Extra zorgbehoefte geen reden voor onmiddellijke beëindiging kinderopvang

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Opzegging overeenkomst    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 1347177/1348744

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De uitspraak gaat over de beëindiging van een kinderopvangovereenkomst vanwege de extra begeleidingsbehoefte van de dochter van de consument. Hoewel de ondernemer gedurende langere tijd zorgvuldig onderzoek heeft gedaan, gesprekken heeft gevoerd en externe deskundigen heeft betrokken, oordeelt de commissie dat de opvangovereenkomst te vroeg is opgezegd. Op het moment van de opzegging was al ambulante begeleiding aangevraagd en deze zou na de zomervakantie starten, maar de ondernemer heeft niet afgewacht of deze ondersteuning de opvang zou kunnen voortzetten. Daarom is onvoldoende aangetoond dat de opvang niet langer mogelijk was. De commissie verklaart de klacht grotendeels gegrond, bepaalt dat de dochter gebruik moet kunnen blijven maken van de opvang en kent de consument een vergoeding van het klachtengeld toe.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de eenzijdige beëindiging van de opvangovereenkomst wegens de begeleidingsbehoefte van de dochter van de consument.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De dochter van de consument ontvangt opvang bij de ondernemer sinds begin januari 2026. Het was bij de consument bekend dat er sprake is van een extra begeleidingsbehoefte bij zijn dochter. Op 1 juli 2026 heeft de ondernemer mondeling meegedeeld dat de opvangovereenkomst wordt beëindigd, met 9 juli 2026 als laatste opvangdag. Op 3 juli 2026 is dit schriftelijk bevestigd. De consument was bezig met het opzetten van ondersteuningstrajecten. De ondernemer heeft dit niet afgewacht.

De consument stelt verder dat de opzegging niet voldoet aan artikel 6 lid 4 en 5 van de Algemene Voorwaarden Kinderopvang 2025, omdat de eerste schriftelijke bevestiging onvoldoende was gemotiveerd en een onjuiste opzegtermijn bevatte. In deze brief ontbreekt de onderbouwing en de opzegtermijn van één maand is niet in acht genomen.

De consument verzoekt de commissie de beëindiging van de overeenkomst te toetsen en de ondernemer te gelasten de plaatsing voort te zetten.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Zorgbehoefte
Tijdens de intake voorafgaand aan de plaatsing is niet met de ondernemer gedeeld dat al eerder zorgen bestonden over de dochter van de consument. In de maanden voorafgaand aan de beëindiging hebben meerdere gesprekken met ouders plaatsgevonden, onder meer op 4 maart 2026, 4 juni 2026 en 1 juli 2026. Daarbij zijn de ontwikkeling van de dochter van de consument, haar ondersteuningsbehoefte en de mogelijkheden binnen de opvang uitvoerig besproken. Ook zijn externe partijen betrokken geweest, waaronder [naam externe partij], [naam externe partij], en de GGD. Daarnaast is gesproken over een verwijzing naar een medisch kinderdagverblijf.

Daarbij is uiteindelijk gebleken dat de ondersteuningsbehoefte van de dochter van de consument de mogelijkheden van de reguliere kinderopvang structureel overstijgt. Zij heeft individuele begeleiding en voortdurende aansturing nodig die de ondernemer binnen een reguliere groep niet kan bieden zonder dat dit ten koste gaat van de aandacht en begeleiding voor de overige kinderen. Ook de inzet van extra medewerkers boven op de BKR op kosten van de ondernemer heeft niet het gewenste resultaat gehad. Ten tijde van het besluit was wel bekend dat gesprekken en verwijzingen liepen, maar de ondernemer had nog geen formele bevestiging gehad dat ambulante begeleiding daadwerkelijk was toegekend en wanneer deze zou starten. De ondernemer kon de verantwoordelijkheid als kinderopvang niet laten afhangen van een traject waarvan de toekenning, inhoud, startdatum en effectiviteit op dat moment nog onzeker waren.

Op grond van artikel 10 van de Algemene Voorwaarden Kinderopvang 2025 en de daarmee samenhangende bepalingen over beëindiging van de overeenkomst, is de ondernemer genoodzaakt de opvangovereenkomst op te zeggen. De reden hiervoor is dat sprake is van een extra verzorgings- en ondersteuningsbehoefte die de ondernemer niet naar behoren kan verlenen.

Zorgvuldigheid
De ondernemer erkent dat de eerste schriftelijke bevestiging van 3 juli 2026 niet volledig was. Deze omissie is direct hersteld door middel van een nieuwe schriftelijke opzegging van 6 juli 2026 waarin zowel de motivering als de juiste opzegtermijn zijn opgenomen.

Met inachtneming van de geldende opzegtermijn van één maand is de opvangovereenkomst per 2 augustus 2026 beëindigd. Vanwege de sluiting van de peuterspeelzaal in de zomervakantie is feitelijk dus geen opvang voor de dochter van de consument. In dat kader heeft de ondernemer besloten om de opvangovereenkomst per 10 juli 2026 te beëindigen. Hierdoor worden dan ook geen kosten in rekening gebracht voor de periode van 10 juli 2026 tot en met 1 augustus 2026, de periode waarin feitelijk geen opvang meer plaatsvindt.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Toetsingskader
De ondernemer heeft zich beroepen op de Algemene voorwaarden voor Kinderopvang, Dagopvang en Buitenschoolse opvang 2025 (hierna te noemen: Algemene voorwaarden), meer specifiek op artikel 6 lid 3 sub b onder iii, in samenhang met artikel 10 lid 2 sub a onder iii, waaruit volgt dat de ondernemer slechts bevoegd is de overeenkomst op te zeggen op grond van een gegronde reden. Als gegronde reden wordt in ieder geval aangemerkt de omstandigheid dat het kind een extra verzorgingsbehoefte heeft die de ondernemer feitelijk niet kan verlenen. Opzegging vindt plaats met inachtneming van de opzegtermijn, door middel van een aan de consument gerichte schriftelijke verklaring. De ondernemer motiveert de opzegging.

Conform eerdere jurisprudentie merkt de commissie een eenzijdige beëindiging van de overeenkomst aan als een toekomstige weigering van de toegang tot de opvang. Dit betekent dat de bepalingen, die zien op de weigering van de toegang (in dit geval artikel 10 van de Algemene voorwaarden), van overeenkomstige toepassing zijn op dit geschil.

Hieruit volgt dat een consument, die het niet eens is met de beslissing van de ondernemer de overeenkomst eenzijdig te beëindigen, een verkorte procedure bij de commissie kan starten, zoals in dit geval is gebeurd.

Bij de commissie ligt dan ook de vraag voor of in het onderhavige geschil sprake is van een gegronde reden die de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst rechtvaardigt.

Is sprake van een gegronde reden?
Niet in geschil is dat de dochter van de consument extra begeleiding behoeft. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de ondernemer zich gedurende langere tijd heeft ingespannen om de ontwikkeling en begeleiding van het kind te ondersteunen. In dat kader zijn observaties verricht, zijn externe deskundigen betrokken, waaronder [naam externe partij] en [naam externe partij], is extra pedagogische inzet gerealiseerd en hebben meerdere gesprekken met de ouders plaatsgevonden. Uit de gespreksverslagen volgt dat de ondernemer zijn zorgen over het gedrag en de ontwikkeling van het kind met de ouders heeft gedeeld. Deze zorgen hadden onder meer betrekking op het niet deelnemen aan groepsactiviteiten, het zoeken van veel aandacht en nabijheid, boos gedrag en het fysiek pijn doen van andere kinderen en pedagogisch medewerkers.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de ouders de zorgen van de ondernemer hebben onderkend en, op advies van de ondernemer, ambulante begeleiding hebben aangevraagd bij [naam externe partij]. De benodigde verwijzing was reeds door de GGD afgegeven en de begeleiding zou na de zomervakantie aanvangen.

Vaststaat dat de ondernemer, voordat deze begeleiding kon starten, de opvangovereenkomst eenzijdig heeft beëindigd. De ondernemer heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de zorgbehoefte van het kind van dien aard is dat de benodigde begeleiding binnen de reguliere opvangsetting niet langer kan worden geboden.

De commissie is van oordeel dat de ondernemer het traject voorafgaand aan de opzegging zorgvuldig heeft vormgegeven door observaties te verrichten, deskundigen in te schakelen en de ouders bij de zorgen te betrekken. Daar staat echter tegenover dat de ondernemer de overeenkomst heeft beëindigd voordat de reeds in gang gezette ambulante begeleiding kon aanvangen. Daarmee is de mogelijkheid om te beoordelen of deze ondersteuning toereikend zou zijn geweest, niet afgewacht.

Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de commissie onvoldoende komen vast te staan dat de ondersteuningsbehoefte van het kind zodanig was dat voortzetting van de opvang, al dan niet met inzet van ambulante begeleiding, redelijkerwijs niet meer mogelijk was. Nu de mogelijkheden van ambulante ondersteuning door [naam externe partij] niet zijn onderzocht of in de praktijk zijn beproefd, is niet ondubbelzinnig komen vast te staan dat de ondernemer een gegronde reden had om de overeenkomst op te zeggen.
In zoverre is de klacht van de consument gegrond.

De stelling van de ondernemer dat uit eerdere ervaringen is gebleken dat ondersteuning door [naam externe partij] ontoereikend zou zijn, volgt de commissie niet. Het had op de weg van de ondernemer gelegen hierover in overleg te treden met[naam externe partij] teneinde te onderzoeken in hoeverre ondersteuning tot de mogelijkheden behoorde en of daarmee (gedeeltelijke) voortzetting van de opvang alsnog gerealiseerd kon worden.

Is de opzegging zorgvuldig geweest?
Ten aanzien van de wijze waarop de ondernemer de opvangovereenkomst heeft opgezegd, overweegt de commissie als volgt.

Uit de gespreksverslagen van 4 maart 2026 en 4 juni 2026 blijkt dat de zorgen over de ontwikkeling en het gedrag van de dochter van de consument uitvoerig met de ouders zijn besproken. Niet is echter gebleken dat de ondernemer daarbij heeft gewezen op de mogelijkheid dat deze zorgen zouden kunnen leiden tot beëindiging van de opvangovereenkomst.

Integendeel, uit het verslag van het gesprek van 4 juni 2026 volgt dat partijen ervan uitgingen dat ambulante begeleiding zou worden ingezet, waarna zou worden bezien welke vorm van opvang passend en haalbaar zou zijn. Tegen deze achtergrond is de ondernemer kort daarna, op 1 juli 2026, alsnog overgegaan tot opzegging van de opvangovereenkomst. Het is begrijpelijk dat de consument zich door deze beslissing overvallen voelde. De ondernemer had de consument er eerder en duidelijk over moeten informeren dat beëindiging van de opvang (op termijn) tot de reële mogelijkheden behoorde.

De consument heeft verder aangevoerd dat de overeengekomen opzegtermijn van één maand niet in acht is genomen. De ondernemer heeft toegelicht dat hiervan is afgeweken om te voorkomen dat de consument kosten zou moeten voldoen voor opvang waarvan, vanwege de zomervakantie, feitelijk geen gebruik meer kon worden gemaakt. De commissie acht deze handelwijze onder de gegeven omstandigheden niet onzorgvuldig.

Ten slotte heeft de consument geklaagd dat de opzegging aanvankelijk niet van een deugdelijke motivering was voorzien. Vaststaat dat de opzeggingsbrief van 3 juli 2026 geen motivering bevatte. De ondernemer heeft dit hersteld met de brief van 6 juli 2026, waarin de redenen voor de beëindiging alsnog zijn uiteengezet. De commissie beschouwt deze brief als de formele opzeggingsbrief. Deze voldoet aan de motiveringseis uit de Algemene Voorwaarden.

Dit klachtonderdeel is dan ook ten dele gegrond.

Conclusie
De gegronde reden om te komen tot opzegging van de overeenkomst was (nog) niet aanwezig en de opzegging zelf moet als ontijdig worden aangemerkt. De opzegging kan dan ook niet in stand blijven.
Dit betekent dat de consument, ook na de vakantie, op gebruikelijke tijd en wijze gebruik dient te kunnen maken van de opvang van de ondernemer. De commissie gaat ervan uit dat partijen zich gezamenlijk zullen inspannen om de opvang op verantwoorde wijze voort te zetten; een en ander met gebruikmaking van de reeds in gang gezette ambulante begeleiding.

Aangezien de klacht van de consument gegrond wordt verklaard, dient het klachtengeld overeenkomstig het reglement van de commissie voor rekening van de ondernemer te komen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klacht van de consument ten aanzien van de reden van opzegging gegrond;
– verklaart de klacht van de consument ten aanzien van de wijze van opzegging ten dele gegrond;
– bepaalt dat de consument op gebruikelijke tijd en wijze gebruik dient te kunnen blijven maken van de opvang van de ondernemer;
– bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25,– aan de consument dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, de heer Y. Dragstra, mevrouw J.M.A. van Haren, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 24 juli 2026.

Opslaan als PDF