Commissie: Kinderopvang
Categorie: Opzegging overeenkomst
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1345082/1346520
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Deze zaak gaat over een geschil tussen een ouder en een kinderopvangorganisatie over de beëindiging van een overeenkomst voor buitenschoolse opvang. De zoon van de consument had eerder gebruikgemaakt van de opvang, maar nadat bij hem ADHD was vastgesteld, was de opvang beëindigd. Na een positieve ontwikkeling door medicatie spraken partijen af dat het kind gedurende vier weken weer één middag per week naar de opvang zou gaan. Volgens de ouder voldeed haar zoon aan alle vooraf afgesproken voorwaarden en lieten zowel de opvang als de school een duidelijke verbetering zien. Toch besloot de ondernemer na afloop van deze periode de opvang opnieuw te beëindigen, omdat het kind volgens de ondernemer nog te veel individuele begeleiding nodig had. De Geschillencommissie oordeelt dat de ondernemer onvoldoende heeft aangetoond dat sprake was van een gegronde reden voor beëindiging van de overeenkomst. Er ontbrak een goede onderbouwing en verslaglegging van de problemen die zouden zijn ontstaan. Ook waren de extra beoordelingscriteria niet vooraf met de ouder besproken en was zij niet gewaarschuwd dat beëindiging van de opvang dreigde. Daarnaast is onvoldoende gezocht naar oplossingen om de opvang voort te zetten. Daarom verklaart de commissie de klacht gegrond. De ondernemer moet de opzegging ongedaan maken, de opvang voortzetten volgens de bestaande overeenkomst en het klachtengeld van € 25,- aan de consument vergoeden.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft de opzegging van de opvangovereenkomst van de consument vanwege de ondersteuningsbehoefte van haar kind.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De consument stelt dat de ondernemer de plaatsingsovereenkomst ten onrechte eenzijdig heeft beëindigd.
De zoon van de consument heeft in het verleden gebruikgemaakt van de buitenschoolse opvang van de ondernemer. Nadat bij de zoon van de consument ADHD was vastgesteld, is de opvang in oktober 2025 beëindigd. Nadat was gestart met medicatie en de school een duidelijke positieve ontwikkeling constateerde, zijn partijen overeengekomen dat de zoon van de consument gedurende een proefperiode van vier weken één middag per week opnieuw gebruik zou maken van de buitenschoolse opvang.
Vooraf zijn afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder de zoon van de consument weer zou kunnen deelnemen aan de opvang. Daarbij is afgesproken dat hij geen andere kinderen pijn zou doen, geen spullen zou vernielen, er aan het einde van de dag een overdracht plaatsvindt met een docent en dat hij zou kunnen deelnemen aan het programma. Aan deze voorwaarden heeft de zoon van de consument voldaan.
De pedagogisch medewerkers hebben tijdens de proefperiode meerdere malen hebben te kennen gegeven dat de zoon van de consument een duidelijke positieve ontwikkeling liet zien. Ook op school is sprake van een positieve ontwikkeling sinds de start van de medicatie. Desondanks heeft de ondernemer besloten de plaatsingsovereenkomst te beëindigen.
De ondernemer heeft tijdens de proefperiode nooit kenbaar gemaakt dat beëindiging van de opvang tot de mogelijkheden behoorde en evenmin teruggekoppeld welke concrete problemen werden ervaren. Pas tijdens het eindgesprek werd medegedeeld dat de zoon van de consument volgens de ondernemer nog te veel individuele begeleiding nodig had. Dit is vooraf niet als beoordelingscriterium genoemd.
De consument heeft de ondernemer meerdere malen aangeboden haar zoon op te halen wanneer zich tijdens de opvang problemen zouden voordoen. Van die mogelijkheid heeft de ondernemer geen gebruik gemaakt.
De consument is van mening dat haar zoon geen eerlijke kans heeft gekregen en dat onvoldoende is onderzocht of de opvang, eventueel met aanvullende afspraken, kon worden voortgezet. Daarbij acht de consument van belang dat de ondernemer de enige buitenschoolse opvang is die aan de school van haar zoon is verbonden, waardoor hij feitelijk geen alternatief heeft.
De consument verzoekt de commissie te bepalen dat de plaatsingsovereenkomst wordt hersteld, zodat haar zoon weer gebruik kan maken van de buitenschoolse opvang van de ondernemer.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De ondernemer is van mening dat de plaatsingsovereenkomst op goede gronden is opgezegd.
De ondernemer is met de consument, naast de schriftelijke plaatsingsovereenkomst, mondeling een proefperiode van vier weken overeengekomen om te beoordelen of de buitenschoolse opvang voor de zoon van de consument weer passend zou zijn.
De zoon van de consument heeft gedurende die proefperiode een positieve ontwikkeling laten zien. Tegelijkertijd is gebleken dat het kind nog veel individuele begeleiding nodig had, met name tijdens overgangsmomenten tussen activiteiten. Hierdoor moest regelmatig één pedagogisch medewerker uitsluitend het kind begeleiden, terwijl de andere medewerker verantwoordelijk was voor de overige kinderen op de groep. Volgens de ondernemer kon de benodigde begeleiding niet worden geboden zonder dat dit ten koste zou gaan van de opvang van de overige kinderen.
De ondernemer voert aan dat niet één afzonderlijk incident, maar het totaalbeeld gedurende de proefperiode aanleiding heeft gegeven om de plaatsingsovereenkomst te beëindigen.
Verder erkent de ondernemer dat achteraf bezien vooraf duidelijker had moeten worden gecommuniceerd dat niet alleen de eerder besproken voorwaarden, maar ook de mate van benodigde individuele begeleiding onderdeel van de beoordeling zou zijn. Ook erkent de ondernemer dat het zorgvuldiger was geweest om de proefperiode expliciet in de schriftelijke overeenkomst op te nemen.
Tot slot heeft de ondernemer ter zitting aangevoerd dat de proefperiode plaatsvond kort nadat het kind was gestart met medicatie, waardoor de effecten daarvan zich mogelijk nog verder zouden ontwikkelen. Om die reden is volgens de ondernemer met de consument besproken dat op een moment in de toekomst, nadat het kind gewend is aan groep 3 en de ontwikkeling verder is gestabiliseerd, opnieuw zou kunnen worden beoordeeld of terugkeer naar de buitenschoolse opvang mogelijk is. Ten aanzien van de zomervakantie voert de ondernemer aan dat de opvang in die periode, vanwege de langere opvangdagen, minder en wisselende pedagogisch medewerkers en verminderde structuur, het voor de zoon van de consument op dat moment niet passend wordt geacht.
De ondernemer stelt dat hij bij zijn besluit een zorgvuldige afweging heeft gemaakt tussen de ontwikkeling en belangen van de zoon van de consument enerzijds en zijn verantwoordelijkheid voor een verantwoorde opvang van alle kinderen anderzijds. Volgens de ondernemer heeft deze afweging ertoe geleid dat de plaatsingsovereenkomst niet kon worden voortgezet.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Toetsingskader
Op de tussen partijen gesloten plaatsingsovereenkomst zijn de Algemene Voorwaarden voor Kinderopvang, dagopvang en buitenschoolse opvang 2025 (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing.
Op grond van artikel 10 lid 2 van de algemene voorwaarden kan de ondernemer een plaatsingsovereenkomst slechts tussentijds beëindigen indien sprake is van een gegronde reden. De ondernemer heeft zich in deze zaak beroepen op artikel 10 lid 2, onder b, van de algemene voorwaarden. Daarin is bepaald dat sprake kan zijn van een gegronde reden indien de zorgbehoefte van het kind de dienstverlening van de ondernemer aan de andere kinderen onevenredig belemmert of verzwaart.
Voordat de ondernemer op deze grond tot beëindiging van de overeenkomst overgaat, dient hij de ouder te waarschuwen, tenzij een waarschuwing redelijkerwijs niet kan worden verlangd vanwege de ernst of spoedeisendheid van de situatie.
Verkorte procedure
Op grond van artikel 11 lid 4 van de algemene voorwaarden kan een consument een verkorte procedure bij de commissie starten indien zij het niet eens is met de beslissing van de ondernemer om de toegang tot de opvang te weigeren, zoals in dit geval is gebeurd.
De feiten
Tussen partijen is op 8 mei 2026 een plaatsingsovereenkomst gesloten voor buitenschoolse opvang met ingang van 13 mei 2026. De overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd.
Hoewel partijen vooraf mondeling hebben gesproken over een ‘proefperiode’ van vier weken, is een dergelijke proefperiode niet opgenomen in de schriftelijke overeenkomst. Evenmin bevat de overeenkomst een bepaling op grond waarvan de ondernemer de overeenkomst na afloop van die periode zonder toepassing van de algemene voorwaarden kan beëindigen. De commissie gaat daarom uit van een reguliere plaatsingsovereenkomst waarop de algemene voorwaarden onverkort van toepassing zijn.
De ondernemer heeft de overeenkomst na afloop van de proefperiode eenzijdig beëindigd omdat het kind volgens de ondernemer nog steeds meer individuele begeleiding nodig had dan binnen de buitenschoolse opvang verantwoord door de ondernemer kon worden geboden.
Beoordeling
De commissie stelt voorop dat het aan de ondernemer is om aannemelijk te maken dat sprake is van een gegronde reden als bedoeld in artikel 10 lid 2 van de algemene voorwaarden.
Naar het oordeel van de commissie is de ondernemer daarin niet geslaagd.
De ondernemer heeft tijdens de zitting toegelicht dat het kind met name moeite had met overgangsmomenten tussen activiteiten. Als voorbeeld heeft de ondernemer genoemd dat het kind soms na het buitenspelen niet met de groep naar binnen wilde gaan, waardoor één pedagogisch medewerker langere tijd uitsluitend het kind moest begeleiden, terwijl de andere medewerker verantwoordelijk bleef voor de overige kinderen.
De commissie acht deze toelichting onvoldoende om te kunnen concluderen dat de zorgbehoefte van het kind de opvang van de overige kinderen onevenredig belemmert of verzwaart. De ondernemer heeft geen concrete verslaglegging of andere objectieve gegevens overgelegd waaruit blijkt hoe vaak dergelijke situaties zich voordeden, hoe lang deze duurden en waarom deze niet binnen de reguliere opvang konden worden opgevangen.
Daar komt bij dat uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken juist volgt dat het kind gedurende de proefperiode een duidelijke positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Ook de ondernemer heeft erkend dat het kind beter aanspreekbaar was, zich sneller kon herstellen en positieve stappen heeft gezet. De door de consument overgelegde evaluatie van de school bevestigt eveneens dat sinds de start van de medicatie sprake was van een duidelijke gedragsverbetering. Dat nog aandachtspunten bestonden, is onvoldoende om reeds daarom een gegronde reden voor beëindiging aan te nemen.
De commissie acht daarnaast van belang dat de ondernemer gedurende de proefperiode niet overeenkomstig de met de consument gemaakte afspraken heeft gehandeld.
Vooraf zijn met de consument concrete voorwaarden besproken waaronder het kind opnieuw aan de opvang zou deelnemen. Tijdens de zitting heeft de ondernemer echter verklaard dat uiteindelijk ook de mate van individuele begeleiding en de uitvoerbaarheid daarvan onderdeel van de beoordeling zijn geweest. De ondernemer heeft erkend dat deze aanvullende beoordelingscriteria vooraf niet duidelijk met de consument zijn besproken.
Voorts staat vast dat de consument meerdere malen heeft aangeboden haar zoon op te halen als zich problemen zouden voordoen. Van deze mogelijkheid heeft de ondernemer geen gebruik gemaakt. Evenmin heeft de ondernemer de consument gedurende de proefperiode gewaarschuwd dat beëindiging van de plaatsingsovereenkomst dreigde indien onvoldoende verbetering zou optreden. De consument mocht daarom ervan uitgaan dat na afloop van de proefperiode gezamenlijk zou worden geëvalueerd hoe de opvang zou worden voortgezet.
De commissie is dan ook van oordeel dat de ondernemer de beëindiging van de overeenkomst onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en de consument onvoldoende gelegenheid heeft geboden om gezamenlijk naar passende oplossingen te zoeken.
Alles overziend is de commissie van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van een gegronde reden als bedoeld in artikel 10 lid 2 van de algemene voorwaarden. De opzegging is daarom in strijd met de algemene voorwaarden en niet rechtsgeldig.
Dat de ondernemer ter zitting heeft toegelicht dat de opvang gedurende de zomervakantie vanwege de gewijzigde groepssamenstelling, langere opvangdagen en wisselende pedagogisch medewerkers minder geschikt zou zijn voor het kind, maakt dit oordeel niet anders. Partijen staat het vrij hierover in onderling overleg praktische afspraken te maken. Dat laat echter onverlet dat de ondernemer gehouden is de plaatsingsovereenkomst na te komen, ook gedurende de zomervakantie.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht gegrond;
– bepaalt dat de ondernemer de opzegging van de plaatsingsovereenkomst ongedaan dient te maken en de opvang dient voort te zetten overeenkomstig de tussen partijen gesloten overeenkomst;
Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25,00 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, de heer mr. E.A.J. Vergouwen, mevrouw J.M.A. van Haren, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. P.G.L. Koolen, secretaris, op 9 juli 2026.
mevrouw mr. dr. E. Venekatte
Datum verzending : 15 juli 2026
Zaaknummer : 1345082/1346520
De uitspraak die de commissie heeft gedaan, is bindend voor beide partijen en vormt het sluitstuk van de procedure. De commissie kent geen mogelijkheid om tegen de uitspraak in beroep te gaan of deze te herzien. Ook niet in het geval van nieuwe feiten of argumenten. U kunt wel binnen 1 maand na de verzenddatum van de uitspraak aan de burgerlijke rechter vragen de uitspraak te vernietigen. De andere partij heeft die mogelijkheid ook.
De rechter kan de uitspraak vernietigen als hij vindt dat de uitspraak onaanvaardbaar is; inhoudelijk of door de wijze van totstandkoming. Wanneer de uitspraak niet binnen 1 maand door een van de partijen aan de burgerlijke rechter is voorgelegd door dagvaarding van de andere partij, kan de uitspraak niet meer ongedaan gemaakt worden.