Commissie: Installerende bedrijven
Categorie: extra kosten
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1338242/1353418
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument liet door de ondernemer een houtvergasser installeren. Vooraf ontving hij een prijsindicatie van € 6.534,- voor de werkzaamheden. Na afloop stuurde de ondernemer echter een extra factuur van € 1.130,- voor meerwerk. De consument was het daar niet mee eens, omdat hij nooit toestemming had gegeven voor dit meerwerk en niet was geïnformeerd dat de kosten hoger zouden uitvallen. De ondernemer stelde dat de genoemde prijs slechts een richtprijs was en dat extra werkzaamheden op basis van nacalculatie mochten worden doorberekend. De Geschillencommissie oordeelde dat de offerte onduidelijk was. Hoewel daarin werd gesproken over een richtprijs, stond ook vermeld dat de werkzaamheden voor een concreet bedrag konden worden uitgevoerd. Bovendien leek uit de offerte te volgen dat afwijkingen van de prijs alleen mogelijk waren als materiaalprijzen zouden stijgen. De ondernemer heeft niet aangetoond dat hiervan sprake was. Ook heeft hij onvoldoende onderbouwd dat was afgesproken om de werkzaamheden achteraf op basis van werkelijk gemaakte uren en materialen af te rekenen. Omdat onduidelijkheden in de offerte voor rekening van de ondernemer komen, concludeerde de commissie dat de ondernemer gebonden is aan het bedrag van € 6.534,-. De aanvullende factuur van € 1.130,- hoeft daarom niet te worden betaald. De klacht van de consument is gegrond verklaard. De ondernemer moet de factuur crediteren, het klachtengeld van € 127,50 aan de consument vergoeden en het in depot gestorte bedrag wordt terugbetaald aan de consument.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft de vraag of en in hoeverre een richtprijs bindend is.
De consument heeft een bedrag van € 1130,- niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Op of omstreeks 12 november 2025 ben in ik met de ondernemer overeengekomen dat deze een houtvergasser zou leveren en aansluiten in mijn woning. Ik heb vooraf een prijsindicatie ontvangen voor de installatie van een zonneboiler, leidingwerk en diverse elektrotechnische werkzaamheden. In deze prijsindicatie is vermeld dat de werkzaamheden voor een totaalbedrag van € 6.534,- zouden worden uitgevoerd.
Ongeveer twee maanden na uitvoering van de werkzaamheden kreeg ik een aanvullende factuur voor meerwerk ter hoogte van € 1.130,-. Ik betwist deze factuur en voer daartoe het volgende aan.
Ten eerste ben ik, in afwijking van hetgeen volgens de toepasselijke voorwaarden is vereist, niet schriftelijk en niet mondeling geïnformeerd over het ontstaan van meerwerk dat de grens van € 650,- overschrijdt. Ik heb geen toestemming voor het uitvoeren van meerwerk gegeven.
Ten tweede bestaat het in rekening gebrachte meerwerk onder meer uit uren die vanaf de aanvang van de werkzaamheden zijn berekend, terwijl in de prijsindicatie is vermeld dat de werkzaamheden voor het genoemde bedrag zouden worden uitgevoerd.
Ten derde is in de prijsindicatie opgenomen dat de installatie inclusief het bijmaken van nieuwe groepen zou worden uitgevoerd. In latere communicatie via de app is echter aangegeven dat niet alle elektrotechnische werkzaamheden waren meegenomen en dat deze aanvullend in rekening zouden worden gebracht. Hierdoor is onduidelijk welke afspraak leidend is en of het meerwerk terecht is gefactureerd. Uiteindelijk zijn de groepen overigens niet aangebracht maar hergebruikt. Dit speelt dus geen rol.
De ondernemer heeft wel wat extra dingen gedaan, zoals het ophangen van een lamp. Dit waren kleine dingen en ik acht het gevorderde bedrag van € 1.130,- niet verschuldigd.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Naar aanleiding van de richtprijs is er een telefoongesprek geweest tussen de consument en mij ([naam]). Daarin is aangegeven dat er bepaalde werkzaamheden (groepen erbij maken) niet in de richtprijs opgenomen waren. Deze zijn besproken en de consument heeft aangegeven dat we het moesten maken. Uiteindelijk hebben we dat niet gedaan omdat we de bestaande groepen hebben hergebruikt. Het speelt dus eigenlijk geen rol.
Verder zijn er diverse werkzaamheden extra gedaan ten tijde dat de monteur daar aanwezig was. Op alles is mondeling akkoord gegeven. Het ging om werkzaamheden die de consument gevraagd heeft om te doen. De tarieven stonden op de richtprijs vermeld.
Ik zag de richtprijs vooral als een schatting. Uiteindelijk hebben wij de daadwerkelijke uren en materialen op nacalculatiebasis afgerekend. In onze ogen is dat correct.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
In de offerte voor de werkzaamheden, die de consument heeft geaccepteerd, ziet de commissie qua prijsstelling een onduidelijkheid omdat enerzijds wordt gesproken over een richtprijs en anderzijds over concrete werkzaamheden die voor een met name genoemd bedrag kunnen worden uitgevoerd. Voor zover de consument rekening moest houden met een andere prijs dan de richtprijs wordt bovendien de indruk gewekt dat dit (alleen) te maken heeft met materiaalprijzen. De offerte meldt immers het volgende:
“Op dit moment zijn de prijzen van de materialen soms per dag verschillend. Dit houdt in dat
we geen offertes meer uitgeven worden maar een richtprijs. Deze prijs is gebaseerd op de
huidige prijs van de materialen. Dit kan soms ten tijde van het uitvoeren van de
werkzaamheden verschillen. Dit verschil zou doorberekend kunnen worden mochten we niet
aan de richtprijs uitkomen.”
De ondernemer heeft niet gesteld dat de gebruikte materialen duurder zijn geworden. Dit argument is dus niet van toepassing.
De ondernemer heeft op de zitting aangevoerd dat zij al haar uren en materialen op nacalculatiebasis heeft (her)berekend en aan de consument heeft gefactureerd. Waarom die uren of materialen op die manier konden worden gefactureerd heeft de ondernemer niet uitgelegd en zij heeft ook niet (voldoende) gesteld dat zij deze methode (die afwijkt van de bewoording van de offerte) met de consument is overeengekomen. Deze onduidelijkheid moet dus in het nadeel van de ondernemer worden uitgelegd.
Op basis van het bovenstaande acht de commissie de ondernemer gebonden aan de door haar genoemde prijs voor de werkzaamheden, dus aan het bedrag van € 6.534,- inclusief btw. Dit betekent dat de aanvullende factuur niet verschuldigd is en de klacht is daardoor gegrond.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De ondernemer dient de factuur voor het bedrag van € 1.130,- te crediteren.
Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 127,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie een bijdrage in de behandelingskosten verschuldigd.
De commissie wijst het meer of anders verlangde af.
Het depotbedrag wordt aan de consument terugbetaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Installerende Bedrijven, bestaande uit de heer mr. W.F.R. Rinzema, voorzitter, de heer P.A. Frank, mevrouw mr. C.R.J.M. den Hartog-Kaaij, leden, op 30 september 2026.