Bewijs van levering centraal in geschil over online bestellingen van ruim € 21.000

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Rijopleidingen    Categorie: (non)conformiteit / Kosten    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: tussenadvies   Uitkomst: aanvullende informatie nodig   Referentiecode: 1324387/1341312

De uitspraak:

Waar gaat deze uitspraak over?

Deze zaak gaat over vier bestellingen van in totaal 184 kledingartikelen met een totale waarde van € 21.107,12. De consument stelt dat zij geen van de 15 verzonden pakketten heeft ontvangen en vindt dat de ondernemer niet kan bewijzen dat de bestellingen daadwerkelijk zijn afgeleverd. Volgens haar zijn de door DHL aangeleverde track-en-tracegegevens en GPS-locaties onvoldoende bewijs, omdat er geen handtekening, afleverfoto of naam van een ontvanger is. Daarom vraagt zij om ontbinding van de koopovereenkomsten en terugbetaling van het volledige aankoopbedrag. De ondernemer stelt daarentegen dat alle pakketten correct zijn bezorgd en verwijst naar uitgebreid onderzoek van DHL, waarbij track-en-tracegegevens, GPS-informatie, routegegevens en navraag bij bezorgers en bedrijven in de omgeving zijn meegenomen. De Geschillencommissie oordeelt voorlopig dat de ondernemer voldoende gegevens heeft overgelegd om aannemelijk te maken dat de pakketten op het juiste adres zijn afgeleverd. De commissie benadrukt dat een handtekening niet noodzakelijk is om levering te bewijzen en dat levering ook op andere manieren kan worden aangetoond. Daarbij vindt de commissie het relevant dat drie verschillende bezorgers betrokken waren en dat aanvullend onderzoek geen aanwijzingen heeft opgeleverd dat de pakketten elders zijn afgegeven. De gevraagde wettelijke handelsrente wordt afgewezen, omdat deze regeling niet geldt voor consumentengeschillen. Omdat de consument niet aanwezig was op de zitting en de commissie nog belangrijke vragen heeft, is nog geen definitieve beslissing genomen. De commissie gaat voorlopig uit van ontvangst van de pakketten, maar geeft de consument nog de kans om dit vermoeden te weerleggen voordat een eindbeslissing wordt genomen.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit vier op 27 en 28 mei 2025 en op 2 en 3 juni 2025 met de ondernemer tot stand gekomen overeenkomsten. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van 184 artikelen (met name kleding) voor de som van in totaal € 21.107,12.

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Eind mei/begin juni 2025 heb ik vier bestellingen geplaatst bij de ondernemer, met een totaalbedrag van € 21.107,12.

Volgens de webwinkel zouden de pakketten via DHL zijn geleverd, maar ik heb geen enkel van deze
bestellingen ontvangen. De webwinkel heeft tot op heden geen concreet bewijs van aflevering overgelegd. De enige informatie die is verstrekt betreft GPS-gegevens van de bezorger, zonder handtekening, afleverfoto, naam van de ontvanger of ander verifieerbaar bewijs dat de pakketten
daadwerkelijk bij mij of op mijn adres zijn afgeleverd. Juridisch vormen GPS-gegevens geen afdoende bewijs van levering.

Ik heb enkele malen contact opgenomen met de ondernemer en gewezen op het ontbreken van een geldig leveringsbewijs. Het enige dat de webwinkel heeft aangeboden is om opnieuw een onderzoek bij DHL uit te voeren, terwijl er al diverse onderzoeken zijn uitgevoerd met hetzelfde resultaat:
alleen GPS-gegevens, zonder verificatie van daadwerkelijke ontvangst. Dit vormt geen oplossing
en toont aan dat de pakketten niet aantoonbaar zijn geleverd.

Op 4 december 2025 heb ik de ondernemer een schriftelijke ingebrekestelling gestuurd, met een
redelijke termijn om de bestellingen alsnog correct te leveren of het volledige aankoopbedrag terug te
betalen. Deze termijn is inmiddels verstreken zonder enige inhoudelijke reactie, zonder bewijs van
aflevering en zonder restitutievoorstel. Daarmee verkeert de ondernemer in verzuim, zoals bedoeld in
artikel 6:82 BW, en is sprake van toerekenbare tekortkoming of wanprestatie conform artikel 6:74
BW.

Ik heb mijn klacht ook ingediend bij Thuiswinkel.org, die de webwinkel heeft benaderd. De ondernemer heeft in reactie gesteld dat de bestellingen correct zijn afgeleverd, zonder concreet bewijs te overleggen. Thuiswinkel.org heeft de bemiddeling beëindigd, waarbij mijn standpunt en het ontbreken van bewijs niet inhoudelijk zijn meegenomen. Ten overvloede merk ik op dat de verklaring van de webwinkel niet gelijkstaat aan juridisch bewijs; het verschil tussen een interne verklaring en de wettelijke bewijslast ex artikel 7:11 BW is cruciaal. De bewijslast van levering ligt volledig bij de verkoper.

Het risico van verlies of vermissing ligt bij de verkoper totdat de consument de goederen feitelijk
heeft ontvangen. Omdat de ondernemer dit bewijs niet kan leveren, blijf ik gerechtigd aanspraak te maken op ontbinding van de koopovereenkomsten en volledige terugbetaling van € 21.107,12, conform artikel 6:81 BW.

Samengevat:
• De vier bestellingen zijn nooit geleverd.
• De ondernemer heeft geen concreet bewijs van aflevering geleverd.
• GPS-gegevens zijn juridisch onvoldoende als bewijs.
• Ingebrekestelling van 4 december 2025 is niet beantwoord.
• De verkoper is juridisch verantwoordelijk en verkeert
• in wanprestatie.
• Bemiddeling via Thuiswinkel.org heeft geen oplossing geboden.

Op basis hiervan verzoek ik de Geschillencommissie Thuiswinkel om:
• vast te stellen dat de ondernemer de levering niet kan aantonen;
• de koopovereenkomsten te ontbinden;
• de ondernemer te veroordelen tot volledige restitutie van €21.107,12;
• de webwinkel te verplichten de uitspraak na te komen.

Ik blijf volledig bij mijn standpunt dat ik de vier bestellingen niet heb ontvangen en dat uit de door de ondernemer overgelegde stukken niet voldoende blijkt dat de goederen daadwerkelijk aan mij of aan een door mij aangewezen derde zijn afgeleverd.

1. De conclusie van de ondernemer gaat verder dan de onderliggende DHL-informatie
De ondernemer stelt in haar verweerschrift dat:
“Uit dit onderzoek is gebleken dat de zendingen conform de gegevens van DHL op het juiste bezorgadres zijn geleverd.”

Ik verzoek de commissie daarbij vooral kennis te nemen van de onderliggende DHL-correspondentie die de ondernemer zelf als bewijs heeft ingebracht.

Voor de eerste zeven pakketten stelt DHL niet vast dat deze aan mij zijn overhandigd. DHL beschrijft juist verschillende mogelijke scenario’s. Zo wordt onder meer vermeld dat de pakketten mogelijk in de portiek zijn achtergelaten en dat niet wordt uitgesloten dat zij bij een nabijgelegen onderneming zijn
afgegeven.

DHL schrijft daarbij onder meer dat de pakketten “wss” in de portiek zijn afgegeven/achtergelaten en dat DHL niet uitsluit dat zij bij [ophaalpunt] zijn afgegeven.

Dit zijn mogelijke verklaringen en geen vaststellingen dat de pakketten daadwerkelijk aan mij zijn geleverd.
Daarmee bestaat een wezenlijk verschil tussen: de feitelijke informatie van DHL en de conclusie die de ondernemer daar vervolgens aan verbindt.

Ik verzoek de commissie dit onderscheid bij de beoordeling nadrukkelijk mee te nemen.

2. De GPS-locaties tonen niet aan dat de goederen bij mij zijn afgeleverd
Uit het verweerschrift blijkt dat de GPS-locaties zich niet exact bij mijn woning bevonden.
Bij verschillende zendingen wordt gesproken over een locatie van ongeveer 18, 19 of 21 meter afstand, waaronder een locatie “recht voor nr. 43 aan de overkant van de straat”.
Een GPS-locatie van een bezorger kan aantonen dat een bezorger zich in de omgeving bevond. Daarmee is echter nog niet vastgesteld waar de afzonderlijke pakketten zijn neergezet, aan wie zij zijn overgedragen of dat zij daadwerkelijk in mijn macht zijn gekomen.
Juist omdat het om meerdere zeer waardevolle zendingen ging, is die laatste stap van belang.

3. DHL zelf geeft geen eenduidige vaststelling van aflevering
De ritanalyse bevat naar mijn mening geen directe waarneming van aflevering. DHL redeneert onder meer vanuit de GPS-locatie, de route en de verstreken tijd en geeft vervolgens mogelijke verklaringen voor wat er gebeurd kan zijn. Dat is iets anders dan een verklaring van de bezorger dat hij de pakketten daadwerkelijk aan mij heeft overhandigd of aantoonbaar op mijn adres heeft
afgegeven.

Ook ontbreekt voor zover mij bekend voor deze zendingen een handtekening, afleverfoto of naam van een ontvanger.

4. De informatie over mogelijke aflevering bij derden ondersteunt juist mijn bezwaar
De ondernemer heeft vervolgens navraag gedaan bij [ophaalpunt] en [ophaalpunt].
Uit die navraag is volgens het verweerschrift gebleken dat de pakketten daar niet zijn afgegeven.
Dat bevestigt echter niet dat de pakketten vervolgens wél bij mij zijn afgeleverd. Het sluit slechts twee mogelijke alternatieve locaties uit. De essentiële vraag blijft daarmee onbeantwoord: Waar zijn de pakketten feitelijk gebleven en hoe wordt bewezen dat zij daadwerkelijk aan mij of aan een door mij aangewezen derde zijn afgeleverd?

5. Het feit dat meerdere pakketten op hetzelfde moment als geleverd zijn geregistreerd, bewijst niet automatisch daadwerkelijke ontvangst.

De ondernemer wijst erop dat meerdere pakketten tegelijk als geleverd zijn geregistreerd.
Ik betwist niet dat DHL deze zendingen in haar systeem als “afgeleverd” heeft
geregistreerd. Mijn punt is juist dat een administratieve afleverstatus niet hetzelfde is als bewijs dat de goederen daadwerkelijk bij mij zijn aangekomen. Dat geldt temeer nu de onderliggende DHL-analyse zelf verschillende mogelijke scenario’s beschrijft en geen concrete ontvanger of feitelijke overdracht noemt.

6. Mijn melding van de niet-ontvangst is bovendien van korte tijd na de bezorgingen
De ondernemer noemt het opvallend dat ik pas op 10 juni 2025 melding heb gemaakt. Dat was echter kort na de betreffende bezorgdata. Op 10 juni heb ik uitdrukkelijk gemeld dat ik de pakketten niet had ontvangen, dat ik bij mijn buren had gekeken en dat ik ook al contact met DHL had gehad. Ik heb dus niet pas maanden later voor het eerst gesteld dat de bestellingen ontbraken. De betreffende e-mail behoort tot het dossier en laat zien dat ik de niet ontvangst tijdig heb gemeld.

7. Ik verzoek de commissie de onderliggende stukken te beoordelen

Mijn verzoek aan de commissie is daarom niet om uitsluitend af te gaan op het ontbreken van een handtekening.

Ik verzoek de commissie om het gehele bewijsbeeld te beoordelen en daarbij onderscheid te maken tussen:
• de Track & Trace-status;
• de GPS-locatie van de bezorger;
• de routegegevens;
• de verklaringen en vermoedens van DHL;
• en daadwerkelijk bewijs van overdracht of aflevering aan mij.

De kern van mijn standpunt is dat uit de stukken wel blijkt dat DHL-bezorgers zich rond de betreffende tijdstippen in de omgeving bevonden, maar dat daarmee niet voldoende is aangetoond dat de 18 pakketten daadwerkelijk aan mij zijn geleverd.

De commissie kan uiteraard zelf beoordelen welke bewijskracht aan de verschillende gegevens moet worden toegekend. Ik verzoek haar daarbij vooral de oorspronkelijke DHL-correspondentie naast de samenvattende conclusies van de ondernemer te leggen.

8. Mijn verzoek
Ik verzoek de commissie daarom mijn zaak op basis van het volledige dossier te beoordelen en vast te stellen dat ondernemer onvoldoende heeft aangetoond dat de bestellingen daadwerkelijk aan mij zijn geleverd. Daaruit volgt naar mijn standpunt dat de ondernemer haar verplichtingen uit de
koopovereenkomsten niet is nagekomen.
Ik handhaaf daarom mijn verzoek tot ontbinding van de koopovereenkomsten en terugbetaling van het volledige aankoopbedrag van € 21.107,12.

Ik betreur het dat ik door het overlijden van mijn zusje niet persoonlijk aanwezig kan zijn om bovenstaande punten mondeling toe te lichten. Ik vertrouw erop dat de commissie mijn schriftelijke toelichting en de reeds ingediende bewijsstukken bij haar beoordeling zal betrekken.

Conform artikel 6:119a BW en de huidige rechtspraak over consumentenkoop bij bedrijven, verzoek ik u de wettelijke handelsrente (8,5% per jaar) toe te wijzen over het bedrag van € 21.107,12. Deze rente dient te worden berekend vanaf 18 december 2025 tot aan de dag van volledige betaling door de ondernemer.

De consument verlangt een vergoeding van € 21.107,12 vermeerderd met de wettelijke handelsronde vanaf 18 december 2025 tot aan de dag van de volledige betaling.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument heeft op 27 en 28 mei 2025, en op 2 en 3 juni 2025 bestellingen (ordernummers 47514027 44 items, € 5.061,63, 47513952 50 items € 7.140,31, 47563659 51 items € 5.077,68, 47568050 39 items
€ 3.827,50) geplaatst in onze webshop, met een totale waarde van € 21.107,12. Het was haar eerste bestelling en de vier bestellingen zijn in 15 verschillende pakketten afgeleverd. Pas op 10 juni 2025, dus één tot twee weken na plaatsing van de bestellingen, heeft zij geclaimd dat zij al deze bestellingen niet ontvangen zou hebben.

Gelet op de aanzienlijke waarde van de bestellingen en het gebruikelijke verwachtingspatroon dat dergelijke leveringen nauwlettend worden gevolgd, is dit tijdsverloop opvallend en moeilijk te rijmen met de stelling dat alle zendingen niet zouden zijn aangekomen.

Volgens de track- en trace informatie van DHL zijn alle bestellingen geleverd als volgt:

Ordernummer: [nummer] •

: afgeleverd en bevestigd dat het pakket op 30 mei 2025 om 19:01 bij het opgegeven bezorgadres is geleverd

Ordernummer [nummer] • [Code]: afgeleverd en bevestigd dat het pakket op 30 mei 2025 om 19:01 opgegeven bezorgadres is geleverd
• [Code]: afgeleverd en bevestigd dat het pakket op 30 mei 2025 om 19:01 opgegeven bezorgadres is geleverd
• [Code]: afgeleverd en bevestigd dat het pakket op 30 mei 2025 om 19:01 opgegeven bezorgadres is geleverd--
• [Code]: afgeleverd en bevestigd dat het pakket op 30 mei 2025 om 19:01 opgegeven bezorgadres is geleverd
• [Code]: afgeleverd en bevestigd dat het pakket op 30 mei 2025 om 19:01 opgegeven bezorgadres is geleverd
• [Code]: afgeleverd en bevestigd dat het pakket op 30 mei 2025 om 19:01 opgegeven bezorgadres is geleverd

Ordernummer: [nummer] • [Code]: afgeleverd en bevestigd dat het pakket op 4 juni 2025 om 18:11 is afgeleverd bij de buren.
• [Code]: afgeleverd en bevestigd dat het pakket op 4 juni 2025 om 18:11 is afgeleverd bij de buren.
• [Code]: afgeleverd en bevestigd dat het pakket op 4 juni 2025 om 18:11 is afgeleverd bij de buren.
• [Code]: afgeleverd en bevestigd dat het pakket op 4 juni 2025 om 18:11 is afgeleverd bij de buren.

Ordernummer: [nummer] • [Code]: afgeleverd en bevestigd dat deze op 4 juni 2025 18:11 bij opgegeven bezorgadres is geleverd.
• [Code]: afgeleverd en bevestigd dat deze op 4 juni 2025 18:11 bij opgegeven bezorgadres is geleverd.
• [Code]: afgeleverd en bevestigd dat deze op 4 juni 2025 18:11 bij opgegeven bezorgadres is geleverd.
• [Code]: afgeleverd en bevestigd dat deze op 5 juni 2025 17:53 bij opgegeven bezorgadres is geleverd.

Naar aanleiding van de meldingen van de consument hebben wij op 12 juni 2025 onze distributiepartner verzocht om een transportonderzoek in te stellen voor alle zendingen.
De eerste terugkoppeling op 12 en 18 juni 2025 van DHL is door onze fraudeafdeling als onvoldoende concreet beoordeeld. Dit blijkt uit een interne mail.

Vervolgens heeft onze Klantenservice (KCC) de uitvraag dan ook opnieuw bij onze distributiepartner uitgezet ter nadere toelichting en verificatie. Op woensdag 2 juli 2025 is een e-mail ontvangen met de resultaten van een uitgebreid onderzoek door DHL.

De door DHL in haar e-mail aan de ondernemer verstrekte verklaringen luiden als volgt:
1) Ordernummers [nummer] en [nummer]:
“Op de onderstaande 7 pakketten zijn op 29-05 van 10:59:36 - 11:03:07 interventieverzoeken naar avondlevering de volgende dag gedaan; op vrijdag 30-05 (dag na Hemelvaart) zijn deze afgeleverd gemeld (19:01:36) met geolocatie 21m van GEA (thv nr 27). Dit was de 2e stop in de route van deze bezorger. Tussen deze 2 stops zit 7 min terwijl de afstand tussen deze volgens Google maps in 3 min overbrugd kan worden. 4 min voor een stop is lang; dit kan ook gerelateerd zijn aan de gesloten melding van de voorgaande (1e) stop en/of erop duiden dat hij deze 7 pakketten niet meteen kwijt kon (doordat GEA pas laat of niet opendeed).

Volgens Streetview en de kadastrale kaart ligt [adres] boven de [adres], nr’s 45-47-47A delen dezelfde ingang, rechts naast de deur van de [adres]. Deze zaak is ’s avonds gesloten dus het is niet waarschijnlijk dat de 7 pakketten daar zijn afgegeven, wss zijn deze dan afgegeven/achtergelaten in de portiek van de trapopgang naar nr 45-47-47A. De levering op nr 39, 3 min hiervoor met nagenoeg dezelfde geolocatie, was bij [ophaalpunt]; dit adres zit links naast de [adres]. Dit [ophaalpunt] was op dit tijdstip nog wel open en is een Homerr pakketpunt (zij het niet 1 van ons), ik sluit niet uit dat als de bezorger deze pakketten niet kwijt kon omdat GEA of de andere bewoners van deze portiek niet opendeden, de pakketten daar zijn afgegeven. Dat is, als GEA een terechte DNR-claim heeft gedaan. Gezien de situatie rondom het adres van GEA lijkt het me niet wss dat de pakketten onbeheerd zijn achtergelaten voor de deur.

2) Ordernummers [nummer] (deel 1) en [nummer]:
“Op de onderstaande 7 pakketten zijn geen interventieverzoeken geplaatst, deze zijn rechtstreeks ingepland in de avondlevering van woensdag 04-06 en om 18:11:43 gemeld als afgeleverd met een geolocatie van 18m (recht voor nr 43 aan de overkant van de straat). Dit betreft een andere bezorger dan die van 30-05, maar de mogelijkheden van een levering zoals bovenstaand geschetst zijn ook hier van toepassing. Daarnaast zie ik zijn route dat er 6,5 min zit tussen deze stop en de voorgaande; Google maps geeft aan dat de afstand tussen deze in 4 min te rijden zou moeten zijn. 2,5 min is wat lang voor een stop maar niet buiten de marge, zeker niet voor 7 pakketten in een drukkere straat. Het kan er wel op kan duiden dat hij deze pakketten niet meteen kwijt kon.

Dit pakket is pas een dag na de rest gescand en ook in een ander sorteercentrum. Daardoor is deze niet met de rest meegegaan. Op dit pakket is op 05-06 om 17:53:33 een interventieverzoek gedaan voor een (dag)levering de volgende dag; het pakket was toen al met een avondlevering onderweg naar GEA, maar is mee teruggebracht naar het uitleverdepot. De volgende dag (vrijdag 06-06) is het om 13:52:16 afgeleverd bij de buren op nr 47 (Bij buren: [nummer]); geolocatie is op 19m (recht voor nr 43 aan de overkant van de straat). Dit betreft weer een andere bezorger.”

Uit dit onderzoek is gebleken dat de zendingen conform de gegevens van DHL op het juiste bezorgadres zijn geleverd. DHL heeft voor alle zendingen navraag gedaan bij de betreffende chauffeurs en daaruit blijkt dat de zendingen zijn afgeleverd op het opgegeven bezorgadres. Dit wordt ook ondersteund door de track- en trace informatie, geolocatiegegevens en de ritanalyses van de DHL-bezorgers waaruit geen afwijkingen of onregelmatigheden naar voren komen.

Daarbij komt dat het om drie verschillende bezorgers gaat, hetgeen het niet aannemelijk maakt dat sprake zou kunnen zijn van enige betrokkenheid van een bezorger bij de vermissing van de pakketten.
Naar aanleiding van deze terugkoppeling heeft een medewerker van onze Klantenservice (KCC) op 8 juli 2025 aanvullende navraag gedaan bij zowel [ophaalpunt] als [ophaalpunt]. De [ophaalpunt] heeft expliciet verklaard nooit pakketten in ontvangst te nemen. Ook contact met [ophaalpunt] heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat het pakket aldaar is afgegeven.

Deze verificaties bevestigen dat er geen concrete aanknopingspunten zijn die de stelling ondersteunen dat de zending bij derden, zoals buren of nabijgelegen ondernemingen, zou zijn bezorgd.

In het kader van de geldende bewijsregels geldt dat wij als ondernemer dienen aan te tonen dat aflevering heeft plaatsgevonden. Daarbij is geen absolute zekerheid vereist, maar volstaat dat dit op basis van consistente en verifieerbare gegevens voldoende aannemelijk wordt gemaakt. Naar vaste lijn kunnen dergelijke logistieke gegevens, zeker indien onderling consistent en zonder contra-indicaties, als toereikend bewijs van aflevering worden aangemerkt. Nu in dit geval uit alle beschikbare gegevens een consistent en logisch bezorgbeeld volgt en concrete aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken, heeft DHL het onderzoek met betrekking tot de vier zendingen terecht zonder verdere actie gesloten.
Het feit dat bij deze zendingen geen handtekening voor ontvangst is geplaatst en de consument stelt de bestellingen niet te hebben ontvangen, betekent niet dat de pakketten niet op juiste wijze op haar adres zijn afgeleverd. Evenmin volgt daaruit dat wij onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de levering correct heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het verzoek tot toekenning van de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over het bedrag van € 21.107,12, vanaf 18 december 2025, merken wij op dat – gelet op hetgeen hiervoor reeds is uiteengezet – geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan onze zijde. Wij hebben de pakketten op de juiste wijze geleverd en daarmee aan onze verplichtingen voldaan. Van verzuim is derhalve geen sprake, zodat een grondslag voor toekenning van rente ontbreekt.

Op grond van bovenstaande verzoeken wij de vorderingen van de consument af te wijzen.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Helaas was de consument om haar moverende redenen niet aanwezig ter zitting. Dit heeft tot gevolg dat de commissie diverse vragen niet aan de consument heeft kunnen stellen, terwijl de beantwoording van die vragen essentieel is voor de beoordeling van dit geschil.

Deze procedure is in die zin bijzonder dat de consument bij haar eerste bestellingen goederen met een totale waarde van meer dan € 21.000,- heeft besteld, dat het vier bestellingen betreft op achtereenvolgende dagen (slechts onderbroken door Hemelvaart en het Hemelvaart weekeinde) en dat geen van de vier bestellingen (in 15 pakketten) zouden zijn afgeleverd.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting komt de commissie tot de voorlopige conclusie dat de door de consument bestelde goederen bij haar zijn afgeleverd.

Op grond van artikel 7:11 BW – berust het risico van verlies of vermissing bij de verkoper totdat de consument de goederen feitelijk heeft ontvangen. De bewijslast van aflevering ligt bij de verkoper. Anders dan de consument stelt is het niet noodzakelijk dat de ondernemer beschikt over een door de consument ondertekende verklaring dat de goederen zijn afgeleverd. De ondernemer kan het bewijs dat de goederen zijn afgeleverd op alle mogelijke manieren leveren en dat is ook gebeurd.

De ondernemer heeft naar aanleiding van een gehouden fraudeonderzoek informatie van vervoerder DHL overgelegd. Daaruit blijkt hoe de aflevering van de verschillende zendingen heeft plaats gevonden. Zo blijkt uit track en trace informatie welke route de verschillende bezorgers hebben gevolgd en hoeveel tijd zij kwijt waren voor de bezorging van de hun toevertrouwde goederen. In dit kader is ook van belang dat het drie verschillende bezorgers betreft die de vier zendingen hebben afgeleverd. Ook is navraag gedaan bij twee lokale middenstandsbedrijven in de directe omgeving van de consument. Het ene bedrijf heeft expliciet verklaard nooit pakketten in ontvangst te nemen, terwijl ook contact met het andere bedrijf geen aanwijzingen heeft opgeleverd dat een of meer pakketten daar zouden zijn afgegeven.

De consument heeft haar vordering aangevuld en wenst thans dat conform artikel 6:119a BW de wettelijke handelsrente (8,5% per jaar) vanaf 18 december 2025 wordt toegewezen over het bedrag van € 21.107,12.

De commissie zal reeds nu deze vordering afwijzen. Art. 6:119a BW regelt de schadevergoeding voor het niet-nakomen van een verbintenis tot betaling van een geldsom voortvloeiende uit een handelsovereenkomst door een niet-overheidsinstantie. De bepaling is niet van toepassing in geschillen waarbij een consument is betrokken.

Als overweging ten overvloede geeft de commissie de ondernemer in overdenking bij zendingen met een meer dan gemiddelde financiële waarde in navolging van andere ondernemers een foto te laten maken van de aflevering waarop zowel de bezorger, de geadresseerde alsook het af te leveren pakket te zien zijn.

Zoals hiervoor reeds vermeld was de consument niet aanwezig ter zitting. Dit heeft tot gevolg dat de commissie diverse vragen niet aan de consument heeft kunnen stellen, terwijl de beantwoording van die vragen essentieel is voor de beoordeling van dit geschil. Daarbij geldt dat het antwoord op de ene vraag mogelijk weer een andere vraag oproept.

Om te voorkomen dat deze procedure verzandt zal de commissie de consument in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het vervolg van de procedure.

Allereerst kan de consument aangeven dat de commissie haar eindbeslissing kan formuleren op basis van hetgeen zich thans in het dossier bevindt. Ook kan de consument ervoor kiezen om alsnog ter zitting te verschijnen en de bij de commissie gerezen vragen te beantwoorden. Daarbij geldt dat als de consument voor de laatstgenoemde mogelijkheid kiest, maar uiteindelijk toch niet ter zitting verschijnt de commissie zonder nadere mondelinge toelichting een beslissing zal nemen op basis van het dossier.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie gaat er voorlopig van uit dat de door de ondernemer verzonden vier zendingen met in totaal 15 pakketten door de consument in ontvangst zijn genomen conform art. 7:10 en 11 BW, maar stelt de consument in de gelegenheid dit vermoeden te ontzenuwen.

De commissie stelt de consument in de gelegenheid binnen veertien dagen na verzending van deze tussenbeslissing schriftelijk aan de commissie mee te delen dat ofwel de commissie een eindbeslissing kan nemen op basis van het dossier ofwel dat zij ter zitting van deze commissie op 8 december 2026 in persoon tekst en uitleg zal geven.

Daarbij wil de commissie benadrukken dat zij de persoonlijke aanwezigheid van de consument van groot belang acht en de commissie de dag en datum van 8 december 2026 voor de zitting heeft vastgesteld opdat de consument hiermee rekening kan houden met door haar te plannen beschikbaarheid.

De van de consument verkregen informatie wordt na ontvangst door de commissie in afschrift aan de wederpartij gezonden.

Kiest de consument voor de mogelijkheid dat het geschil kan worden afgedaan op basis van het dossier, reageert de consument niet binnen de hiervoor gestelde termijn of verschijnt zij niet ter zitting van 8 december 2026, dan zal de commissie zonder nadere mondelinge behandeling op basis van de stukken bindend adviseren.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Thuiswinkel, bestaande uit de heer prof. mr. A.W. Jongbloed, voorzitter, mevrouw A. van Heeringen, mevrouw mr. L. Schots - Smit, leden, op 2 september 2026.

de heer prof. mr. A.W. Jongbloed

Opslaan als PDF