Commissie: Energie
Categorie: Jaarrekening
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1328444/1334391
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument moest haar energiecontract opzeggen omdat zij naar het buitenland verhuisde, maar kreeg daarna een opzegvergoeding van in totaal bijna € 790 op de jaarnota. Zij vindt dat deze kosten onterecht zijn, omdat de verhuizing volgens haar een geldige reden is om het contract zonder boete te beëindigen. De ondernemer stelt dat de consument een driejarig contract met vaste tarieven heeft afgesloten en dat de wet toestaat om bij voortijdige beëindiging een opzegvergoeding te rekenen, zolang dit duidelijk in de voorwaarden staat. Volgens de ondernemer is dat hier het geval en is een verhuizing geen bijzondere omstandigheid die de boete zou moeten verlagen. De commissie volgt het standpunt van de ondernemer: de consument heeft niet uitgelegd waarom de opzegvergoeding voor haar onevenredig nadelig zou zijn en heeft kort voor de opzegging nog een langlopend contract afgesloten. Ook voldoet de berekening van de ondernemer aan de Energiewet. Daarom is de klacht ongegrond en blijft de opzegvergoeding verschuldigd.
De volledige uitspraak
Samenvatting
Het geschil betreft de jaarnota van 25 februari 2026, meer in het bijzonder de in rekening gebrachte opzegvergoeding.
De consument heeft de klacht op 19 januari 2026 bij de ondernemer ingediend.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De consument gaat per 20 februari 2026 naar [land] emigreren en moest om die reden haar contract opzeggen. Om die reden stuurde de ondernemer aan de consument een opzegboete. Voor gas wordt een bedrag van € 580,05 in rekening gebracht en voor elektriciteit een bedrag van € 209,66. Dit is, gelet op de reden van de opzegging, volgens de consument in strijd met de Energiewet en de geldende richtlijnen voor redelijke opzegvergoedingen.
De consument verlangt dat de commissie bepaalt dat de opzegboete geheel vervalt.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Op 7 mei 2025 ging de consument met de ondernemer een (nieuw) contract met vaste leveringstarieven voor de duur van drie jaar aan. De ingangsdatum was 25 juli 2025. Op 19 januari 2026 heeft de consument de overeenkomst met de ondernemer opgezegd, met als reden een verhuizing. Op 20 januari 2026 liet de ondernemer aan de consument weten dat een tussentijdse opzegging van de overeenkomst vanwege een verhuizing geen grond vormt om af te zien van een opzegvergoeding. Het standpunt van de consument vindt geen steun in de wet- en regelgeving. Zo volgt artikel 2.15 van de Energiewet dat een energieleverancier een opzegvergoeding in rekening mag brengen bij een huishoudelijke afnemer wanneer deze een overeenkomst voor bepaalde tijd voortijdig beëindigt, mits in de overeenkomst een vaste prijs of vaste kosten zijn overeengekomen en de opzegvergoeding expliciet contractueel is vastgelegd. Dat is het geval in deze zaak. De ondernemer wijst daartoe op het opzegvergoedingsbeding zoals dat in artikel 3.6 van de Contract- en productvoorwaarden particuliere klein verbruikaansluitingen is opgenomen.
De ondernemer heeft ook voldaan aan het in artikel 2.25 van de Energieregeling gestelde vereiste dat moet worden voorzien in een voorwaarde die voorziet in het mogelijk lager vaststellen van de opzegvergoeding indien sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat het in rekening brengen van de vastgestelde opzegvergoeding onevenredige nadelige gevolgen zou hebben. Een verhuizing naar het buitenland kwalificeert niet als een zodanige bijzondere omstandigheid. Nog daargelaten dat de consument zich daarover in het geheel niet heeft uitgelaten.
De ondernemer heeft de opzegvergoeding vastgesteld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 2.19 van de toepasselijke Energiewet.
Ter zitting heeft de ondernemer voor zover van belang nog het volgende naar voren gebracht.
De ondernemer heeft gehandeld overeenkomstig de Beleidsregel redelijke opzegvergoedingen en artikel 2.19 van de Energiewet. Een berekening is door de ondernemer aan de consument gestuurd. De consument heeft het bedrag van de eindafrekening voldaan.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
In deze zaak klaagt de consument over de op de eindnota in rekening gebrachte opzegvergoeding. De consument betwist dat zij een dergelijke opzegvergoeding is verschuldigd en wijst daartoe op de betreffende wet- en regelgeving.
De ondernemer voert gemotiveerd verweer.
De commissie volgt het standpunt van de ondernemer.
De commissie stelt voorop dat een partij die niet ter zitting verschijnt zichzelf de mogelijkheid ontneemt om eventuele bij de commissie levende vragen te beantwoorden en om te reageren op hetgeen door de wel verschenen partij naar voren wordt gebracht.
De commissie stelt vast dat de consument niet heeft gereageerd op het door de ondernemer ingediende verweer, zodat de commissie niet heeft kunnen vaststellen dat de in rekening gebrachte opzegvergoeding in de gegeven omstandigheden tot een onevenredig nadeel voor de consument leidt. Zij heeft daartoe feitelijk niets gesteld, hetgeen wel van haar had mogen worden verwacht. Bovendien heeft de consument nog vrij kort voor de opzegging een 3-jarig contract afgesloten. Mede in het licht van haar gestelde verhuizing naar het buitenland had het op de weg van de consument gelegen om daarover enige uitleg te geven.
Voorts heeft de commissie vastgesteld dat de ondernemer een berekening heeft overgelegd die voldoet aan de systematiek van de Energiewet en dat de ondernemer deze berekening aan de consument heeft gestuurd.
Bij deze stand van zaken kan niet anders worden geoordeeld dan dat de consument haar verzoek niet dan wel, tegenover het gemotiveerde verweer van de ondernemer, onvoldoende heeft gemotiveerd, zodat de commissie dat moet afwijzen.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie wijst het door de consument verlangde af
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, mevrouw mr. W.H. van Oorspronk en de heer D. van der Wal, leden, op 16 juli 2026.