Eindafrekening deels verjaard door onduidelijke naheffing van energieverbruik

  • Home >>
  • Energie >>
De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: Jaarafrekening    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1322379/1325909

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Deze uitspraak gaat over een consument die een eindafrekening ontving van € 3.475,77. Volgens de ondernemer was dit bedrag zo hoog omdat eerder verbruikt gas en elektriciteit niet correct in rekening waren gebracht. De consument vond de afrekening onbegrijpelijk en betwistte het hoge verbruik. De commissie oordeelt dat de ondernemer onvoldoende duidelijk heeft uitgelegd dat een deel van de eindafrekening eigenlijk een naheffing over eerdere jaren was. Daardoor was de afrekening niet transparant en moeilijk te controleren. De commissie vindt het aannemelijk dat eerdere meterstanden onjuist zijn verwerkt, maar oordeelt ook dat de ondernemer niet onbeperkt mag naheffen. Voor een deel van de vordering is de wettelijke verjaringstermijn van twee jaar verstreken. Daarom moet de ondernemer een nieuwe, duidelijke en controleerbare eindafrekening opstellen waarin rekening wordt gehouden met die verjaring. Het depotbedrag van € 3.475,77 wordt terugbetaald aan de consument en de ondernemer moet ook het klachtengeld van € 52,50 vergoeden.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de eindafrekening van 20 september 2025 waarbij de ondernemer aanspraak maakt op een door de consument te betalen bedrag van € 3.475,77.

De consument heeft de klacht op 7 oktober 2025 bij de ondernemer ingediend.

De consument heeft een bedrag van € 3.475,77 bij de commissie in depot gestort.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Het geschil betreft de eindafrekening van 25 september 2025, die betrekking heeft op de periode van 26 juni 2024 tot en met 25 augustus 2025. De consument betwist de hoogte van het bij te betalen bedrag omdat dit uitzonderlijk hoog is en een objectieve verificatie daarvan niet meer mogelijk is. Op de eindafrekening is een verbruik van 7.810 kWh elektriciteit en 2.682 m3 in rekening gebracht. Dit verbruik wijkt substantieel af van het structurele historische verbruik van de consument over meerdere jaren van 3.700 – 4.200 kWh en 1.500 – 1.700 m3. De ondernemer baseert zich uitsluitend op de administratieve bevestiging van de meterstand door de netbeheerder. De gasmeter is echter verwijderd en vernietigd zonder dat een onderzoek heeft plaatsgevonden. De ondernemer stelt dat de op 25 juli 2024 door hemzelf doorgegeven stand onjuist is. Deze aanname is niet onderbouwd met technisch bewijs.

De consument verlangt herziening van de eindafrekening.

Ter zitting heeft de consument voor zover van belang nog het volgende naar voren gebracht.

De consument heeft voor elektriciteit steeds de standen van 1 telwerk aangeleverd. Hij weet niet wat er verkeerd is gegaan met het opgeven van de stand. Dat is nooit bewust gebeurd. Hij heeft daarover ook niet eerder iets gehoord van de ondernemer. De standen op de eindafrekening worden als zodanig niet door de consument betwist. In een jaar is kennelijk sprake van een groot verschil. De ondernemer heeft nooit uitgelegd dat de eindafrekening betrekking heeft op een langere periode en dat in feite sprake is van een naheffing. De consument weet niet of hij een fout heeft gemaakt in het verleden dan wel dat de ondernemer of de netbeheerder een fout heeft gemaakt. Hij is hierover nooit gebeld door de ondernemer dat er een fout is gemaakt door hem. De eindnota werd door hem zonder enige toelichting ontvangen. Hij begrijpt niet waarom de gebruikelijke verjaringstermijn in dit geval niet zou gelden.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De beide meters zijn op 23 september 2025 verwijderd.
Blijkens het door de netbeheerder ingevulde formulier waren de meterstanden 79.671 voor elektriciteit en 18.574 voor gas. De consument is per 25 augustus 2025 overgestapt naar een andere leverancier.
De consument heeft de meterstanden op 29 augustus 2025 doorgegeven (79.439 kWh resp. 18.557 m3).

Op 11 oktober 2024 nam de netbeheerder de meterstanden op. Die bleken veel hoger, te weten 75.063 voor elektriciteit en 17.537 voor gas, dan de door de consument op 25 juli 2024 doorgegeven standen van 71.620 voor elektriciteit en 15.585 voor gas. De netbeheerder liet aan de ondernemer weten dat de genoteerde standen tijdens de meterwissel juist zijn en dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de registratie van het energieverbruik omdat dit in lijn ligt met het gemiddelde historische verbruik in de verschillende perioden. De ondernemer liet aan de consument weten dat de eindafrekening niet zou worden aangepast, waarna de consument zich tot de commissie wendde.

Gelet op de door netbeheerder op 11 oktober 2024 opgenomen standen lijkt het alsof in de periode van 25 juli 2024 tot 11 oktober 2024 een veel hoger elektriciteits- en gasverbruik is geregistreerd. Ook als het gasverbruik vergeleken wordt vergeleken met een soortgelijke zomerperiode van 9 juli 2020 tot oktober 2020. Het beeld is echter anders als wordt gekeken naar het verbruik tussen de door de netbeheerder op 19 oktober 2020 en de door de netbeheerder opgenomen standen op 11 oktober 2024 opgenomen standen. Dan is sprake van een iets hoger gemiddeld verbruik dan in de periode van 21 augustus 2017 tot 19 oktober 2020, maar ligt daarmee in lijn.

Voor het hoge aan de consument in rekening gebrachte energieverbruik bestaan 3 mogelijke oorzaken. De eerste is dat de meters defect waren en een te hoog verbruik hebben geregistreerd. Dat is niet aannemelijk omdat meters niet eerst defect kunnen zijn en daarna weer goed kunnen functioneren. De tweede is dat de consument daadwerkelijk een hoog verbruik heeft gehad in de betreffende periode. Ook dit is niet aannemelijk gezien het hoge gasverbruik buiten de winterperiode. De derde is dat de door de consument op 25 juli 2024 doorgegeven meterstanden onjuist waren. Als de meterstanden van 25 juli 2024 buiten beschouwing worden gelaten, en gekeken wordt naar het totale en gemiddelde verbruik in de periode van 19 oktober 2020 en 11 oktober 2024, dan is dat zeer plausibel. Het standpunt van de ondernemer is dan ook dat de door de consument op 25 juli 2025 doorgegeven standen onjuist zijn en mogelijk ook andere door de consument opgenomen standen in de periode van 2021 tot en met 2023. Daardoor is op de jaarafrekening van 25 september 2025, bedoeld is 2024, over de periode 22 juli 2023-25 juli 2025 een te laag energieverbruik in rekening gebracht. Op de eindafrekening van 20 september 2025 is daardoor deels energieverbruik in rekening gebracht dat dat in een eerdere periode door de consument is genoten, maar nog niet in rekening is gebracht. De ondernemer heeft daarmee gehandeld conform artikel 9.7 AV en alsnog de werkelijke hoeveelheid energie in rekening gebracht.

Binnen een contractuele relatie vangt de verjaringstermijn aan op de dag dat de uiterste betaaltermijn is verstreken. Tijdens het bestaan van de duurovereenkomst heeft de consument jaarafrekeningen en termijnafrekeningen voldaan en om die reden is de betaalverplichting gedeeltelijk nagekomen, waarmee artikel 3: 311 lid 1 BW van toepassing is. Volgens dit artikel vangt de verjaringstermijn aan op het moment dat de ondernemer bekend is met het werkelijke verbruik. De ondernemer wijst op het arrest van Hof Den Bosch van 10 augustus 2021, (ecli:GHSHE:2021:2527). In deze zaak werd de ondernemer bekend met de werkelijke meterstanden van 11 oktober 2024 op het moment dat deze door hem van de netbeheerder werden ontvangen. Van verjaring van enig deel van de naheffing van de eindafrekening is dan ook geen sprake. Mocht de commissie van oordeel zijn dat artikel 3:311 lid 1 BW niet van toepassing is, dan is de ondernemer van mening dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de consument geen beroep toekomt op verjaring van een deel van de vordering van de ondernemer. Ook is het in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de consument een beroep op verjaring toekomt nu zowel de ondernemer als leverancier er alles aangedaan hebben om de juiste meterstanden te achterhalen.

De consument had de mogelijkheid om de meters te laten ijken, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

Ter zitting heeft de ondernemer voor zover van belang nog het volgende naar voren gebracht.

De elektriciteitsmeter had 1 telwerk. De standen werden door de netbeheerder op 11 oktober 2024 opgenomen en waren hoger dan verwacht. Het is niet met zekerheid vast te stellen dat de consument een eerdere fout heeft gemaakt. In 2024 en 2025 is sprake van “harde” standen. De commissie heeft in een bindend advies van 2 september 2025 ook artikel 3: 311 BW toepasselijk geacht. Net als gerechtshof ’s-Hertogenbosch. De ondernemer mag het volledige bedrag van de eindafrekening onverkort in rekening brengen.

Beoordeling

De commissie heeft het volgende overwogen.

In deze zaak klaagt de consument over de hoogte van de eindafrekening van 20 september 2025. Het aan de consument in rekening gebrachte verbruik in de verbruiksperiode waarop de eindafrekening ziet is niet realistisch en niet in verhouding met het gemiddelde historische verbruik gedurende een groot aantal jaren. Ook is door het wegnemen en vernietigen van de meters niet meer na te gaan of sprake was van defecte meters en een onjuist geregistreerd verbruik.

De ondernemer voert gemotiveerd verweer.

De commissie is van oordeel dat het sturen van een eindafrekening zonder dat duidelijk is dat sprake is van een naheffing van eerdere verbruikte energie, die eerder niet in rekening was gebracht een onjuiste handelwijze van de ondernemer ist, die ertoe leidt dat de eindafrekening niet transparant en onbegrijpelijk is. Uit de eindafrekening was niet op te maken dat – naast de normale ‘jaarafrekening’ – ook sprake was van het in rekening brengen van in een eerdere periode verbruikte energie die ten onrechte niet in rekening was gebracht. In feite was derhalve sprake van een naheffing waarover een duidelijke toelichting ontbrak. De ondernemer volstond met een begeleidende brief van 20 september 2025 met daarin slechts een uitleg in algemene zin van de mogelijke oorzaken van het hoge te betalen bedrag, maar niet toegespitst op de situatie van de consument. Eerst nadat de consument zijn klacht bij de commissie aanhangig had gemaakt werd duidelijk wat de mogelijke oorzaken van de hoogte van de eindafrekening waren. Aldus voldeed de eindafrekening niet aan de daaraan te stellen eisen.

De commissie volgt het standpunt van de ondernemer over de mogelijke oorzaak van de grootte van het in rekening gebrachte verbruik. De commissie acht het – net als de consument en de ondernemer – niet aannemelijk dat het in rekening gebrachte verbruik in de betreffende afrekenperiode periode door de consument daadwerkelijk is verbruikt. Evenmin lijkt sprake te zijn van een defecte meter. Daarbij komt dat de consument op geen enkel moment voorafgaand, bij of kort na de meterwissel aangaf de meters te willen laten ijken, maar dat eerst in een veel later stadium heeft aangekaart.

Naar het oordeel van de commissie is aldus deels sprake van een naheffing van eerder niet in rekening gebracht, maar wel daadwerkelijk door de consument in het verleden verbruikte energie. De ondernemer heeft echter niet duidelijk kunnen maken over welke periode het precies gaat en heeft ook niet kunnen achterhalen hoe de verwerking van de standen die door de consument werden doorgegeven precies is gegaan en slechts gesuggereerd dat de consument gedurende meerdere jaren onjuiste standen heeft doorgegeven.

De commissie volgt het standpunt van de ondernemer dat artikel 3:311 lid 1 BW in dit geval toepasselijk is, niet. Van een ontbinding van een duurovereenkomst is geen sprake. Ook is geen sprake geweest van een tekortkoming aan de zijde van de consument. Nu vaststaat dat de consument alle voorgaande jaarafrekeningen en termijnbedragen heeft voldaan, kan niet gezegd worden dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de consument.

De commissie volgt de ondernemer niet in diens standpunt dat de verjaringstermijn pas aanvangt nadat de ondernemer met de eindafrekening van 20 september 2025 het werkelijke verbruik in rekening bracht. Ingevolge artikel 12.3. AV dient de ondernemer tenminste eenmaal per jaar het werkelijke of geschatte verbruik in rekening te brengen, onder verrekening van de betaalde voorschotten. Dit bedrag werd opeisbaar op het moment dat de jaarafrekeningen aan de consument werden gestuurd, en daarmee ving de verjaringstermijn aan. Dit uitgangspunt gecombineerd met de wettelijke verjaringstermijn van twee jaar, (artikel 7:28 BW), strookt ook met de bescherming van de consument tegen onvoorziene, hoog oplopende naheffingen. De commissie wijst in dit verband ook op de uitspraak van gerechtshof Den Haag van 23 oktober 2018, ecli:GHDH:2028:3140. Ook wijst de commissie op het bepaalde in artikel 14.4. AV. Daarin is bepaald dat ingeval een te lage jaarafrekening is gestuurd de ondernemer is toegestaan het niet in rekening gebrachte bedrag met inachtneming van een verjaringstermijn van 2 jaar alsnog in rekening te brengen.

Een en ander impliceert dat ook het beroep van de ondernemer op de redelijkheid en billijkheid voor het ontzeggen aan de consument van de wettelijke verjaringstermijn door de commissie wordt verworpen.

Uitgaande van het voorgaande betekent dit dat de vordering van de ondernemer is verjaard voor zover deze betrekking heeft op de periode voorafgaand aan de jaarafrekening over de periode 2022-2023.

De eindafrekening van 20 september 2025 kan op grond van het bovenstaande dan ook niet in stand blijven en de ondernemer dient een nieuwe eindafrekening op te stellen met toepassing van de wettelijke verjaringstermijn van artikel 7:28 BW, die transparant, begrijpelijk en controleerbaar is.

Op grond van het bovenstaande is de klacht van de consument tegen de ondernemer gegrond.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De ondernemer handelt als hiervoor door de commissie is overwogen.

De commissie wijst het meer of anders verlangde af.

Bovendien is de ondernemer gehouden het door de consument betaalde klachtengeld van € 52,50 aan hem te vergoeden en voorts zal aan de ondernemer overeenkomstig haar reglement aan de ondernemer een bijdrage in de behandelingskosten in rekening worden gebracht.

Het depotbedrag van € 3.475,77 wordt aan de consument teruggestort.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, mevrouw mr. W.N. Kip, mevrouw mr. L. Schots – Smit, leden, op 22 juni 2026.

Opslaan als PDF