Commissie: Recreatie
Categorie: Schadevergoeding
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1322995/1344341
De uitspraak:
Waar gaat deze uitspraak over?
De zaak gaat over een consument die in augustus 2019 een stacaravan kocht op een camping. In de koopovereenkomst stond dat het kampeermiddel tot het einde van seizoen 2031 mocht blijven staan. Enkele maanden later liet de ondernemer echter weten dat alle seizoensplaatsen vanwege een herstructurering al in 2026 zouden verdwijnen. De consument vond dat de ondernemer hem hierover onvoldoende had geïnformeerd en stelde dat sprake was van misleiding en contractbreuk. Daardoor zag hij zich genoodzaakt zijn chalet te verkopen en eiste hij een schadevergoeding van € 12.677. De commissie oordeelde dat de ondernemer inderdaad niet aan zijn informatieplicht had voldaan en dat de consument op basis van de koopovereenkomst redelijkerwijs mocht verwachten dat de stacaravan tot 2031 op de standplaats kon blijven staan. Ook achtte de commissie aannemelijk dat de consument door de handelwijze van de ondernemer is misleid. Toch kreeg de consument geen gelijk. De commissie stelde vast dat de consument al op 13 november 2019 bekend was met de herstructureringsplannen, maar zijn klacht en schadevordering pas eind november 2025 indiende. Daardoor waren de wettelijke verjaringstermijnen voor een beroep op dwaling en onrechtmatige daad verstreken. Daarnaast bestond geen recht op een verplaatsingsvergoeding of restitutie van jaargeld, omdat de standplaatsovereenkomst niet door de ondernemer was beëindigd maar door de consument zelf was opgezegd. Daarom verklaarde de commissie de klacht ongegrond en wees zij de gevraagde schadevergoeding af.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft de mededeling van de ondernemer dat de vaste standplaats van de consument op het terrein van de ondernemer te zijner tijd komt te vervallen in verband met een voorgenomen herstructurering.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
24 aug 2019: Chalet gekocht. De ondernemer begeleidde de verkoop actief en kreeg vergoeding van verkoper. Wij vroegen expliciet naar toekomstplannen park – antwoord: “niets bijzonders, alleen aankoop stukje grond”. Contract vermeldde: “kampeermiddel mag blijven staan tot einde seizoen 2031”.
13 nov 2019: Slechts tweeënhalve maand later kondigde de ondernemer een herstructurering aan: alle seizoensplaatsen eindigen 2026. Dit is in directe tegenspraak met zijn eerdere uitspraken en het contract.
Okt 2025: Gedwongen verkoop omdat 2026 einddatum naderde. Dit was geen vrijwillige keuze. Aantoonbaar groot financieel verlies door contractbreuk en misleiding door de ondernemer.
De consument verlangt een schadevergoeding ter hoogte van € 12.677,-
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, waarvan in het bijzonder het verweerschrift van 13 juli 2026. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Artikel 12 van de RECRON-voorwaarden is niet van toepassing, nu de overeenkomst niet door de ondernemer is beëindigd, maar door de consument zelf is opgezegd. De vorderingen ter zake de verplaatsingsvergoeding (€1.482,-) en restitutie jaargeld (€ 1.695,41) missen daarmee elke grondslag.
De “2031-clausule” is een keuringsbepaling in de koopovereenkomst van het kampeermiddel, die ziet op de technische levensduur van een stacaravan uit 2001, niet op de looptijd van de standplaatsovereenkomst. Van contractbreuk is geen sprake.
De misleidingsclaim is verjaard: de dwaling is ontdekt op 13 november 2019 (art. 3:52, lid 1, sub c, van het Burgerlijk Wetboek (BW); verjaringstermijn verstreken november 2022); de vordering uit onrechtmatige daad is verjaard per november 2024 (art. 3:310, lid 1, van het BW)
De gestelde waardevermindering van het kampeermiddel is het gevolg van de eigen keuze van de consument om te verkopen in plaats van te verplaatsen, en is niet onderbouwd met een onafhankelijke taxatie.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De kern van de klacht is dat de ondernemer niet heeft gehandeld in overeenstemming met de inhoud van de koopovereenkomst van 24 augustus 2019 inzake de stacaravan op veld 60, plaats 3 op het terrein van de ondernemer. De ondernemer heeft deze koopovereenkomst voor akkoord ondertekend.
In die overeenkomst wordt onder meer het volgende gesteld:
‘Het kampeermiddel mag tot einde seizoen 2031 blijven staan, mits deze goed onderhouden wordt en mits de plaats inrichting voldoet aan het parkreglement. In het voorjaar van 2031 zal een nieuwe toetsing plaatsvinden.’
De consument heeft aangevoerd dat de ondernemer hem in tegenspraak met het voorgaande op 13 november 2019, slechts tweeënhalve maand na het tekenen van de koopovereenkomst, heeft laten weten dat alle seizoensplaatsen eindigen in 2026. Hij is van mening dat er sprake is van contractbreuk en misleiding. Hij wijst er daarbij op dat hij de ondernemer bij de overdracht van de stacaravan expliciet heeft gevraagd naar de toekomstplannen van de camping en dat de ondernemer toen niets heeft verteld over herstructureringsplannen.
De ondernemer heeft zich op het standpunt gesteld dat de betreffende zinsnede een keuringsbepaling in de koopovereenkomst van het kampeermiddel betreft, die ziet op de technische levensduur van een stacaravan uit 2001, niet op de looptijd van de standplaatsovereenkomst. Van contractbreuk is volgens hem dan ook geen sprake. In zijn verweerschrift heeft de ondernemer nog onderstreept dat deze zienswijze volgt uit de tekst, de context en de systematiek. De ondernemer heeft niet weersproken dat hij de consument in augustus 2019 niets heeft verteld over herstructureringsplannen. Ter zitting heeft de ondernemer desgevraagd verklaard dat er op dat moment nog geen sprake was van concrete herstructureringsplannen. Die waren er pas kort voordat de consument en andere vaste seizoen-plaatshouders daarover op 19 november 2019 zijn geïnformeerd.
Dit laatste is voor de commissie niet aannemelijk. In de brief van de ondernemer van 13 november 2019, waarin hij zijn toekomstvisie met betrekking tot de vaste plaatsen op zijn terrein toelicht, wordt onder meer het volgende gesteld:
‘In een aantal zeer inspirerende sessies met onze bijna 40 medewerkers hebben we een aantal belangrijke beslissingen genomen over hoe wij deze continuïteit gezamenlijk denken te waarborgen.’
Wellicht dat er medio augustus 2019 nog geen beslissingen waren genomen inzake de herstructureringsplannen, maar aan definitieve besluitvorming inzake een dermate ingrijpende wijziging in de bedrijfsvoering gaat een zorgvuldig proces vooraf. Niet valt in te zien dat dit proces pas eind oktober, begin november 2019 is opgestart, zeker niet nu de ondernemer zelf heeft aangegeven dat inzake de voorgenomen herstructurering een aantal sessies heeft plaatsgevonden met de veertig vaste medewerkers.
Met inachtneming van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de ondernemer in augustus 2019 niet heeft voldaan aan de op hem rustende informatieplicht. Daarnaast is de commissie van oordeel dat de consument, gelet op de inhoud van de koopovereenkomst (kampeermiddel mag tot einde seizoen 2031 blijven staan…enz), ervan uit mocht gaan dat zijn stacaravan tot dat moment mocht blijven staan op het terrein van de ondernemer. Van de consument mag niet worden verwacht dat hij aan de betreffende zinsnede de juridische duiding geeft die de ondernemer eraan heeft gegeven, nog los van het feit of die duiding hout snijdt.
Voor de commissie is dan ook de conclusie dat de ondernemer zich niet heeft gehouden aan hetgeen in de koopoverkomst is bepaald. Terecht heeft de consument dan ook aangevoerd dat hij door de handelwijze van de ondernemer is misleid.
De volgende vraag waar de commissie zich voor gesteld ziet, is of de consument zijn klacht/vordering tijdig aan de ondernemer heeft voorgelegd. Zijn klacht is ontstaan op 13 november 2019, de datum van de toekomstvisiebrief. Op dat moment werd de consument bekend met de herstructureringsplannen. Bij e-mail van 29 november 2025 heeft de consument zijn klacht/vordering aan de ondernemer voorgelegd.
De ondernemer heeft in dit verband gesteld dat de vordering van de consument, voorzover die is gegrond op misleiding of dwaling, is verjaard. Onder verwijzing naar het van toepassing zijnde artikel uit het Burgerlijk Wetboek (artikel 3:52, lid 1, sub c, van het BW) geeft de ondernemer aan de rechtsvordering tot vernietiging wegens dwaling drie jaar na ontdekking verjaart.
De ondernemer heeft in dit verband voorts gesteld dat de vordering van de consument, voorzover die is gegrond op onrechtmatige daad, eveneens is verjaard. Onder verwijzing naar het van toepassing zijnde artikel uit het Burgerlijk Wetboek (artikel 3:310, lid 1, van het BW) geeft de ondernemer aan dat een vordering op grond van onrechtmatige daad verjaart vijf jaar na bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon.
Aangezien de consument zijn klacht/vordering pas op 29 november 2025 aan de ondernemer heeft voorgelegd, terwijl hij reeds op 13 november 2019 bekend was met de herstructureringsplannen, is de commissie van oordeel dat beide verjaringstermijnen zijn verstreken zonder dat de consument in de tussentijd enige actie heeft ondernomen om deze verjaring te stuiten en dat daarmee zijn vordering is verjaard.
Volledigheidshalve merkt de commissie nog op dat uit de stukken naar voren komt dat de consument aanspraak heeft gemaakt op de vergoedingen die worden genoemd in artikel 12 van de RECRON-voorwaarden (vaste plaatsen). Dit artikel is in casu echter niet van toepassing, nu de overeenkomst niet door de ondernemer is beëindigd, maar door de consument zelf is opgezegd. De commissie volgt dan ook de zienswijze van de ondernemer dat de vorderingen ter zake de verplaatsingsvergoeding en restitutie (van een deel van) het jaargeld een juridische grondslag ontberen.
Op grond van het voorgaande zal de commissie de klacht ongegrond verklaren.
Beslissing
De commissie verklaart de klacht ongegrond, zodat het door de consument verlangde wordt afgewezen.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, mevrouw mr. M. de Rooij – Slager, mevrouw J.M.A. van Haren, leden, op 10 september 2026.