Commissie: Kinderopvang
Categorie: Beëindiging / opzegging
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1322882/1334748
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De zaak gaat over een ouder die de kinderopvangovereenkomst per direct beëindigde nadat haar zoon betrokken was geweest bij meerdere incidenten op de opvang. Door de communicatie over deze incidenten verloor zij het vertrouwen in de opvang. De commissie oordeelt dat de consument de overeenkomst rechtsgeldig met onmiddellijke ingang mocht opzeggen en daarom alleen de opvangkosten tot de datum van opzegging hoeft te betalen. De klacht is gegrond verklaard.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de veiligheid van de kinderopvang waar de zoon van de consument wordt opgevangen en de communicatie met betrekking tot een drietal incidenten.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
In juni 2025 heeft de consument haar zoon (van toen 2 jaar) opgehaald bij de ondernemer waarna haar gebleken is dat hij een verwonding had opgelopen door een bijtincident.
De consument heeft hierover navraag gedaan bij de ondernemer maar heeft geen nadere uitleg gekregen over wat zich precies heeft voorgedaan tijdens het incident. Op de rug van de zoon van de consument was een duidelijke bijtplek te zien.
Kort nadien, op 4 juli 2025, heeft de consument een bericht via WhatsApp ontvangen van de ondernemer dat haar zoon na een val een verwonding aan zijn knie heeft opgelopen. Het bericht dat de consument heeft ontvangen spreekt van ‘een wondje in zijn knie’. Nadien heeft de ondernemer een foto toegezonden waaruit is gebleken dat sprake was van een snee in de knie, die nadien bij de huisarts is geplakt. De ondernemer wijt de verwonding aan het feit dat de zoon van de consument een korte broek droeg en heeft aangegeven dat geen sprake was van een val. Wat de verwonding precies heeft veroorzaakt is voor de consument onduidelijk gebleven.
Op 30 oktober heeft zich een derde incident voorgedaan waarbij de zoon van de consument met zijn achterhoofd tegen een paal is gevallen in de opvangruimte als gevolg waarvan hij een gat in zijn hoofd heeft opgelopen. Ook het gat in zijn hoofd was van dusdanige aard dat de huisarts van de consument dit heeft moeten hechten.
De consument heeft naar aanleiding van alle incidenten gevraagd om inzage in de incidentenregistratie en de ondernemer verzocht de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen op de groep zodat het gevoel van onveiligheid van haar zoon op de opvang zou worden weggenomen. Inzage in de incidentenregistratie is haar niet verschaft.
De communicatie met de ondernemer is daarna verhard. Dit heeft ertoe geleid dat het vertrouwen in de ondernemer dusdanig is beschadigd dat de consument zich genoodzaakt zag de overeenkomst met de ondernemer op te zeggen. De consument heeft haar zoon na het laatste incident op 30 oktober 2025 ook niet meer naar de opvang gebracht. De ondernemer heeft de opzegging geaccepteerd, maar houdt de consument wel aan het betalen van de maand waarin de zoon van de consument niet aanwezig is geweest en de betaling over de periode van de opzegtermijn.
Als oplossing van het geschil stelt de consument voor dat de betaling over de maand dat haar kind niet aanwezig was als ook over de opzegtermijn wordt kwijtgescholden.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
De ondernemer benadrukt dat incidenten bij kinderen van deze leeftijd in de praktijk niet volledig te voorkomen zijn en dat kinderdagverblijven niet alle incidenten kunnen uitsluiten. De ondernemer stelt voorts dat hij volgens het geldende beleid heeft gehandeld en dat van nalatigheid en/of onzorgvuldigheid zijnerzijds dan ook geen sprake is.
De incidenten kunnen hem niet worden verweten. Bijtincidenten komen bij jongere kinderen vaker voor, evenals valincidenten tijdens het spelen. Van een onveilige situatie op het kinderdagverblijf is, in tegenstelling tot het door de consument gestelde, geen sprake.
Op grond van de overeenkomst is sprake van een opzegtermijn van één maand, waarbij opzegging effectief is per de 1e of de 16e van de maand. De ondernemer is hiervan, geheel onverplicht, afgeweken door akkoord te gaan met een beëindiging per 1 januari 2026, terwijl de opzegging pas op 5 december 2025 is ontvangen.
De ondernemer heeft, gelet op het feit dat de oorzaken haar niet toegerekend kunnen worden, geen medewerking verleend om de opzegging per direct op 5 december 2025 te effectueren.
De ondernemer verzoekt de commissie de klacht ongegrond te verklaren en de consument te veroordelen tot het betalen van het openstaande bedrag binnen veertien dagen na de bekendmaking van het oordeel van de commissie.
Beoordeling van het geschil
Opgemerkt zij dat de ondernemer zelf niet ter zitting is verschenen, maar zij zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De commissie betreurt het dat de ondernemer niet aan de zitting heeft deelgenomen. In dat verband is voorts van belang dat de gemachtigde van de ondernemer desgevraagd over de incidenten geen (aanvullende) informatie heeft kunnen verstrekken.
Uit de stukken blijkt dat de consument de ondernemer op 5 december 2025 een e-mail heeft gestuurd, waarin zij aangeeft de plaatsingsovereenkomst voor haar zoon per direct op te zeggen. In reactie daarop laat de ondernemer in een e-mail van 8 december 2025 weten dat een opzegtermijn van een maand wordt gehanteerd en het contract per 1 januari 2026 zal eindigen. In de Algemene Voorwaarden van de ondernemer, die van toepassing zijn op het contract tussen partijen, is bepaald dat de overeenkomst schriftelijk kan worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van één maand tegen de 1e of 16de van de maand. Gelet op ECLI:NL:HR: 2023:198 dient deze bepaling evenwel buiten toepassing te worden gelaten. Dat brengt mee dat de consument de overeenkomst per 5 december 2025 rechtsgeldig met onmiddellijke ingang heeft kunnen opzeggen. De consument dient tot 5 december 2025 wel de uit de door haar met de ondernemer gesloten overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, waaronder betaling van de over de maand november 2025 overeengekomen betalingsverplichting, na te komen.
De klacht van de consument wordt gegrond verklaard
Klachtengeld
De commissie is van oordeel dat het door de consument betaalde klachtengeld voor rekening van de ondernemer dient te komen, nu de klacht van de consument gegrond wordt verklaard. De ondernemer dient daarom het door de consument betaalde klachtengeld van € 25,00 aan de consument te vergoeden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de consument gegrond;
– bepaalt dat de consument binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies het openstaande bedrag tot de datum van opzegging, zijnde 5 december 2025, aan de ondernemer dient te voldoen;
– bepaalt dat de ondernemer binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies aan de consument vergoedt het door de consument betaalde klachtengeld van € 25,00;
– wijst het meer of anders verzochte af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw mr. S.A.M.F. Sjoukes, de heer H. Stel, leden, in aanwezigheid van mr. D. le Pair, secretaris, op 14 juli 2026.