Onderwijsinstelling moet extra studiekosten na sluiting locatie vergoeden

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Particuliere Onderwijsinstellingen    Categorie: (non)conformiteit    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 1149864/1273218

De uitspraak:

Waar gaat deze uitspraak over?

Een consument schreef zich in voor een driejarige hbo-opleiding bij een particuliere onderwijsinstelling op een bepaalde locatie. Na het eerste studiejaar besloot de onderwijsinstelling deze locatie te sluiten vanwege een daling van het aantal inschrijvingen. De consument hoorde dit pas enkele dagen voor de start van het tweede studiejaar. De onderwijsinstelling bood aan om de opleiding op een andere locatie of op een andere manier voort te zetten. Volgens de consument waren deze mogelijkheden niet geschikt, onder andere vanwege de lange reistijd. Om studievertraging te voorkomen, stapte hij daarom over naar een andere onderwijsinstelling. Deze opleiding was duurder en sloot niet volledig aan bij zijn oorspronkelijke opleiding. De consument vroeg om een vergoeding voor de extra studiekosten van twee studiejaren en voor emotionele schade. De onderwijsinstelling vond dat zij geen schadevergoeding hoefde te betalen. Volgens haar algemene voorwaarden mocht zij een opleiding naar een andere locatie verplaatsen als er onvoldoende inschrijvingen waren. De commissie oordeelt dat deze voorwaarden de onderwijsinstelling inderdaad de mogelijkheid geven om een opleiding op een andere locatie aan te bieden. Toch mocht de onderwijsinstelling in deze situatie niet op die regel vertrouwen. De locatie was voor de consument belangrijk bij zijn keuze voor de opleiding. Ook had de onderwijsinstelling bevestigd dat hij zich voor de opleiding op deze locatie had ingeschreven en was hem meerdere keren verteld dat hij de opleiding daar kon afmaken. Daarnaast wist de onderwijsinstelling vanaf het begin dat er weinig studenten waren. De consument werd bovendien pas kort voor het nieuwe studiejaar over de sluiting geïnformeerd en kreeg volgens de commissie geen goede alternatieven of voldoende begeleiding bij zijn overstap. Daarom is de onderwijsinstelling tekortgeschoten en moet zij de schade van de consument vergoeden. De commissie stelt deze schade vast op € 4.480, het bedrag dat de consument in het tweede studiejaar extra aan collegegeld moest betalen. De extra kosten voor het derde studiejaar worden niet vergoed, omdat deze schade volgens de commissie niet voldoende te voorzien was. Ook krijgt de consument geen vergoeding voor emotionele schade, omdat niet is aangetoond dat sprake is van ernstig geestelijk leed. De onderwijsinstelling moet daarnaast € 107,50 aan klachtengeld aan de consument vergoeden. Het overige dat de consument heeft gevraagd, wordt afgewezen.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de financiële gevolgen van het feit dat een onderneming een HBO opleiding niet langer aanbiedt op de locatie waar de consument deze meerjarige opleiding volgt.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Ik heb mij op 13 maart 2023 ingeschreven bij de ondernemer, vestiging [plaatsnaam], voor de studie [opleiding]. De opleiding startte in september 2023. De opleiding zou drie jaren duren. Voor die periode heb ik me ook ingeschreven. De kosten voor de opleiding bedroegen € 17.770, — per studiejaar.

Ik was de enige student [opleiding] die zou starten in september 2023. Daar waren vóór de inschrijving zorgen over bij mij. De ondernemer verzekerde mijn ouders echter dat dit niet tot problemen zou leiden en dat ik mijn opleiding in [plaatsnaam] zou kunnen afmaken. De ondernemer verwachtte namelijk dat er gedurende het jaar nog leerlingen zouden instromen.

Ook na de inschrijving is hierover gesproken, maar de ondernemer bleef mij geruststellen. In dit kader werd onder meer gezegd dat de ondernemer ‘geld genoeg had’ om de continuïteit van de opleiding in [plaatsnaam] te waarborgen. Die opmerking werd ook tegen de ouders van twee cursisten gemaakt die eveneens in plaats [plaatsnaam] bij de ondernemer een opleiding ([opleiding]) volgden.

In het eerste jaar kreeg ik feitelijk privé les. Een enkele keer had ik les samen met de cursisten van de [school]. Dit privé karakter belemmerde me met medestudenten contacten te leggen of vriendschappen te maken. Wel had ik contacten met MBO studenten op die vestiging.

Op 15 augustus 2024, enkele dagen voor de start van het tweede collegejaar op 2 september 2024, vernam ik via sociale media dat de ondernemer de vestiging in [plaatsnaam] zou sluiten. Mijn ouders hebben direct telefonisch contact opgenomen met de ondernemer. In het telefoongesprek dat volgde is door de ondernemer aangegeven dat sluiting onvermijdelijk was, omdat anders faillissement zou volgen. Ik heb later begrepen dat alle docenten al waren ontslagen en zij dus niet naar een andere vestiging werden overgeplaatst.

Het alternatief, dat de ondernemer aan mij heeft geboden, was om de opleiding in plaats [plaatsnaam] te vervolgen. Dit is echter niet haalbaar gelet op de lange reistijd naar [plaatsnaam]. De deadline voor het inschrijven voor particulier onderwijs bij een andere instelling was sinds 1 mei 2024 al verstreken. Om studievertraging te voorkomen was ik genoodzaakt om mij in te schrijven bij de [schoolnaam]. Deze keuze heb ik gemaakt zonder op dat moment een open dag te kunnen bezoeken. Eerder was ik wel naar een open dag van die opleiding geweest. Ook is er geen tijd geweest om mij te verdiepen in andere mogelijkheden.

De opleiding aan de [schoolnaam] wijkt inhoudelijk af van de opleiding [opleiding] die ik bij de ondernemer volgde. De [schoolnaam] biedt geen opleiding [opleiding] aan, waardoor ik heb moeten kiezen voor een opleiding die niet volledig aansluit bij mijn oorspronkelijke studierichting en toekomstplannen.

De ondernemer ziet geen aanleiding om mij te compenseren. Dat is onbegrijpelijk, mede omdat andere studenten van de vestiging [plaatsnaam] wel financieel zijn gecompenseerd. Wel heeft de ondernemer bemiddeld bij mijn overgang naar de opleiding van de [schoolnaam], maar toen bleek dat de ondernemer verkeerde informatie hierover verstrekte, heb ik daar geen gebruik meer van gemaakt. De ondernemer zei namelijk dat ik bij de [schoolnaam] niet het vak [vak] hoefde te volgen, maar dit bleek wel het geval te zijn. Andere manieren om mij te compenseren voor deze noodgedwongen overstap, zijn niet van de grond gekomen aan de zijde van de ondernemer.

De ernst van de tekortkoming wordt wat mij betreft versterkt door het feit dat hier sprake is van een duurovereenkomst. Ik mocht op basis van de overeenkomst erop vertrouwen dat ik gedurende drie jaar mijn opleiding in [plaatsnaam] zou kunnen volgen. Dat de ondernemer al na het eerste studiejaar eenzijdig afstand heeft genomen van die afspraak, zonder geldige reden of tijdige waarschuwing, is daarmee extra zwaarwegend.

Ik lijd schade door deze wanprestatie, die bestaat uit financiële en emotionele schade. De emotionele schade laat zich lastig in geld uitdrukken. Ik schat deze op € 1.000, — De financiële schade is echter duidelijk. Zoals gezegd is de opleiding aan de [schoolnaam] duurder dan die aan het opleidingsinstituut van de ondernemer. Voor het studiejaar 2024/2025 was ik € 22.250, — aan collegegeld verschuldigd. Voor het derde studiejaar ben ik eveneens minimaal € 22.250, — verschuldigd. Dit is per studiejaar een verschil van € 4.480, — ten opzichte van het collegegeld dat ik aan de ondernemer betaalde. Aangezien ik twee studiejaren bij de [schoolnaam] in plaats van bij de ondernemer moet volgen, betekent dit dat de schade in ieder geval € 8.960, — bedraagt.

Artikel III verleent de ondernemer uitsluitend een bevoegdheid om bij onvoldoende aanmeldingen een studie, minor of module te annuleren of te verplaatsen. De bepaling noemt nergens de mogelijkheid om een vestiging te sluiten. Die uitleg is een eigen interpretatie van de ondernemer en vindt geen steun in de tekst. Daarnaast geldt dat de bepaling ook niet zo ruim moet worden geïnterpreteerd als de ondernemer doet, omdat het al een zeer verstrekkende bepaling betreft die ingrijpt in de rechten van de student. Bovendien sluit een recht van de ondernemer om een studie te annuleren of te verplaatsen niet het recht van de student op (financiële) compensatie uit.

Daarbij komt dat op 12 maart 2025 bekend werd dat de ondernemer is overgenomen door een grote partij, namelijk BSN. Deze overname ondersteunt het beeld dat de sluiting van de vestiging [plaatsnaam] niet louter het gevolg was van het onverwacht uitblijven van inschrijvingen in de zomer van 2024, maar onderdeel was van een bredere strategische of financiële herstructurering.

De schade die ik vorder betreft uitsluitend directe schade. De volledige uitsluiting van aansprakelijkheid voor directe schade door de ondernemer is onredelijk bezwarend jegens mij als consument, in de zin van artikel 6:233 sub a jo. artikel 6:237 sub f BW en moet daarom buiten toepassing blijven. Het gaat immers om een uitsluiting van de wettelijke schadevergoedingsplicht bij niet-nakoming van een kernverplichting. Daarnaast geldt dat deze bepaling in strijd is met de Europese Richtlijn oneerlijke bedingen. Tot slot is een beroep van de ondernemer op deze bepaling – gelet op de feitelijke gang van zaken en de rol van de ondernemer daarin – ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (artikel 6:248 lid 2 BW).

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Uit artikel 3 van onze algemene voorwaarden blijkt dat de ondernemer zich het recht voorbehoudt om opleidingen te verplaatsen of digitaal aan te bieden bij onvoldoende inschrijvingen. De overeenkomst tussen de consument en de ondernemer bevat geen garantie dat het volledige programma op de vestiging [plaatsnaam] zou worden aangeboden. De overeenkomst die de consument met de ondernemer heeft gesloten, bevat geen garantie dat de opleiding volledig op één specifieke locatie zal plaatsvinden. De voorwaarden maken het mogelijk dat een opleiding naar een andere vestiging wordt verplaatst of digitaal wordt aangeboden, zonder dat dit een wanprestatie oplevert.

De sluiting van de vestiging [plaatsnaam] was noodzakelijk vanwege een onverwachte daling in plaats van de beoogde stijging in het aantal inschrijvingen in de zomer van 2024, waardoor de continuïteit van onze organisatie in gevaar kwam. Dit besluit, hoe ingrijpend ook, was juridisch gerechtvaardigd en zorgvuldig genomen. Zodra het besluit in augustus 2024 definitief was, hebben wij studenten direct geïnformeerd en persoonlijke gesprekken aangeboden.

De consument is op 15 augustus 2024 ingelicht over de sluiting en zowel mondeling als schriftelijk alternatieve mogelijkheden, waaronder:
> Voortzetting van zijn opleiding op onze vestigingen in [plaatsnaam] of [plaatsnaam];
> Hybride les vormen;
> Ondersteuning bij de overstap naar andere onderwijsinstellingen.

Op 15 augustus hebben we studenten en ouders ook uitgenodigd om op 20 augustus met de ondernemer in gesprek te gaan om de mogelijkheden en ondersteuning vanuit de ondernemer daarbij te bespreken. Op 16 augustus vraagt de vader van de consument of zijn zoon kan inbellen. Dit hebben we direct geregeld.
Daarnaast hebben wij in overleg met de [schoolnaam] passende oplossingen gerealiseerd, waaronder het direct kunnen starten in het tweede jaar. Dit is in een mail op 21 augustus uiteengezet.

Bij de inschrijving heeft de consument expliciet ingestemd met de algemene voorwaarden van de ondernemer, waarin de beperking van aansprakelijkheid is opgenomen. Daarnaast heeft de ondernemer haar zorgplicht zorgvuldig ingevuld door direct alternatieven en ondersteuning te bieden na de sluiting van de vestiging [plaatsnaam]. Dit toont aan dat de ondernemer heeft gehandeld binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid.

De bewering dat andere studenten wel financieel zijn gecompenseerd, is onjuist. Iedere situatie wordt individueel beoordeeld op basis van de specifieke omstandigheden. Dit betekent echter niet dat er sprake is van ongelijke behandeling of selectieve compensatie.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Vast staat dat tussen partijen een onderwijsovereenkomst is aangegaan met een looptijd van drie jaar, waarbij het lesgeld van € 17.770, — per jaar moest worden betaald. De opleiding betrof volgens de door de ondernemer aan de consument verzonden bevestiging: ‘[opleiding], vestiging [plaatsnaam], [.]”.

Tevens staat vast dat de consument het eerste jaar van die opleiding met succes heeft doorlopen.

De ondernemer heeft kort voor de start van het tweede opleidingsjaar kenbaar gemaakt de opleiding niet meer in [plaatsnaam] aan te bieden. Zij meende daartoe gerechtigd te zijn op basis van het bepaalde in artikel 3 van de door de ondernemer gehanteerde en door de consument geaccepteerde algemene voorwaarden. Dit artikellid luidt:

“[.] Bij onvoldoende inschrijvingen/aanmeldingen behoudt [ondernemer] zich tevens het recht voor een studie, een minor of vak/module te annuleren of de student naar een andere vestiging te verwijzen, of de module digitaal aan te bieden. [Ondernemer] behoudt zich tevens het recht voor om een opleiding op een andere locatie aan te bieden als waar initieel voor is ingeschreven, bijvoorbeeld (doch niet uitputtend) door een verhuizing van een vestiging. Bij annulering van de aanvang van de opleiding door [ondernemer] vervalt de betalingsverplichting en wordt het eventueel voor dat onderdeel betaalde collegegeld gecrediteerd. [ondernemer] is niet aansprakelijk voor enige directe of indirecte schade, waaronder mede inbegrepen derving van inkomsten of winst, die voort zou kunnen vloeien uit het niet langer aanbieden van de opleiding. [..] ”

Aan de ondernemer kan worden toegegeven dat – anders dan de consument aanvoert – de voorwaarden hem het recht geven “een opleiding op een andere locatie aan te bieden als waar initieel voor is ingeschreven”. Die bevoegdheid is ruim geformuleerd gezien de toevoeging: “bijvoorbeeld (doch niet uitputtend) door een verhuizing van een vestiging.”.

Dit neemt echter niet weg dat op basis van constante jurisprudentie een contractuele bevoegdheid altijd volgens de normen van redelijkheid en billijkheid moet worden uitgeoefend. Is dat niet het geval, dan is een beroep op een contractuele bevoegdheid onrechtmatig tegenover de wederpartij.

In dit geval is het beding op onrechtmatige wijze ingeroepen door de ondernemer. Dit blijkt uit het feit dat:
– Een vestigingsplaats voor een cursist die in drie jaar een HBO volgt, een belangrijke factor is gelet op reistijden. De consument woont in [plaatsnaam] en vond de reistijd naar [plaatsnaam] aanvaardbaar. Daarom is hij een driejarige overeenkomst met de ondernemer aangegaan;
– De ondernemer zelf schriftelijk heeft bevestigd dat de cursist zich inschreef voor de studie “[opleiding], vestiging [plaatsnaam]”;
– De ondernemer de consument het eerste opleidingsjaar heeft laten volgen terwijl er bij aanvang geen andere medecursisten waren. De ondernemer kende dus het risico dat er gedurende de drie jaar onvoldoende cursisten voor de opleiding zouden zijn;
– De (ouders van de) consument meermaals is bevestigd dat de opleiding in [plaatsnaam] kon worden afgemaakt;
– De cursist slechts enkele dagen voor de start van het tweede opleidingsjaar van de sluiting in kennis gesteld;
– De cursist geen adequate alternatieven zijn geboden en onvoldoende of onjuist is begeleid bij de overstap naar een andere opleiding;

De ondernemer is toerekenbaar tekort geschoten jegens de consument door deze te confronteren met een onherroepelijke situatie, te weten het sluiten van de locatie [plaatsnaam]. Hierdoor is de ondernemer tegenover de consument van rechtswege schadeplichtig.

Ten aanzien van die schade beroept de ondernemer zich op een aansprakelijkheidsuitsluiting die is vastgelegd in artikel 3 van de door de ondernemer gehanteerde en door de consument geaccepteerde algemene voorwaarden. Deze uitsluiting stelt dat de ondernemer “niet aansprakelijk [is] voor enige directe of indirecte schade, waaronder mede inbegrepen derving van inkomsten of winst, die voort zou kunnen vloeien uit het niet langer aanbieden van de opleiding. [..]”.

Op grond van art. 6:233, aanhef en onder a, BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar als het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. Tot de omstandigheden die hierbij van belang zijn, behoren onder meer de hoedanigheid van partijen, hun maatschappelijke positie, hun onderlinge verhouding en hun deskundigheid.

Artikel 6: 237 BW bepaalt het navolgende:

“Bij een overeenkomst tussen een [lees: ondernemer] en [lees: consument], wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn een in de algemene voorwaarden voorkomend beding
[..] f. dat de gebruiker of een derde geheel of ten dele bevrijdt van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding;
[..]”

De consument meent dat de situatie genoemd in lid f van artikel 6: 237 BW zich hier voordoet waardoor de ondernemer zich niet op dit deel van het beding in de algemene voorwaarden (d.w.z. de volledige aansprakelijkheidsuitsluiting kan beroepen. Qua onderbouwing wordt verwezen naar hetgeen de commissie hiervoor heeft aangevoerd om de tekortkoming van de ondernemer vast te stellen.

Dit betekent dat de ondernemer de schade van de consument moet vergoeden, die deze lijdt doordat hij hals over kop zich voor een andere opleiding moest inschrijven.

De commissie stelt die schade vast op de extra kosten van het les jaar 2024-2025 bij de [schoolnaam], te weten € 4.480, –. De commissie ziet geen aanleiding om ook de extra kosten van het derde les jaar aan de ondernemer toe te rekenen. In een tweede les jaar van een HBO opleiding kan immers van alles en nog wat gebeuren waardoor een consument een opleiding niet of anders vervolgt. Die schade was voor de ondernemer in augustus 2024 niet te voorzien toen hij de opleiding in [plaatsnaam] staakte.
Ook de gevraagde vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen. Toegegeven zei dat het hals over kop moeten wisselen van opleiding uiterst onprettig is, maar niet kan worden aangenomen dat iets dergelijks in het algemeen dermate belastend is dat daardoor ernstig geestelijk leed wordt veroorzaakt. De consument heeft dit ook niet op die manier aangevoerd of aangetoond.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De ondernemer voldoet binnen 14 dagen na verzending van dit advies een bedrag van € 4.480, — aan de consument.

Indien betaling niet tijdig plaatsvindt, betaalt de ondernemer bovendien de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de verzenddatum van het bindend advies.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van €107,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie een bijdrage in de behandelingskosten verschuldigd.

De commissie wijst het meer of anders verlangde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Particuliere Onderwijsinstellingen, bestaande uit de heer mr. W.F.R. Rinzema, voorzitter, de heer mr. J.A. Frederik, de heer drs. E.J.M. Polman, leden, op 30 september 2025.

de heer mr. W.F.R. Rinzema

Opslaan als PDF