,7 = 630 (afgerond). De ondernemer heeft reeds een volume vergoed van 324 m3 en is derhalve gehouden alsnog een volume van 306 m3 te vergoeden in het licht van de lekverliesregeling die door hem wordt gehanteerd.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De ondernemer corrigeert de jaarafrekening 2025 met een volume van 306 m3 en stuurt de consument daarvoor een creditnota. Een en ander dient binnen 4 weken na de verzenddatum van dit bindend advies plaats te vinden.

De commissie wijst het meer of anders verlangde af.

Bovendien is de ondernemer gehouden het door de consument betaalde klachtengeld van € 27,50 aan haar te vergoeden.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Water, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, mevrouw mr. P. Dekker – Stam, de heer drs. L. van Rootselaar, leden, op 6 november 2025.

Opslaan als PDF