Notaris geeft onvoldoende duidelijkheid over kosten Europese Verklaring van Erfrecht

  • Home >>
  • Notariaat >>
De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Notariaat    Categorie: Kosten    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1311218/1321622

De uitspraak:

Waar gaat deze uitspraak over?

Deze zaak gaat over een geschil tussen een klaagster en een notaris over de kosten voor het opstellen van een Europese Verklaring van Erfrecht na het overlijden van haar opa. De notaris bracht hiervoor € 2.117,50 in rekening. Klaagster vond dit bedrag veel te hoog, omdat de notaris vooraf geen offerte of duidelijke prijsafspraak had gegeven en volgens haar extra tijd had besteed aan overleg en onderzoek waarvoor zij niet wilde betalen. De notaris stelde dat sprake was van een complexe internationale nalatenschap en dat de werkzaamheden daarom meer tijd vergden. De Geschillencommissie oordeelde echter dat de notaris onvoldoende duidelijkheid had gegeven over de financiële gevolgen van zijn dienstverlening en daarmee niet had voldaan aan zijn informatieplicht. Ook vond de commissie niet voldoende aangetoond dat de zaak zo ingewikkeld was dat het uitgebreide overleg en onderzoek, en daarmee de hoogte van de rekening, gerechtvaardigd waren. Daarom heeft de commissie de klacht gegrond verklaard. Het nog openstaande bedrag van € 683,75 hoeft klaagster niet te betalen en dit depotbedrag wordt aan haar terugbetaald. Daarnaast moet de notaris het klachtengeld van € 52,50 aan klaagster vergoeden en de behandelingskosten van de commissie betalen.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft een door de notaris bij klaagster in rekening gebracht bedrag voor het opstellen van een Europese Verklaring van Erfrecht (hierna: Europese VvE).
De nota betreft € 2.117,50. Klaagster heeft een bedrag van € 683,75 bij de commissie gedeponeerd.

Standpunt van klaagster

Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De opa van klaagster (hierna te noemen: de erflater) is op 30 april 2025 overleden. Klaagster is de executeur van zijn nalatenschap.
Binnen twee weken na het overlijden van de erflater hebben klaagster en haar moeder een afspraak gemaakt bij de notaris. Pas op 18 juni 2025 konden zij terecht voor een gesprek, waarna zij op 8 augustus de verklaring en een nota van € 2.117,50 ontvingen. Klaagster vindt dit bedrag buiten proportie en heeft dit ook meermaals teruggekoppeld aan de notaris.

De notaris heeft zelf aangegeven weinig ervaring te hebben met het opstellen van een Europese VvE, maar hij wilde dit toch op zich nemen. Daarbij heeft hij vooraf geen offerte of prijsopgave verstrekt.

Klaagster is van mening dat de notaris haar had kunnen doorverwijzen naar een notaris die meer ervaring met de materie heeft. Zij vindt het niet juist dat zij moet betalen voor de tijd die hij heeft besteed aan het opdoen van kennis over het maken van een Europese VvE en overleg met andere notarissen. Zeker omdat het kantoor al bekend was met de situatie, aangezien het testament van de erflater – waarin de tante van klaagster is onterfd – eveneens door het kantoor van de notaris is opgesteld. Dat er vervolgens toch overleg heeft plaatsgevonden en dit bij klaagster in rekening is gebracht, vindt klaagster bijzonder en ongepast.

Verder zijn documenten onzorgvuldig en vertraagd aangeleverd, soms onjuist of incompleet. Dit heeft geleid tot vertragingen en extra kosten bij de afhandeling van de nalatenschap.

Klaagster verzoekt de commissie de nota van de notaris te matigen.

Standpunt van de notaris

Voor het standpunt van de notaris verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Het stond klaagster vrij om, voordat zij contact opnam met het kantoor van de notaris, een offerte op te vragen. Dat zij dat niet heeft gedaan, is haar keuze geweest.

Als klaagster het te lang vond om één à twee maanden te wachten voor een bespreking op kantoor, stond het haar bovendien vrij om naar een andere notaris te gaan. Het is haar keuze geweest om dit niet te doen.
Op 18 juni 2025 heeft de bespreking op kantoor plaatsgevonden. Op 5 augustus 2025 is de Europese VvE gepasseerd. Dat is zeer vlot, zeker omdat de notaris in die periode drie weken op vakantie is geweest.
Het dossier is met prioriteit en voortvarendheid behandeld.

De notaris heeft wel degelijk een ruime ervaring met het opstellen van een Europese verklaring van erfrecht.

Er was echter sprake van een complexe internationale nalatenschap, met ongelijke erfdelen, ontbindende voorwaarde(n) en een beroep op de legitieme portie. Verder is beneficiair aanvaard en is een primaire executeursbenoeming verworpen.

Tijdens de bespreking heeft de notaris klaagster aangegeven dat hij werkzaamheden voor een Europese VvE – zoals altijd – uitsluitend op basis van zijn uurtarief verricht. Verder is meegedeeld dat de notaris, juist vanwege zijn kennis en ervaring, het dossier grotendeels zelf zou moeten behandelen (tegen een hoger uurtarief dan dat van een notarieel medewerker). Ook op dat moment had klaagster nog steeds de mogelijkheid om van de dienstverlening door de notaris af te zien en zich tot een andere notaris te wenden.

Vanwege een in de situatie van klaagster aan de orde zijnde lastige kwestie, is de notaris niet over één nacht ijs gegaan. Hij heeft overleg gevoerd met twee andere notarissen. Om een standpunt te kunnen opnemen over de kwestie waren bovendien literatuurstudie en onderzoek in de rechtspraak nodig.
Het heeft de nodige tijd gekost om tot een zorgvuldig eindproduct te komen.

Voor alle werkzaamheden (onder meer: bespreking op kantoor, correspondentie, overleg, literatuuronderzoek, invullen formulieren, passeerklaar maken, passeren en nawerk) is acht uur aan tijd in rekening gebracht. Gezien de complexiteit van het dossier is dit niet veel.

Het is wel zo dat bepaalde aspecten van de afhandeling door het secretariaat van het kantoor van de notaris niet erg zorgvuldig zijn gedaan. De gemaakte fouten zijn echter op korte termijn hersteld, zonder dat klaagster daarvoor heeft hoeven te betalen.

De notaris heeft klaagster de mogelijkheid geboden om telefonisch met haar over haar klacht te spreken, maar zij heeft niet van deze mogelijkheid gebruik willen maken.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de notaris hanteert dat deze heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende notaris.

Door het niet ter zitting verschijnen van partijen heeft de commissie geen vragen aan partijen kunnen stellen. Zij is daarom uitgegaan van de schriftelijke informatie die partijen hebben aangedragen. Op basis daarvan acht zij zich voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen.

Vast staat dat de notaris een Europese VvE heeft opgesteld waarvoor kosten voor in rekening zijn gebracht. Klaagster is het niet eens met de hoogte van deze kosten.

In artikel 10 van de Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 staat het volgende:

“Artikel 10. Voorlichting over financiële gevolgen
1. De notaris licht cliënten tijdig en duidelijk voor over de financiële consequenties van zijn inschakeling.
2. De notaris deelt tijdig aan cliënten mee wanneer meer kosten in rekening zullen worden gebracht dan voorzien.
3. De notaris mag de kosten van zijn werkzaamheden niet brengen ten laste van een andere opdracht, ander deel van de opdracht of een ander dan de opdrachtgever.”
De commissie stelt vast dat de notaris voorafgaand aan de werkzaamheden geen duidelijke prijsafspraak met klaagster heeft gemaakt c.q. een offerte aan haar heeft uitgebracht. Ook is niet gesteld of gebleken dat de notaris een concreet uurtarief heeft genoemd. Door klaagster in het ongewisse te laten over de financiële consequenties van zijn dienstverlening heeft de notaris naar het oordeel van de commissie niet voldaan aan de eis van artikel 10 lid 1.

De notaris voert aan dat het door hem in rekening gebrachte bedrag wordt gerechtvaardigd door de complexiteit van de Europese VvE. Het is de commissie echter niet voldoende gebleken dat het opstellen van deze Europese VvE dusdanig ingewikkeld was dat overleg plaats diende te vinden met meerdere collega notarissen of dat dit reden was voor een uitgebreide literatuurstudie en/of jurisprudentieonderzoek.
Enkel onderdeel 11 van Formulier V – Bijlage IV in de Europese VvE lijkt extra aandacht nodig te hebben gehad. De commissie is echter niet gebleken dat deze kwestie dusdanig ingewikkeld was dat dit het berekende bedrag zou rechtvaardigen.
Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat de notaris zelf heeft aangegeven dat hij over specialistische kennis van en ervaring met de materie beschikt.

Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de notaris niet heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende notaris. De commissie zal de klacht van klaagster dan ook gegrond verklaren.

Hierin ziet de commissie aanleiding het door de notaris in rekening gebrachte bedrag te matigen. Klaagster heeft onweersproken gesteld dat zij twee termijnen aan de notaris heeft betaald en dat thans nog openstaat een bedrag van € 683,75. Naar het oordeel van de commissie is het bedrag dat door klaagster aan de notaris is betaald afdoende voor de door de notaris verrichte werkzaamheden. Dit wordt door de commissie als een redelijk bedrag gezien.

Het bij de commissie in depot gestorte bedrag van € 683,75 zal daarom worden terugbetaald aan klaagster.

Nu de klacht van klaagster gegrond is, dient de notaris als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld tot vergoeding van het klachtengeld aan de cliënt, derhalve een bedrag van € 52,50.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de notaris voorts behandelingskosten aan de commissie verschuldigd.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen bespreking, nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht van klaagster gegrond.
De commissie bepaalt dat klaagster een bedrag van € 683,75 niet aan de notaris hoeft te voldoen.
Met inachtneming hiervan wordt het depotbedrag van € 683,75 terugbetaald aan klaagster.

De notaris dient overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan klaagster te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de notaris aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Notariaat, bestaande uit de heer mr. A.G.M. Zander, voorzitter, de heer mr. M. de Waal en de heer mr. P. Rijpstra, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 10 april 2026.

Opslaan als PDF