Geschil over kinderopvangcontract: beide partijen deels verantwoordelijk

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Overeenkomst    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 1286187/1312945

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De zaak gaat over een conflict tussen een ouder en een kinderopvangorganisatie over een factuur voor opvang die uiteindelijk niet is gebruikt. De ouder had vóór de geplande startdatum laten weten dat zijn kind niet op 8 april 2025 zou beginnen en wilde de opvang uitstellen. Volgens de ouder betekende dit feitelijk een opzegging van de overeenkomst, terwijl de kinderopvang dit zag als een verzoek om de startdatum te verplaatsen. Daardoor ontstond onduidelijkheid over de vraag of de overeenkomst was beëindigd. De kinderopvang bleef kosten in rekening brengen en schakelde later een incassobureau in. De Geschillencommissie oordeelt dat beide partijen hebben bijgedragen aan deze verwarring: de ouder had duidelijker moeten aangeven dat hij de overeenkomst wilde beëindigen, maar de kinderopvang had als professionele partij beter moeten navragen wat precies de bedoeling was en had duidelijker moeten zijn over de financiële gevolgen. Daarom verklaart de commissie de klacht gedeeltelijk gegrond. Op basis van redelijkheid en billijkheid bepaalt zij dat beide partijen ieder de helft van het totale bedrag van € 2.484,51 moeten dragen. Daarnaast moet de kinderopvang het klachtengeld van € 25,- aan de consument terugbetalen.

 

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft een factuur die de consument van de ondernemer heeft gehad.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 12 februari 2025 heeft de consument verzocht de startdatum van zijn zoon op de opvang uit te stellen van 8 april 2025 naar juli 2025. Hierbij heeft de consument een opzegtermijn gehanteerd van 55 dagen. Op 7 maart 2025 heeft de consument expliciet bevestigd niet vanaf april gebruik te zullen maken van de opvang. Op 31 maart 2025 heeft de ondernemer dit ook bevestigd door 16 juni 2025 als alternatieve startdatum aan te bieden.

Desondanks heeft de consument in april 2025 facturen ontvangen en heeft de ondernemer in mei 2025 een incassoprocedure gestart.

De klacht van de consument ziet dan ook op:
– Het in rekening brengen van diensten die nooit zijn geleverd;
– Het negeren van de maximale opzegtermijn van één maand zoals vastgesteld door de Hoge Raad;
– Valselijk beweren tegenover het incassobureau dat de ondernemer de annulering nooit heeft erkend.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Bij de consument was geen sprake van opzegging van de overeenkomst. De consument wilde slechts de startdatum uitstellen. Op 16 april 2025 heeft de ondernemer uiteindelijk de opzegging van de consument ontvangen en heeft deze bevestigd. Vanaf dat moment gaat de opzegtermijn van één maand in. De overeenkomst is daarmee per 14 mei 2025 beëindigd. Dat betekent dat de consument tot die tijd de opvangkosten moet voldoen. De vordering van totaal € 2.083,35 blijft staan.

Het feit dat er geen gebruik is gemaakt van de opvang is een eigen keuze geweest. De plek was beschikbaar.

Beoordeling van het geschil

Toetsingskader
De ondernemer hanteert geen Algemene Voorwaarden. Wel staat in de overeenkomst een bepaling opgenomen ten aanzien van opzegging door een consument: “De plaatsingsovereenkomst kan door de ouder alleen schriftelijk worden opgezegd vanaf de ingangsdatum, met een opzegtermijn van één maand”.

Ingevolge ECLI:NL:HR:2023:198 dient de commissie bij de beoordeling van het voorliggende geschil uit te gaan van het feit dat een opvangovereenkomst als de onderhavige een overeenkomst van opdracht is in de zin van artikel 7:400 BW. Op deze overeenkomst is artikel 7:408 BW van toepassing. Uit dit artikel volgt dat een consument te allen tijde de overeenkomst kan opzeggen.

Is sprake van opzegging?
Tussen partijen is in geschil of sprake is geweest van een opzegging van de overeenkomst door de consument, dan wel van uitstel van de aanvangsdatum van de opvang.

De consument stelt zich op het standpunt dat hij de overeenkomst reeds op 13 maart 2025 heeft opgezegd, door aan de ondernemer kenbaar te maken dat zijn kind niet zou starten op 8 april 2025. De ondernemer heeft deze mededeling niet als een opzegging opgevat en is eerst per 16 april 2025 uitgegaan van een formele beëindiging van de overeenkomst.

De commissie stelt vast dat tussen partijen onvoldoende duidelijkheid heeft bestaan over de vraag of, en zo ja per wanneer, de opvang van het kind van de consument daadwerkelijk zou aanvangen. Deze onduidelijkheid wordt mede veroorzaakt door de wijze waarop partijen over en weer hebben gecommuniceerd.

Naar het oordeel van de commissie zijn beide partijen in zekere mate debet aan het ontstaan en voortbestaan van deze onduidelijkheid. Van de consument had mogen worden verwacht dat hij, indien hij daadwerkelijk de overeenkomst wenste te beëindigen, dit ondubbelzinnig en expliciet als zodanig aan de ondernemer kenbaar zou maken. De enkele mededeling dat het kind niet op de overeengekomen startdatum zou verschijnen, kan, zonder nadere toelichting, ook worden opgevat als een verzoek tot uitstel.

Daar staat tegenover dat van de ondernemer, als professionele en deskundige partij, een proactieve en zorgvuldige houding mag worden verwacht bij het verhelderen van dergelijke essentiële contractuele punten. Het had op de weg van de ondernemer gelegen om bij de consument navraag te doen naar diens bedoeling en om expliciet vast te stellen of sprake was van een opzegging dan wel een wijziging van de ingangsdatum. Niet is gebleken dat de ondernemer dergelijke stappen tijdig heeft ondernomen, ook niet nadat het kind op de beoogde startdatum zonder bericht niet is verschenen.

Hierbij merkt de commissie op dat de ondernemer onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de financiële consequenties van de overeenkomst in deze situatie. In de e-mail van 31 maart 2025 wordt weliswaar melding gemaakt van een “deposit”, maar daarin wordt niet inzichtelijk gemaakt vanaf welk moment deze kosten verschuldigd zouden zijn, noch onder welke voorwaarden deze in rekening worden gebracht. Dit gebrek aan transparantie komt voor rekening en risico van de ondernemer.

Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht van de consument ten dele gegrond is. Nu beide partijen hebben bijgedragen aan het ontstaan van de verwarring en de daaruit voortvloeiende kosten, acht de commissie het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gerechtvaardigd dat partijen deze kosten ieder voor gelijke delen dragen. Nu de consument de incassokosten uitdrukkelijk heeft opgenomen in zijn vordering, betreft dit een totaalbedrag van € 2.484,51.

Aangezien de klacht van de consument gegrond wordt verklaard, dient het klachtengeld overeenkomstig het reglement van de commissie voor rekening van de ondernemer te komen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de consument ten dele gegrond;
– bepaalt dat beide partijen de helft van het bedrag van € 2.484,51 voor hun rekening dienen te nemen;
– bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van
€ 25,- aan de consument dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw mr. S.A.M.F. Sjoukes, de heer H. Stel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 13 maart 2026.

 

 

Opslaan als PDF