Commissie: Kinderopvang
Categorie: Opzegging overeenkomst
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1348920/1350018
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De uitspraak betreft een zaak over de beëindiging van een kinderopvangovereenkomst omdat een kind volgens de opvangorganisatie extra begeleiding nodig had. De Geschillencommissie oordeelt dat de opvang onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht of passende begeleiding mogelijk was en te snel is overgegaan tot opzegging van de overeenkomst. Ook zijn de ouders onvoldoende geïnformeerd over de mogelijkheid dat de opvang zou worden beëindigd. Omdat niet vaststond dat voortzetting van de opvang onmogelijk was, verklaart de commissie de klacht gegrond en bepaalt zij dat het kind gebruik moet kunnen blijven maken van de opvang.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft de opzegging van de opvangovereenkomst van de consument vanwege de ondersteuningsbehoefte van zijn kind.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
De klacht betreft de wijze waarop de ondernemer het begeleidingstraject van de zoon van de consument heeft uitgevoerd en de daarop gevolgde eenzijdige beëindiging van de opvangovereenkomst omdat de zoon van de consument volgens de ondernemer extra hulp nodig heeft en deze hulp niet geboden kan worden in een reguliere opvangsetting als die van de ondernemer.
De consument erkent dat zijn zoon gedrag heeft laten zien waarbij extra begeleiding benodigd was, de zoon van de consument heeft een sterkte behoefte aan co-regulatie. De klacht richt zich uitdrukkelijk niet op het feit dat de ondernemer aandacht besteed heeft aan het gedrag van de zoon van de consument, maar wel op de wijze waarop dit begeleidingstraject is uitgevoerd. De consument is van mening dat dit onvoldoende zorgvuldig is gebeurd.
Het door de ondernemer opgestelde plan van aanpak is pas maanden nadat dit was aangekondigd met de consument en zijn partner gedeeld. Het plan van aanpak bevatte geen concrete en meetbare doelstellingen en is na overplaatsing van groep (van een 0-2 jaar groep naar een 1,5-4 jaar groep) niet aangepast of geëvalueerd.
De consument en zijn partner hebben na de overstap in april 2026 louter positieve dagelijkse overdrachten gehad, waardoor zij niet konden vermoeden dat de ondernemer, slechts enkele weken na de overstap van groep, tot eenzijdige opzegging van overeenkomst wilde overgaan.
De consument is van mening dat de opzegging niet zorgvuldig is geweest omdat:
– het begeleidingstraject onvoldoende zorgvuldig is uitgevoerd;
– er observaties hebben plaatsgevonden zonder hierover te communiceren;
– het plan van aanpak maanden op zich heeft laten wachten;
– het plan van aanpak niet concreet, meetbaar en te evalueren was;
– het oorspronkelijke probleem zich inmiddels niet meer voordoet;
– er geen nieuw begeleidingsplan is opgesteld toen de zoon van de consument naar een andere groep werd overgeplaatst;
– gemaakte afspraken niet zijn uitgevoerd of situaties waarover afspraken gemaakt waren zich niet hebben voorgedaan (bellen om eerder op te halen als de situatie niet meer hanteerbaar zou zijn);
– gemaakte afspraken over een evaluatiemoment niet zijn nagekomen;
– dagelijkse terugkoppelingen overwegend positief waren;
– niet is gebleken dat minder ingrijpende maatregelen serieus zijn onderzocht door de ondernemer alvorens over te gaan tot opzegging van de overeenkomst.
De ondernemer heeft onvoldoende aangetoond dat voortzetting van de opvang redelijkerwijs onmogelijk is. Ook heeft de ondernemer onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de belangen van de zoon van de consument voldoende zijn meegewogen bij het maken van deze ingrijpende beslissing. De ondernemer heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de benodigde begeleiding niet kan worden geboden binnen een reguliere opvangplek, alle andere bij de zoon van de consument betrokken professionals hebben aangegeven dat zij geen redenen zien voor plaatsing op een speciale opvangplek.
De consument is door de ondernemer overvallen met de mededeling dat zijn zoon niet langer op de opvang welkom was.
De ondernemer heeft de consument niet tijdig geïnformeerd dat bij gelijkblijvend gedrag opvang niet meer mogelijk zou zijn, zodat de consument en zijn partner door de ondernemer onaangenaam zijn verrast tijdens het gesprek van 30 juni 2026.
De consument verzoekt de commissie gelet op het bovenstaande:
- het geschil met spoed in behandeling te nemen;
- een voorlopige voorziening te treffen waardoor de opvang wordt voortgezet totdat de geschillencommissie in de bodemprocedure uitspraak heeft gedaan;
- te oordelen dat de ondernemer onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij de voorbereiding van de beëindiging van de opvangovereenkomst en dat de belangen van de zoon van de consument onvoldoende zijn meegewogen.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar het verhandelde ter zitting. In de kern komt dat op het volgende neer.
De zoon van de consument is gestart in een babygroep. In deze groep zitten 8 kinderen. De zoon van de consument kwam eerst 1 dag, dit is later uitgebreid naar 2 dagen per week.
Vanaf februari 2026, de zoon van de consument was toen 1,5 jaar oud, hebben medewerkers opgemerkt dat hij verontrustend gedrag liet zien naar andere kinderen. Zo heeft de zoon van de consument andere kinderen omvergeduwd, geslagen en ging hij op andere kinderen zitten. Nu komt dit gedrag vaker voor bij kinderen in de leeftijd van de zoon van de consument, maar in het geval van de zoon van de consument is dit anders geweest voor de ondernemer omdat interventies die gewoonlijk worden toegepast niet leken aan te slaan bij de zoon van klager.
Vanwege de zorgen heeft de ondernemer regelmatig contact gehad met de consument en zijn partner. De ondernemer heeft meerdere maatregelen ingezet om de zoon van de consument binnen de reguliere opvangsetting te begeleiden. Er hebben meerdere observaties door een pedagogisch coach plaatsgevonden, er is een plan van aanpak opgemaakt, er zijn interventies bedacht, uitgevoerd en geëvalueerd. De ondernemer heeft in deze periode weliswaar een leerbaar kind gezien, maar de ingezette interventies hebben niet geleid tot de gewenste uitkomst.
Het zorgelijke punt voor de ondernemer is dat onduidelijk is gebleven is wat er telkenmale voorafging aan het verontrustende gedrag van de zoon van klager. Het gedrag leek uit de lucht te komen vallen, er is in vrijwel alle gevallen geen oorzaak aan te wijzen waarom de zoon van klager het gedrag liet zien. Er waren geen incidenten waarbij kinderen speelgoed afpakten of al een ruzie ontstaan was, maar gewone momenten waarbij de kinderen het ene moment aan het spelen waren en het volgende moment de zoon van de consument op een ander kind af ging en uit het niets omverduwde, sloeg of op de kinderen ging zitten.
Uiteindelijk heeft de ondernemer de zoon van de consument in een andere groep geplaatst, voor oudere kinderen. De ondernemer heeft dit gedaan met het idee dat de kinderen in de andere groep iets ouder, groter en daarmee weerbaarder zijn.
Deze groep bood ook de mogelijkheid om tijdelijk een extra personeelslid in te zetten, waardoor ook tijdelijk 1-op-1 begeleiding van de zoon van de consument mogelijk was. Ook deze 1-op-1 begeleiding heeft niet het gewenste effect gehad, de zoon van de consument bleef zorgwekkend gedrag vertonen naar de andere kinderen op de groep.
De ondernemer is uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat, ondanks alle inspanningen, er geen mogelijkheden (meer) zijn om de zoon van de consument voldoende te kunnen begeleiden zonder dat de veiligheid en het welzijn van andere kinderen binnen de groep in het geding komt. De ondernemer is van mening dat, gelet op het gedrag van de zoon van klager, opvang binnen de reguliere opvang niet langer mogelijk is. Dit gelet op de pedagogische uitdagingen en het feit dat de ondernemer het niet meer kan verantwoorden, in het kader van de veiligheid van de andere kinderen op de groep. Deze afweging heeft ertoe geleid dat de ondernemer zich genoodzaakt heeft gezien de plaatsingsovereenkomst van de zoon van de consument met ingang van 22 augustus 2026 op te zeggen. De ondernemer wenst te benadrukken dat hij niet lichtvaardig tot dit besluit is gekomen.
Beoordeling van het geschil
Toetsingskader
Op de overeenkomst tussen de consument en de ondernemer zijn de Algemene voorwaarden voor Kinderopvang, Dagopvang en Buitenschoolse opvang versie 2025 (hierna te noemen: Algemene voorwaarden) en de Aanvullingen opvangcontract Kinderopvang (hierna te noemen: Aanvullingen opvangcontract) van toepassing.
De ondernemer heeft zich, weliswaar niet met zoveel woorden, beroepen op artikel 6.3 sub b onder ii, in samenhang met artikel 10.2 sub a onder iii. Hieruit volgt dat de ondernemer bevoegd is de overeenkomst op te zeggen op grond van een gegronde reden. Als gegronde reden wordt in ieder geval aangemerkt de omstandigheid dat (1) het kind door ziekte of anderszins een extra verzorgingsbehoefte heeft die de ondernemer feitelijk niet in staat is naar behoren te verlenen en (2) het kind een risico of bedreiging vormt voor de geestelijke dan wel lichamelijke gezondheid of veiligheid van anderen.
Opzegging vindt plaats met inachtneming van de opzegtermijn, door middel van een aan de consument gerichte schriftelijke verklaring. De ondernemer motiveert de opzegging.
Conform eerdere jurisprudentie merkt de commissie een eenzijdige beëindiging van de overeenkomst aan als een toekomstige weigering van de toegang tot de opvang. Dit betekent dat de bepalingen die zien op de weigering van de toegang (in dit geval artikel 10 van de Algemene voorwaarden), van overeenkomstige toepassing zijn op dit geschil.
Hieruit volgt dat een consument, die het niet eens is met de beslissing van de ondernemer de overeenkomst eenzijdig te beëindigen, een verkorte procedure bij de commissie kan starten, zoals in dit geval is gebeurd.
Bij de commissie ligt dan ook de vraag voor of in het onderhavige geschil sprake is van een gegronde reden die de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst rechtvaardigt.
Is sprake van een gegronde reden?
Niet in geschil is dat de zoon van de consument extra begeleiding behoeft. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de ondernemer zich gedurende langere tijd heeft ingespannen om de ontwikkeling en begeleiding van het kind te ondersteunen. In dat kader zijn observaties verricht, zijn deskundigen betrokken, is geadviseerd om hulp in te schakelen via Stichting Integrale Vroeghulp, is extra pedagogische inzet gerealiseerd en hebben meerdere gesprekken met ouders plaatsgevonden. Uit de gespreksverslagen, onder meer van de pedagogisch coach, volgt dat de ondernemer zijn zorgen over het gedrag en de ontwikkeling van het kind met de ouders heeft gedeeld. Deze zorgen hadden onder meer betrekking op het zoeken van veel aandacht en nabijheid van de pedagogisch medewerkers en het fysiek pijn doen van andere kinderen door de zoon van de consument.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de ouders de zorgen van de ondernemer hebben onderkend en zij zich, op advies van de ondernemer, hebben aangemeld bij [naam externe instantie], maar ook bij [naam externe instantie b], voor ambulante begeleiding. Er is echter sprake van een aanzienlijke wachtlijst waardoor er niet direct met deze aanvullende begeleiding kon worden gestart.
Vaststaat dat de ondernemer deze ontwikkeling niet heeft afgewacht en de opvangovereenkomst eenzijdig heeft beëindigd. De ondernemer heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de zorgbehoefte van het kind van dien aard is dat de benodigde begeleiding binnen de reguliere opvangsetting niet langer kan worden geboden.
De commissie is van oordeel dat de ondernemer het traject voorafgaand aan de opzegging onvoldoende zorgvuldig heeft vormgegeven. Hoewel de ondernemer observaties heeft verricht en de pedagogisch coach heeft ingeschakeld heeft zij nagelaten de ouders voldoende duidelijkheid te geven met betrekking tot het traject en de eventuele gevolgen. Ook heeft de ondernemer het kind slechts beperkt de tijd gegeven aan de nieuwe opvanggroep te wennen alvorens over te gaan tot de opzegging van de overeenkomst. De ondernemer heeft ook de ingeschakelde hulp, door aanmelding bij [naam externe instantie] en [naam externe instantie b] niet afgewacht. Daarmee is de mogelijkheid om te beoordelen of deze ondersteuning toereikend zou zijn geweest, niet afgewacht.
Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de commissie niet komen vast te staan dat de ondersteuningsbehoefte van het kind zodanig was dat de voortzetting van de opvang, al dan niet met inzet van extra begeleiding van buitenaf (zoals ambulante begeleiding), redelijkerwijs niet meer mogelijk was. Nu dergelijke mogelijkheden niet zijn onderzocht en of in de praktijk zijn beproefd, is niet ondubbelzinnig vast komen staan dat de ondernemer een gegronde reden had om de overeenkomst op te zeggen.
In zoverre is de klacht van de consument gegrond.
De commissie stelt voorts vast dat de ondernemer zich onvoldoende heeft ingespannen te onderzoeken of plaatsing op een van de andere 9 locaties van de ondernemer mogelijk was, al dan niet met extra begeleiding. De stelling van de ondernemer dat de huidige locatie daarin de meest aangewezen locatie is, is op geen enkele wijze door de ondernemer onderbouwd en kan reeds daarom niet als juist worden aangemerkt .
Het had op de weg van de ondernemer gelegen onderzoek te doen en te bezien of, met ondersteuning, een (gedeeltelijke) voortzetting op een andere locatie van de ondernemer gerealiseerd had kunnen worden en of andere alternatieven te zoeken en ouders hierin te ondersteunen.
Wijze van opzegging
Ten aanzien van de wijze waarop de ondernemer de opvangovereenkomst heeft opgezegd, overweegt de commissie als volgt.
Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat de zorgen over de ontwikkeling en het gedrag van de zoon van de consument met de ouders zijn besproken. Hoewel er veelal mondeling is gecommuniceerd blijkt uit de documenten van de pedagogisch coach dat zij de zorgen met de consument besproken heeft. Niet is gebleken dat de ondernemer de consument daarbij heeft gewezen op de mogelijkheid dat deze zorgen zouden kunnen leiden tot een beëindiging van de opvangovereenkomst.
Integendeel, zowel de ondernemer als de consument gingen ervan uit dat de wijziging van de groep, de inzet van een extra pedagogisch professional en de aangevraagde extra begeleiding, voor een vorm van passende en haalbare opvang zou zorgen. Tegen deze achtergrond is de ondernemer kort na de wijziging van groep, op 30 juni 2026 – de afspraak op deze datum is overigens al op 9 juni 2026 ingepland – overgegaan tot opzegging van de opvangovereenkomst. Het is begrijpelijk dat de consument zich door deze beslissing overvallen voelde. De ondernemer had de consument er eerder en duidelijker over moeten informeren dat beëindiging van de opvangovereenkomst (op termijn) tot de reële mogelijkheden behoorde.
Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.
Conclusie
De gegronde reden om te komen tot opzegging van de overeenkomst was (nog) niet aanwezig. De opzegging kan dan ook niet in stand blijven. Dit betekent dat de consument op de gebruikelijke tijd en wijze gebruik dient te kunnen maken van de opvang van de ondernemer. De commissie gaat ervan uit dat partijen zich gezamenlijk zullen inspannen om de opvang op verantwoorde wijze voort te zetten; een en ander met gebruikmaking van de reeds aangevraagde begeleiding.
Aangezien de klacht van de consument gegrond wordt verklaard, dient het klachtengeld overeenkomstig het reglement van de commissie voor rekening van de ondernemer te komen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de consument gegrond;
– bepaalt dat de consument op gebruikelijke tijd en wijze gebruik dient te kunnen blijven maken van de opvang van de ondernemer.
– bepaalt dat de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 25,- aan de consument dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw mr. S.A.M.F. Sjoukes, de heer H. Stel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. D. le Pair, secretaris, op 30 juli 2026.