Commissie: Afbouw
Categorie: (non)conformiteit
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1325253/1329398
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een consument had een geschil met een bedrijf dat vloerverwarming en een renovatievloer zou aanbrengen. Volgens de consument waren de kosten voor een vergeefs bezoek van de monteurs onterecht en was het bedrijf aansprakelijk voor schade aan een badkamerafvoer die tijdens het frezen van de vloer was geraakt. De consument vond dat het bedrijf vooraf wist dat de geëgaliseerde vloer mogelijk nog niet droog genoeg was om te frezen en dat daarom geen extra kosten in rekening mochten worden gebracht. Ook stelde de consument dat het bedrijf had moeten onderkennen dat er een afvoerleiding aanwezig was en voorzichtigheid had moeten betrachten. De ondernemer voerde aan dat het de verantwoordelijkheid van de consument was om een geschikte, droge ondergrond gereed te hebben en dat pas op de dag van uitvoering bleek dat de vloer onvoldoende was uitgehard. Daarnaast was volgens de ondernemer duidelijk afgesproken waar wel en niet gefreesd mocht worden, waarbij de consument zelf met tape had aangegeven welke delen moesten worden ontzien. De Geschillencommissie oordeelde dat de consument verantwoordelijk was voor de voorbereiding van de vloer en dat de ondernemer de kosten voor het vergeefse bezoek daarom terecht had doorberekend. Ook vond de commissie niet aannemelijk dat de ondernemer had moeten weten dat zich op de betreffende plaats een leiding bevond. Omdat binnen de afgesproken werkzone was gefreesd en onvoldoende was aangetoond dat de ondernemer onzorgvuldig had gehandeld, werd ook de aansprakelijkheid voor de beschadigde afvoer afgewezen. De klacht werd daarom ongegrond verklaard en het depotbedrag van € 900 moest aan de ondernemer worden uitbetaald.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft de vraag voor wiens rekening afwijkingen komen die tijdens de uitvoering van de werkzaamheden worden vastgesteld.
De consument heeft een bedrag van € 900,- niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Op 4 november 2025 heb ik met de ondernemer een overeenkomst gesloten voor het aanbrengen van een renovatievloer met vloerverwarming in mijn woning. Op de overeenkomst zijn de NOA Algemene Consumentenvoorwaarden en de Uitvoeringsvoorwaarden van toepassing. De afgesproken prijs was
€ 6.430,- inclusief btw.
Ik heb nu met de ondernemer een geschil over de werkzaamheden die zijn uitgevoerd:
Het geschil ziet op twee onderdelen: de door ondernemer in rekening gebrachte kosten voor een vergeefs bezoek en schade aan de badkamerafvoer tijdens het frezen.
Voorafgaand aan het infrezen is tussen partijen besproken dat de betonvloer voldoende vlak en droog moest zijn. Op 2 en 3 december 2025 was bij ondernemer bekend dat de geëgaliseerde vloer nog niet volledig droog was en dat infrezen mogelijk niet uitvoerbaar zou zijn. Ondanks die wetenschap is de afspraak op 4 december 2025 doorgegaan. Ter plaatse is vastgesteld dat frezen niet mogelijk was. De ondernemer heeft vervolgens € 544,50 inclusief btw gefactureerd voor voorrijkosten, reisuren en derving van monteurs. Deze kosten zijn niet vooraf overeengekomen en, gelet op de vooraf bekende situatie, onredelijk hoog zijn. Ik heb aangeboden € 150,- aan voorrijkosten te vergoeden; dit voorstel is door ondernemer afgewezen.
Bij het later alsnog infrezen van de vloerverwarming, begin januari 2026, is de badkamerafvoer geraakt. Deze afvoer was zichtbaar aanwezig in vloer en wand, nog niet afgeschermd door afschot en daarom kenbaar risicovol. De ondernemer had dit risico moeten onderkennen. Zij had vooraf een waarschuwing moeten geven of het werk moeten onderbreken. Ik heb de afvoer vervolgens door een derde laten herstellen om verdere vertraging en schade te voorkomen
Ik verzoek de commissie te oordelen dat de gefactureerde kosten van € 900,- in totaal voor het vergeefse bezoek niet, althans niet volledig, verschuldigd zijn; vast te stellen dat ondernemer aansprakelijk is voor de schade aan de badkamerafvoer; te bepalen dat de herstelkosten mogen worden verrekend met de eindafrekening; en vast te stellen welk bedrag partijen over en weer nog verschuldigd zijn.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De consument heeft ons niet in staat gesteld onze werkzaamheden naar behoren te verrichten. Wij kwamen op 21 november 2025 langs voor inspectie en maatvoering, maar de consument had de tegels nog niet verwijderd. Op 26 november 2025 bleek dat de vloer eerst geëgaliseerd moest worden. De consument heeft het egaliseren in eigen beheer laten uitvoeren.
Op 3 december 2025 bleek de egaline nog niet droog/uitgehard, waardoor onze monteurs niet konden frezen. Omdat dit pas de avond van tevoren kort werd aangekondigd (“ging de goede kant op”) en ter plaatse bleek dat er niet gefreesd kon worden, was dit voor ons een verloren werkdag. Wij hebben die dag wel voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd en direct gemeld dat de extra kosten voor een herbezoek doorbelast zouden worden. Wij hebben de afspraak door laten gaan omdat wij ook aan een planning vastzaten en pas achteraf bleek dat de consument te veel water in de egaline had gedaan.
Onze werkelijke schade voor 2 monteurs (16 uur à € 70,-/uur ex. btw + reiskosten) bedroeg € 1.243,- exclusief btw. Ter beperking van de schade en uit schappelijkheid hebben wij met de monteurs een schikking gemaakt en slechts € 450,- exclusief btw doorberekend. Wij hebben hierin onze eigen kosten niet eens meegenomen. De stagnatie is veroorzaakt door een fout/omstandigheid die voor rekening en risico van de consument komt. Hij dient in te staan voor een deugdelijke, droge ondergrond. De factuur is dus terecht en dient te worden voldaan.
Wij hebben daarnaast met de consument afgesproken dat hij op de vloer met tape exact zou afbakenen waar niet gefreesd mocht worden (het douchegedeelte). Buiten die afbakening zou gefreesd worden. De consument heeft een verse dekvloer/egaline laten aanbrengen waarin kennelijk een leiding lag die niet diep genoeg was verwerkt. Hij heeft ons niet geïnformeerd dat er een leiding in het afgesproken freesgebied lag. Onze monteurs hebben aantoonbaar gefreesd binnen het toegestane gebied en buiten de door de consument aangebrachte tape. Dat een afvoerbuis elders (in de douche) zichtbaar boven de vloer uitkwam, betekende niet dat de leiding in het freesgebied ondiep lag. De precieze ligging van de leiding was ons namelijk niet bekend. Wij zijn dus niet tekortgeschoten.
Na het raken van de leiding is afgesproken dat wij de slangen op de verdeler zouden aansluiten en testen, en dat de consument de leiding zelf zou herstellen en de resterende sleuven zou dichtsmeren. Toen de consument later op deze afspraak terugkwam, bleek tevens dat hij ons verkeerd had ingelicht over de aanvoer- en retourleidingen naar de cv-ketel. Wij waren bereid de verkeerd aangesloten leidingen uit coulance om te bouwen, maar doordat de consument zijn afspraken niet nakomt, vervalt deze coulance. De meerkosten voor het juist aansluiten van de vloerverwarming en het extra herbezoek voor maatvoering (ca. € 500,-) komen voor rekening van de consument. Daarnaast heeft de consument de geclaimde herstelkosten van de leiding niet deugdelijk gespecificeerd.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De ondernemer heeft niet weersproken dat een of meerdere facturen, die zij aan de consument heeft gestuurd, ter waarde van € 900,- onbetaald zijn gebleven. Dit bedrag heeft de consument in depot gestort maar de commissie trof hiervoor niet alle facturen in het dossier aan. Niettemin gaat de commissie wel van dit bedrag uit, nu dit gegeven dus niet is betwist door de ondernemer.
Ten aanzien van de eerste kwestie (het tevergeefse bezoek van de ondernemer aan de consument) meent de commissie dat het de verantwoordelijkheid van de consument was om ervoor te zorgen dat de ondernemer op 4 december de afgesproken werkzaamheden kon verrichten. De consument zou de voorbereidende werkzaamheden immers zelf verrichten. Wanneer de avond daarvoor blijkt dat de ondervloer nog niet voldoende is uitgehard zou bij het op normale wijze aanbrengen van de egaline, de ondervloer de volgende ochtend toch hard genoeg kunnen zijn. Onder normale omstandigheden is er namelijk geen sprake van een lange droogtijd en kan een heather, in combinatie met goed ventileren, worden gebruikt.
Ten aanzien van de tweede kwestie (het raken van een leiding) meent de commissie met de ondernemer dat het haar niet kenbaar was of hoefde te zijn dat de ondervloer niet diep genoeg was om te vrezen. De consument heeft namelijk niet betwist dat de ondernemer binnen de met tape aangegeven lijnen mocht frezen en dat ook heeft gedaan.
Dat elders een afvoerleiding zichtbaar was betekent niet dat het afgebakende deel van de ondervloer niet diep genoeg was. Terecht stelt de ondernemer dat het precieze verloop van de leiding niet blijkt uit het feit dat elders een deel van de leiding zichtbaar is. De consument had daarvoor specifieker moeten aangeven waarom de ondernemer dat in dit geval wel had moeten weten dat er op de plek waar werd gefreesd een leiding lag.
De klacht is daarom ongegrond.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag aan de ondernemer uitgekeerd.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Afbouw, bestaande uit de heer mr. W.F.R. Rinzema, voorzitter, de heer mr. B.C. Westenbroek, mevrouw mr. C.R.J.M. den Hartog-Kaaij, leden, op 30 september 2026.